1. De uitgangspunten

1.1. Daisnes visie op editeurs en redacteurs

Daisne is al vroeg met zijn literaire nalatenschap bezig. In 1938 – dus nog voor hij in de jaren veertig zijn meest succesvolle werken heeft geschreven – laat hij Ger Schmook, de pas benoemde conservator van het Museum voor de Vlaamsche Letterkunde, het huidige Letterenhuis, weten: 'Ik beloof u van al mijn verder werk het ms. [...] Moest ik niet nog goed jong zijn, dan zou ik u nu reeds al mijn papieren bij testament vermaken.' [1] Men kan dit literaire ijdelheid noemen, of men kan in deze conserverende reflex al de latere hoofdbibliothecaris van de stad Gent herkennen, of de bewonderaar van het wetenschappelijke werk. Daisne lijkt inderdaad soms te schrijven met een toekomstige tekstediteur in zijn achterhoofd. Hij dateert zijn manuscripten zorgvuldig en hij gebruikt voor elke dag die hij aan zijn manuscript corrigeert een ander materiaal of een andere kleur. Zo kan de onderzoeker de verschillende lagen en tijdseenheden van literaire arbeid onderscheiden. Bovendien heeft Daisne zoveel mogelijk documenten zorgvuldig bewaard en aan een literair archief overhandigd.
Omgekeerd heeft Daisne geen hoge pet op van redacteurs. Hij had zijn eigenzinnige kijk op spelling bijvoorbeeld, of verschreef soms bewust woorden om een taalgrapje te maken. Hij vond – en ervoer ook vaak – dat redacteurs zijn gewilde schrijfwijzen en taalgrapjes verknoeiden. [2] Daisne behield ook graag de volledige controle over het schrijfproces, dus herlas hij zelf nauwgezet de drukproeven.
Hij was ook een moeilijke onderhandelingspartner die het liefst van al op zijn standpunt bleef staan. Angèle Manteau vertelt hierover: 'Hoe hard, in het begin van de jaren 40, hebben mijn man en ik moeten argumenteren over de titel van de Trap. Daisne had gekozen voor Paradeigmata en er werd heelwat gediscussieerd voor dat het De trap van steen en wolken werd. Ook veel andere wijzigingen werden door hem niet aanvaard.' [3]
De samenwerking met uitgeverij Electa was dan ook een goede zaak voor Daisne. Hij hield daar alle touwtjes zelf in handen. Ook bij Manteau had hij, na enkele aanvaringen, verkregen dat hij het drukproces zelf mocht opvolgen: 'Zodra Herman enige bekendheid genoot, werd hij steeds lastiger en ik vermeed een redacteur op een tekst van hem te zetten. Ik liet hem zijn gang gaan. Zijn Nederlands was goddank beter dan bij andere Vlamingen.' [4] Omgekeerd is er de historie rond zijn filmbesprekingen Filmatiek, of de film als levenskunst waarbij Daisne met juridische stappen tegen uitgeverij Elsevier dreigde als ze niet de correcties van de correctoren zouden afwijzen en de tekst terug zouden zetten zoals hij hem geschreven had. [5]
Deze schets van Daisnes visie helpt om zijn werkwijze te begrijpen en te evalueren. Bovendien openbaart zich tegenover het algemene beeld het specifieke belang van deze tekstkritische uitgave van De trein der traagheid. Bij de verschijning namelijk van het verhaal in de bloemlezing Moderne Vlaamse verhalen hebben verschillende mensen de tekst in handen gehad en daarbij zijn verscheidene veranderingen gebeurd. In zijn reactie op die veranderingen in de drukproef van 1963 verraadt Daisne wat hij wel en niet belangrijk vindt. In 3. Constitutie van de leestekst en 3.2. Spelling zal dat meer uitgebreid aan bod komen.

1.2. Het vergaren van de feiten

Het verzamelen van de verschillende bronnen werd vergemakkelijkt door het feit dat zowel het Daisne-archief, het NVT-archief als het grootste deel van het Manteau-archief zich in het Letterenhuis bevinden. Enkel de drukproeven voor de uitgave bij het Spectrum uit 1961 zijn daar niet bewaard. Na een bezoek aan het Spectrum-archief in Nijmegen bleken ze ook daar niet bewaard te zijn gebleven. Met deze leemte werd bij de constitutie van de leestekst rekening gehouden.
Voor een gedetailleerde beschrijving van alle documenten in het bezit van het Letterenhuis verwijzen we naar de handschrifteninventaris opgesteld door Johan Vanhecke. [6]
Het manuscript bleek weinig bruikbaar voor de constitutie van de tekst. Het is een te vroege fase vol correcties en verschillende schrijflagen en kon onmogelijk als basistekst dienen.
Het typoscript is in eerste instantie ook terzijde gelegd, maar achteraf is er wel een collatie gemaakt tussen het typoscript en de drukproef uit 1948. Dit bracht enkele veranderingen aan het licht, maar geen enkele was binnen het toen al geschetste kader belangrijk genoeg om mee in rekening te nemen.
De proefdruk van 1948 voor het NVT (P48) werd met de uitgave van 1977 (D77) gecollationeerd en bij elk verschil is gezocht naar de plaats en het moment van de verandering. Daarbij werden de volgende 22 versies van de tekst betrokken: [7]
  • de drukproef van 1948 (P48)
  • de verbeteringen van Daisne op de drukproef van 1948 (Pm48)
  • de publicatie van 1948 in het NVT (T48)
  • de drukproef van 1950 (P50)
  • de verbeterde drukproef van 1950 (Pm50)
  • de publicatie van 1950 in de verzamelbundel Met 13 aan tafel (D50)
  • de publicatie van 1961 in de bloemlezing Moderne Vlaamse verhalen (D61) [8]
  • de drukproef van 1963 (P63)
  • de verbeteringen van Daisne op de drukproef van 1963 (Pm63)
  • de publicatie van 1963 als aparte uitgave (D63)
  • de publicatie van 1964 als aparte uitgave (D64) [9]
  • de drukproef van 1968 (P68)
  • de verbeterde drukproef van 1968 (Pm68)
  • de publicatie van de filmeditie van 1968 (D68)
  • de publicatie van de filmeditie van 1970 (D70) [10]
  • de publicaties van 1972 als aparte uitgave (D72) [11]
  • de publicatie van 1972 in Het Spoor (T72)
  • de publicatie van 1974 als aparte uitgave (D74) [12]
  • de publicatie van 1974 in de bloemlezing Johan Daisne Omnibus
  • de publicatie van 1975 als aparte uitgave (D75) [13]
  • de publicatie van 1976 als aparte uitgave (D76)
  • de publicatie van 1977 als aparte uitgave (D77) [14]
Uit deze vergelijking ontstond een collatielijst van 1765 plaatsen met 4129 varianten. Ook herstellingen van Daisne, die duidelijk herkenbaar waren op de drukproeven, werden opgenomen. Een overzicht van de varianten is terug te vinden in de editie.
Deze gegevens zijn de basis geweest voor de keuze van de basistekst en voor de constitutie van de leestekst.

2. Keuze van de basistekst

De versie van 1963 diende als basistekst voor deze editie. Het is de laatste versie waar Daisne zelf aan gesleuteld heeft en tegelijk de eerste aparte publicatie van het verhaal. De meeste critici hebben deze versie gerecenseerd en op kleine spellingsveranderingen na is deze tekst in latere versies herdrukt en werd hij door duizenden mensen gelezen. De keuze voor de uitgave van 1963 lijkt het beste met de wil van de auteur overeen te komen en brengt de tekst zoals de meeste mensen hem gelezen hebben.
Er is anderzijds geen eerdere (of latere) versie die speciale aandacht verdient. Er zijn geen grote inhoudelijke veranderingen aangebracht, er is geen censuur uitgeoefend of iets opmerkelijks gebeurd. De veranderingen bij de Spectrum-uitgave van 1961 verantwoorden niet dat een vroegere tekst gekozen zou worden. Daisne heeft in 1961 zelf ook veranderingen aangebracht, en opnieuw in 1963. Hij stuurde deze uitgave naar uitgeverij Manteau en aanvaardde zo de tekst als geheel. De specifieke correcties die hij niet aanvaardde, heeft hij op de drukproef in 1963 kunnen corrigeren.
Deze en andere veranderingen worden in 3. Constitutie van de leestekst kritisch doorgelicht.

3. Constitutie van de leestekst

3.1. Keuzes en fouten

Een editeur respecteert de historische context van een verhaal zoals die in de keuzes van de auteur en de mogelijke redacteurs gereflecteerd wordt. Hij bouwt kennis op van: het verhaal en zijn tekstgeschiedenis; secundaire bronnen zoals brieven en recensies; de schrijfstijl van de auteur; de doelstellingen van de betrokken personen, zowel van de auteur als van de zetters en redacteurs; de spellingsdiscussies uit de periode van uitgave; de algemene geschiedenis van de periode van uitgave.
Die kennis wordt ingezet om een onderscheid te maken tussen keuzes (van de auteur en andere betrokkenen) en fouten (van de auteur en andere betrokkenen). Dat onderscheid veronderstelt altijd een zekere mate van subjectiviteit. Met een verantwoording van de de behandeling van de tekst op het vlak van spelling, interpunctie, het gebruik van accenten, de emendaties en typografie, en met het geven van een correctielijst hopen we het in deze editie gemaakte onderscheid tussen keuzes en fouten voldoende te kunnen onderbouwen.

3.2. Spelling

Daisne was een voorstander van spellingsvereenvoudiging, wat in de periode voor de Tweede Wereldoorlog overeenkwam met de spelling Kollewijn. Maar die spelling aanvaardde hij ook niet helemaal. Hij wou bijvoorbeeld de c in vreemde woorden niet door een k vervangen zien. Zelf omschreef hij in 1960 zijn spelling als volgt:
Ik herhaal nog eens voor de corrector wat mijn spelling is. Stipt de nieuwe zoals ze staat in bijv. de laatste Koenen (24e). Ik schrijf alleen nooit het deelteken waar dat in het Ndl. niet nodig is, aldus heroisch, Israel e.d. Vreemde woorden laat ik in hun vreemde spelling inzoverre het niet absoluut anders moet. Dus th blijft bewaard (behalve in woord als astma, en telepaat), alsook de c. Met voorkeurspelling doe ik niet mee. Dus vacantie, zolang men t zal schrijven i.p.v. s.
[15]
Daisnes spellinggewoontes lopen als een eigenzinnige breuklijn soms in het progressieve en soms in het conservatieve spellingskamp. Ook De trein der traagheid getuigt hiervan.
Anderzijds heeft ook de 'persklaarmaker' [16] van Het Spectrum zijn ideeën over spelling:
U zult zich misschien kunnen voorstellen dat wij er enigszins tegen opzien om een bundel VLAAMSE VERHALEN uit te geven met twaalf of dertien verschillende spellingen. Dit lijkt mij tactisch en pedagogisch niet juist en wij proberen daarom de officiële spelling van 1954 zo consequent mogelijk door te voeren. Wij zouden u willen vragen daarvoor begrip te hebben, ook al zou een bepaalde spelling van het woord u tegen de haren ingaan.
[17]
De spellingscorrecties waarvan sprake zijn bijvoorbeeld: 'bijzonder' in plaats van 'biezonder', 'aanstalten' in plaats van 'aanstalte'; kleine woordjes aan elkaar ('ervan' in plaats van 'er van', 'eronder') of van elkaar ('dit keer' in plaats van 'ditkeer', 'in zover'); het wegwerken van afkortingen; 'lokomotief' in plaats van 'locomotief', enzovoort. Omdat de drukproeven van deze bloemlezing onvindbaar en waarschijnlijk vernietigd zijn, is het moeilijk in te schatten wat juist volgens Het Spectrum spellingsveranderingen zijn. Deze voorbeelden komen in elk geval met enige regelmaat terug.
Daisne lijkt deze spellingscorrecties grotendeels goed te keuren. In mei (of juni) 1962 bezorgt hij de bloemlezing Moderne Vlaamse verhalen als grondtekst aan uitgeverij Manteau. [18] Een kleine, afgebakende groep correcties heeft hij hersteld en die verraden zijn ideeën: 'lokomotief' wordt opnieuw 'locomotief', 'naïef' opnieuw 'naief', 'Hernhutters' opnieuw 'Hernhutter's' (Daisne wou dat je de eigennaam nog herkende: 'Het weglaten van apostrof tussen eigennaam en genetief- [sic] of meervouds -s vind ik lelijk en hinderlijk: dat is Duits en verandert de eigennaam.' [19]). Van de meerderheid van de spellingscorrecties door de Spectrum-persklaarmaker kan niet anders gezegd worden dan dat Daisne ze aanvaard heeft.
Waarschijnlijk houdt die aanvaarding verband met het feit dat Daisnes spellingsopvattingen in die vijftien jaar verder ontwikkeld zijn. Kleine zaken tonen dat aan. Zo schrijft hij in 1963 'classiek' waar hij in 1948 nog 'klassiek' schreef en verandert hij 'professor's' in 'professors' (bovenstaande regel voor de eigennamen is er dus pas later gekomen; eerst schreef hij consequent ''s'. Ook verbetert hij op de proefdruk van de uitgave uit 1963 bijna consequent een typisch Vlaamse fout om bij adjectieven geen uitgangs -e te schrijven. Bijvoorbeeld 'het eentonig geruis' wordt 'het eentonige geruis'. Hij probeert dit zo consequent toe te passen dat er zelfs één geval van hypercorrectie plaatsvindt: in de vaste uitdrukking 'het stoffelijk overschot' voegt hij ook een 'e' toe. De hypercorrectie is door de editeur hersteld.
In een brief uit dezelfde periode als De trein zegt Daisne het volgende over de schrijfwijze van 'tenminste / ten minste': 'Voor "ten minste" is er betekenisverschil: aaneen betekent het althans, vaneen: op zijn minst.' [20] In de praktijk schreef Daisne tot 1950 altijd 'ten minste' en zijn ze in 1961 allemaal tot 'tenminste' gecorrigeerd. Bij minstens één passage is dat – als we bovenstaande regel volgen – foutief gebeurd, verschillende andere passages hebben het voordeel van de twijfel gekregen.

3.3. Interpunctie

3.3.1. Komma's

De trein der traagheid vertoont in alle versies tot 1950 hetzelfde retorische interpunctiesysteem. [21] De interpunctie is in zo'n systeem op het gehoor gericht: komma's geven een korte pauze aan, kommapunten een middellange en punten een lange.
In de negentiende en twintigste eeuw heeft een evolutie van een retorisch naar een syntactisch interpunctiesysteem plaatsgevonden. In een syntactisch systeem dienen komma's om het lezen gemakkelijker te maken. De komma's scheiden syntactische eenheden en voorkomen verkeerde lezingen. In de praktijk houdt deze evolutie een afname van het aantal komma's in.
Daisnes interpunctie was al enigszins anachronistisch in de naoorlogse periode. Het is bijgevolg niet verwonderlijk dat in de uitgave van 1963 verschillende komma's geschrapt zijn. Ook Daisne heeft op de drukproef van 1963 komma's geschrapt (en andere terug ingevoerd).
Een hedendaagse redacteur zou nog meer komma's schrappen, maar deze editie opteert om de ontstane tussensituatie in zijn waarde te laten. Op die manier kan dit verhaal ook een document voor de verschuiving van een retorisch naar een syntactisch interpunctiesysteem zijn. Enkel fouten zijn verbeterd in de leestekst.

3.3.2. Dialoogaanduidingen

Daisne gebruikt in het manuscript en het typoscript geen aanhalingstekens. Een dialoog begint in een nieuwe alinea met een liggend streepje. Binnen die alinea is er geen onderscheid tussen gesproken en geschreven woorden. In het typoscript staat bijvoorbeeld aan het begin van hoofdstuk 13:
-U bent zeker te laat gekomen om de machinist te ondervragen?begon Hernhutter vaderlijk.
[22]
De zetter van het NVT in 1948 voert aanhalingstekens in die vanaf dan in alle drukken voorkomen. Eerst zijn het dubbele aanhalingstekens (onder-boven), vervolgens vishaken in 1950 en vanaf 1961 enkele aanhalingstekens (bovenaan). Het voorbeeld wordt in de uitgave van 1963:
'U bent zeker te laat gekomen om de machinist te ondervragen?' begon Hernhutter vaderlijk.
De invoering van aanhalingstekens in 1948 roept vragen op. De teksten in het NVT vertonen twee systemen om dialogen te markeren: het systeem met de dubbele aanhalingstekens of het systeem met het liggend streepje. De verandering kan niets anders dan vragen oproepen.
Nog een andere vaststelling roept vraagtekens bij deze verandering op. De andere boeken van Daisne bevatten in de regel ook het dialoogstreepje. Alleen De man die zijn haar kort liet knippen, waar het ontbreken van alinea's dat systeem met het liggend streepje onmogelijk maakt, gebruikt de hele tijd aanhalingstekens. Enkele kortverhalen hebben sporadisch dialogen binnen een alinea en met aanhalingstekens – een aanduiding die ook één keer in het typoscript van De trein der traagheid voorkomt. [23]
Daisne heeft een voorkeur voor het liggend streepje om dialogen aan te duiden, maar nergens heeft hij enige wrevel geuit over de aanhalingstekens. Hij verbetert zelfs zetfouten op dat vlak. Er is daarom gekozen om de dialoogaanduidingen met enkele aanhalingsteken te behouden.

3.3.3. Beletseltekens

Daisne gebruikt relatief vaak het beletselteken. Soms wordt het met een uitroep- of vraagteken gecombineerd. Het beletselteken komt tot en met de uitgave van 1961 op de laatste plaats van zo'n combinatie, maar in de drukproef van 1963 staat op de meeste plaatsen het beletselteken vóór het uitroep- of vraagteken. Daisne lijkt het te aanvaarden. Hij brengt zelfs nog correcties aan. Die veranderingen zijn bijgevolg behouden en waar nodig is consistent geëmendeerd in de leestekst.

3.3.4. Accenten

Het retorische gebruik van komma's, de vele beletseltekens en de net zo talrijke uitroeptekens wijzen op een schrijfstijl die op het geoor gericht is. Daisne wil de pauzes en tonaliteiten van een zin aangeven zoals hij die hoort. Ook de woordaccenten zijn vaak om die reden aangebracht.
In de uitgave van 1961 zijn de meeste accenten weggevallen. Daisne heeft op de drukproef van 1963 sommige accenten opnieuw aangebracht, maar de meerderheid niet. Hij lijkt de veranderingen te aanvaarden.
Soms brengt het wegvallen van een accent een betekenisverandering teweeg: 'één' is niet hetzelfde als 'een'. In die gevallen werd de oorspronkelijke vorm hersteld.

3.3.5. Emendaties

Aan de uitgave van 1961 hebben minstens vier personen gewerkt. Een typist heeft (in 1957) een afschrift vol fouten gemaakt, een 'persklaarmaker' heeft dit afschrift nagelezen en verbeterd op spelling, een drukker heeft de tekst gezet en Daisne heeft verbeteringen op de drukproef aangebracht. Bij het verbeteren merkt Daisne dat het typoscript 'afwijkt van tekst in mijn boek'. [24] Hij duidt de foutieve passages aan en hij schrijft en belt naar de drukkerij om zijn beklag te doen. [25]
Blijkens het volgende brieffragment heeft de uitgeverij Daisnes correctie overgenomen, maar heeft ze zelf niet actief naar andere verschillen tussen de drukproef en het boek gezocht:
Bij het controleren van de correcties hebben wij onderscheid gemaakt tussen de correcties die u hebt aangebracht omdat de tekst zou afwijken van de kopij, of beter gezegd van het boek dat u ons onlangs toezond, en tussen de correcties die u zelf hebt aangebracht maar die ook weer van de tekst in het boek afwijken. [...] Het spreekt vanzelf dat wij de correcties, ontstaan door afwijkingen met de tekst uit het boek, door de zetter zullen laten aanbrengen, zonder daarvoor iets in rekening te brengen. (onze cursivering)
[26]
Het vermoeden dat er nog fouten zijn blijven staan, wordt na onderzoek van de veranderingen in 1961 alleen maar bevestigd.
Het is onmogelijk om nog te achterhalen wat gewilde, actief geautoriseerde veranderingen zijn geweest (geïntroduceerd door de persklaarmaker of door Daisne) en welke ongewilde of passief geautoriseerde zijn (geïntroduceerd door de typist of door de drukker).
Wel kunnen fouten opgespoord worden. Een verandering wordt een fout ten eerste als ze een grammaticale onjuistheid oplevert. Zo heeft het werkwoord in de bijzin 'terwijl de bril iets naar benee was gegleden van zijn neus' twee bijwoordelijke bepalingen van richting, terwijl er eerst de bijwoordelijke bepaling van plaats 'langs zijn neus' stond.
Fouten kunnen ook slordigheden zijn, correcties die inconsequent worden doorgevoerd. De Spectrum-persklaarmaker heeft tweemaal het woord 'lantaarn' veranderd in 'lantaren' maar in hoofdstuk 32 laat hij toch 'lantaarn' staan. In hetzelfde hoofdstuk is een 't' niet voluit geschreven, wat mee in de richting van vergetelheden en onoplettendheden wijst. Ook het vroegere 'Prof.' is bij het Spectrum in de eerste helft van het verhaal voluit geschreven ('professor'), terwijl in de tweede helft enkel de hoofdletter gesneuveld is ('prof.'). [27] Naar analogie van de algemene lijn van de correcties is gekozen om het woord consequent voluit te schrijven.
Ook de inhoud van het verhaal kan een fout verraden. In de uitgave van 1961 vertelt hoofdstuk 14 over Val dat 'hij weer dreigde bang te zullen worden'. Tevoren stond: 'hij dreigde weer bang te zullen worden.' In hoofdstuk 11 en 13 is hij werkelijk bang, bijgevolg moet 'weer' bij 'bang' en niet bij 'dreigde' staan.
Daisnes zogenaamde taalfetisjisme is ten slotte een richtlijn geweest. Fetisjwoorden zijn woorden die door herhaling binnen het verhaal aan betekenis winnen. Ze dragen op een subtiele manier het verhaal, en dan vooral de herinnering aan het gebeurde. Als er iets aan één van die woorden verandert, dreigt de rode draad verloren te gaan. Eén van die woorden in het verhaal is 'schouder' dat acht maal voorkomt. In hoofdstuk 13 zoekt de ik-persoon steun bij Val als hij over een beek springt en even later verleent hij steun aan Val wanneer die 'dreigde weer bang te zullen worden'. In beide situaties legt de ik-persoon zijn arm om Vals schouder, maar in 1961 wordt dat in de eerste situatie om onduidelijke redenen 'schouders'. Om het spiegeleffect beter te behouden, is het vroegere enkelvoud hersteld.
Deze redeneerlijnen zijn doorgetrokken naar de andere veranderingen. Vooral op de drukproef van 1963 zijn er – hoewel Manteau sprak van 'een zeer getrouwe copie' [28] – relatief veel veranderingen gebeurd. De meerderheid heeft Daisne hersteld, bij de andere is op dezelfde manier onderzocht of er van fouten sprake is.
Verder zijn nog twee oudere inconsequenties gecorrigeerd. In de drukproef van 1950 werd eenmaal het woord 'Nee' vervangen door 'Neen', terwijl het vijf keer als 'nee' is blijven staan. 'Nee' is hersteld. En in de publicatie van 1948 – nadat Daisne de drukproeven onder ogen had gehad – krijgt in hoofdstuk 33 'u' eenmaal een werkwoord in de derde persoon, maar in alle andere gevallen heeft 'u' een werkwoord in de tweede persoon. Ook dit is rechtgezet.

3.3.6. Alinea indeling

Omdat de eerste regel van de alinea's in de uitgave van 1963 niet inspringen, heeft dat in de latere uitgaven – vanaf de filmeditie van 1968 – tot fouten in de alinea-indeling geleid. Ook in 1963 zijn er al fouten in de alinea-indeling gemaakt: de uitgave van 1961 heeft eveneens geen insprongen en in de drukproef van 1963 zijn al verkeerde interpretaties gemaakt.
Daisne duidt op de drukproef verschillende keren fouten of mogelijke fouten tegen de alinea-indeling aan, maar hij heeft ze niet allemaal kunnen voorkomen. Omdat Daisne ze toch lijkt te willen verbeteren, is ervoor gekozen om in de presentatie van de leestekst in deze editie de alinea-indeling van de uitgave van 1950 over te nemen.

3.3.7. Lay-out

Eén correctie is duidelijk om redenen van lay-out gebeurd. Op p. 74 van de drukproef uit 1963 schrijft de drukker bij een alinea: 'min 1 regel'. Net iets hoger op het blad heeft Daisne gevraagd om een alinea uit te witten, waardoor er daar één regel bijgekomen is. Die regel is iets verder gerecupereerd door het werkwoord 'wenst [...] te' te vervangen door het kortere 'wilt'. Het is best mogelijk dat Daisne deze verandering goedgekeurd heeft, maar omdat die goedkeuring aan de specifieke lay-out van de uitgave van 1963 verbonden is en die in deze editie niet gevolgd wordt, is hier voor de oorspronkelijke vorm gekozen.

3.3.8. Typografische aanpassingen

Andere kleine typografische aanpassingen zijn:
  • het consequent plaatsen van een spatie na het beletselteken als het in zinsverband gebruikt wordt
  • de verwijdering van twee foutjes in de cursivering. In hoofdstuk 16 van de uitgave van 1963 wordt bij de titel van een boek van Kataiëv tweemaal het erop volgende vraagteken mee gecursiveerd. Dit is verbeterd.

4. Correcties

Op grond van het hierboven beschreven kritische onderzoek werd voor de constitutie van de leestekst in deze digitale editie een reeks emendaties doorgevoerd op de leestekst. De gebruiker van deze digitale editie kan de lijst van emendaties ten opzichte van de basistekt eenvoudigweg genereren door de leestekst te vergelijken met de versie D63, de eerste afzonderlijk verschenen druk uit 1963. In het hiervavolgend lijstje wordt het nummer van het hoofstuk gevolgd door het paragraafnummer. Daarna komt de door de editeur gecorrigeerde lezing. Na de Duitse komma (/) volgt de foutieve lezing van de basistekst, met tussen haken het moment van de fout. Na de kommapunt volgen andere varianten.
De gecorrigeerde lezing gaat in de meeste gevallen terug naar de chronologisch oudste variant, die daarom niet meer wordt gearticuleerd. Is dit niet het geval, dan volgt tussen haken de volledige variantenlijst. Een ster bij de gecorrigeerde lezing geeft aan dat deze variant in geen enkele vroegere lezing voorkomt.
Bijvoorbeeld:
professor* / prof. (D61; Prof. P48)
Dit moet als volgt worden gelezen: In de leestekt staat 'professor', terwijl de basistekst hier de lezing 'prof.' geeft. Die lezing kwam voor het eerst voor in de uitgave van 1961. De oudere variant die vanaf de drukproef van 1948 voorkwam, leest 'Prof.'. In dit geval werd geen enkele van de historische varianten overgenomen in de leestekst, maar werd geopteerd voor de nieuwe vorm 'professor'.
Lijst met emendaties
 1, 2 rossig, / rossig (D61)
 1, 2 uitstaand / uitstaande (Pm63)
 1, 4 zomaar / zo maar (P63)
 1, 4 langs / van (D61)
 1, 6 waarop / toen (Pm63; dat D61)
 2, 6 op weer / weer op (D61)
 3, 11 deugdzaamheid / deugzaamheid (P63)
 4, 2 een misschien / misschien een (D61)
 4, 5 Félix / Felix (P63)
 7, 2 vouwbalg / vouwblag (P63)
 8, 5 mij; / mij: (P50)
10, 5 vijftiende* / 15e (D61; XVe P48)
10, 6 overtredingen / overtreding (P63)
10, 7 stoffelijk / stoffelijke (Pm63)
11, 2 Nee / Neen (P50)
11, 7 voren, / voren; (P63)
11, 9 één / een (D61)
11, 10 Met een ruk keerden we ons hoofd in die richting. Door / Door (P63)
11, 13 ... eindelijk! / ...eindelijk! (P63; ..." eindelijk! P48; ... eindelijk! Pm48)
11, 14 vragen: / vragen. (P63)
13, 1 waarin / waar (D61)
13, 8 professor / de professor (P63)
13, 10 één / een (D61)
13, 11 in. 'De* / in; 'de (Pm63; in. “De P48; in. «De P50; in, 'de D61)
13, 16 schouder / schouders (D61)
14, 8 dreigde weer / weer dreigde (D61)
15, 2 ...!* / !... (P48)
15, 2 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
15, 2 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
15, 3 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
16, 2 Z... / Z. (D61)
16, 7 Kim?* / Kim? (D61; Kim"... P48; Kim...» P50; Kim... Pm50)
16, 9 Z... / Z. (D61)
16, 10 niet. / niet, (D61)
16, 10 Witte Zeil? / Witte Zeil? (P63; “Witte Zeil”? P48; « Witte Zeil » ? P50; ' Witte Zeil ' ? Pm50; Witte Zeil? D60
17, 2 ...?* / ?... (P48)
19, 3 heeft / heeft, (D61)
20, 5 als... dan / als...dan (P63; àls...dàn P48; als... dan D61)
20, 10 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
21, 2 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
21, 7 wenst u eerst het dorp te / wilt u eerst het dorp (D63)
22, 9 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
24, 7 wezen -* / wezen, - (P63, wezen -, P48)
24, 7 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
24, 8 sigaretten / sigaren (P63)
24, 8 papier, / papier (P63)
24, 8 één* / een (D61; éen P48)
25, 6 wezenlijk / wezenlijke (P63)
26, 11 handpalm / handplam (P63)
27, 4 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
27, 6 hakken om / hakken (P63)
27, 9 Die / De (D63)
27, 9 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
29, 1 betrekking / de betrekking (P63)
29, 8 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
31, 5 zich mee / zich (D61)
31, 6 niet hier / hier niet (P63)
31, 8 met een / met (P63)
31, 9 professor* / prof. (D61; Prof. P48)
31, 11 weer een keer / een keer (P63; een keer weer P48; weer een keer: D61)
32, 2 ten minste / tenminste (D61)
32, 2 Het lijkt* / 't Lijkt
32, 2 wel nog / nog wel (D61)
32, 2 voorzichtig! / voorzichtig. (P63)
32, 3 een oudere / als een oudere (P63; een oudste P48; een oudere D61)
32, 4 slimste / slechtste (D61)
32, 9 lantaren* / lantaarn
33, 3 bent / is (T48)
33, 7 op / in (D61)
33, 18 één / een (D61)
In een aparte lijst volgen nu de alineaveranderingen. In de eerste kolom staat de aanduiding van het hoofdstuk en van de alinea. De tweede kolom geeft wat er in 1963 gebeurd is in vergelijking met de uitgave van 1950. Of de alinea vormt met de volgende alinea één alinea (het +-teken), of er wordt aangegeven waar deze alinea in twee gesplitst werd met behulp van de Duitse komma (/). In de leestekst zijn al deze fouten hersteld.
Lijst met alineaveranderingen
 1, 6 herinneren. / De kranige
 2, 4 + 2, 5
 3, 5 + 3, 6
 4, 4 + 4, 5
 5, 2 + 5, 3
 6, 2 + 6, 3
 7, 4 + 7, 5
 9, 5 + 9, 6
 9, 7 + 9, 8
10, 1 + 10, 2
10, 7 aangekondigd. / Rouw
10, 7 + 10, 8
11, 3 + 11, 4
11, 7 + 11, 8
11, 11 + 11, 12
11, 16 + 11, 17 + 11, 18
11, 19 + 11, 20
12, 7 + 12, 8
14, 8 + 14, 9 + 14, 10
15, 2 opgehangen... / Ik moet
17, 5 te storen. / In mijn verbeelding
17, 5 + 17, 6
18, 2 voelen. / Zijn ontboezeming
19, 5 + 19, 6
21, 1 + 21, 2
21, 6 geschenen. / Het pinkelen
22, 1 + 22, 2
22, 4 tapkast heen. / De stijl
23, 2 + 23, 3 + 23, 4
25, 2 + 25, 3
25, 4 + 25, 5
26, 3 + 26, 4
26, 5 + 26, 6
27, 3 + 27, 4
27, 4 kon lezen. / Toetredend
28, 1 zonder verwijl. / De helft
28, 4 + 28, 5
28, 6 + 28, 7
29, 2 + 29, 3
29, 6 + 29, 7
29, 8 nooit gehoord. / Professor
30, 6 + 30, 7
30, 7 was geweest. / Opeens hoorden
32, 7 andere...?'/ Maar de woorden
32, 8 + 32, 9
33, 1 + 33, 2

5. Transcriptie van de bronnen

De overige bronnen die in deze digitale editie zijn opgenomen werden diplomatisch getranscribeerd van de legger zonder wijzigingen in spelling, interpunctie, gebruik van de aanhalingstekens en zonder emendaties in de tekst. Insprongen die het begin van nieuwe paragrafen aanduiden in de verschillende getranscribeerde bronnen werden weggelaten.

Notes

[1] Brief, 30/01/1938, Johan Daisne aan Ger Schmook. Geciteerd in: Johan Vanhecke, Johan Daisne. Een handschrifteninventaris met bibliografie van zijn verhalend proza en toneelwerk. p. V.
[2] Zie ook Tekstgeschiedenis - 4. De tijdschriftpublicatie in het Nieuw Vlaams Tijdschrift (NVT) waarin een brief van Daisne aan de redactiesecretaris van het NVT geciteerd wordt.
[3] Fax, 09/02/2004, Angèle Manteau aan Xavier Roelens.
[4] Fax, 09/02/2004, Angèle Manteau aan Xavier Roelens.
[5] Fax, 09/02/2004, Angèle Manteau aan Xavier Roelens.
[6] Johan Vanhecke, Johan Daisne. Een handschrifteninventaris met bibliografie van zijn verhalend proza en toneelwerk.
[7] De sigla wijzen op het jaartal en zijn verder opgedeeld in: P (de tekst van de drukproef), Pm (de verbeteringen van Johan Daisne op die drukproef) en D (de gepubliceerde tekst in boekvorm), T (de gepubliceerde tekst in een tijdschrift).
[8] Van de uitgave van 1961 zijn geen drukproeven bewaard.
[9] Dit is een identieke herdruk (met weliswaar een andere cover) van D63.
[10] Dit is een identieke herdruk van D68.
[11] In 1972 verschenen twee oplages van dezelfde druk.
[12] Dit is een identieke herdruk van D72.
[13] Dit is een identieke herdruk van D72.
[14] Dit is een identieke herdruk van D76.
[15] Brief, 19/01/1960, uitgeverij Manteau aan Johan Daisne, Letterenhuis, Daisne-archief.
[16] Brief, 01/10/1960, uitgeverij Het Spectrum aan Johan Daisne, Letterenhuis, D125/B2 (HEYDEN, H.A.M. VAN DER), 177316/636a.
[17] Brief, 01/10/1960, uitgeverij Het Spectrum aan Johan Daisne, Letterenhuis, D125/B2 (HEYDEN, H.A.M. VAN DER), 177316/636a.
[18] Brief, 27/06/1962, uitgeverij Manteau aan Johan Daisne, Letterenhuis, D125/B2 (Baratzeartea), 153463/28.
[19] Brief, 15/08/1963, Johan Daisne aan uitgeverij Manteau, Letterenhuis, Manteau-archief.
[20] Brief, 15/08/1963, Johan Daisne aan uitgeverij Manteau, Letterenhuis, Manteau-archief.
[21] In de tekstkritische editie van het verzamelde werk van Willem Elsschot, die een gelijksoortig interpunctiesysteem hanteerde, spreekt men van een interpunctie die de 'ritmische structuur' van het verhaal aangeeft. Zie: Willem Elsschot, De verlossing, p. 166.
[22] Op het feit dat Daisne in het typoscript geen spaties na leestekens plaatste, wordt niet dieper ingegaan.
[23] Meer bepaald in hoofdstuk 32. Eigenlijk is het iets dat de ik-persoon had willen zeggen, maar dat is niet het onderscheid. Op andere plaatsen zijn gedachte woorden met een dialoogstreepje aangeduid.
[24] Met de hand bijgeschreven op: brief, 01/10/1960, uitgeverij Het Spectrum aan Johan Daisne, Letterenhuis, D125/B2 (HEYDEN, H.A.M. VAN DER), 177316/636a.
[25] Deze handelingen van Daisne leiden we af uit: brief, 01/10/1960, uitgeverij Het Spectrum aan Johan Daisne, Letterenhuis, D125/B2 (HEYDEN, H.A.M. VAN DER), 177316/636a.
[26] Brief, 12/10/1960, uitgeverij Het Spectrum aan Johan Daisne, Letterenhuis, D125/B2 (HEYDEN, H.A.M. VAN DER) 177316/637.
[27] Waarschijnlijk heeft de typist de hoofdletter weggehaald en heeft de persklaarmaker later eerst wel het woord voluit geschreven en is hij daar op een bepaald moment mee gestopt.
[28] Brief, 27/06/1962, uitgeverij Manteau aan Johan Daisne, Letterenhuis, D125/B2 (Baratzeartea), 153463/28.