1 
Toen ik de ogen weer opende, bemerkte ik dat de gehele coupé sliep. Het meisje over me, met haar niet onaardige gezicht maar rouwige nagels, zat nog met haar haakwerkje in de hand. Het rustte nu roerloos – in zover iets ooit zonder beweging kan zijn in een rijdende trein – op de smoezelige zakdoek in haar schoot. Aan de knapjes aangerode pruillippen van het kind bemerkte ik een nog niet weggelikte chocoladevlek. Wat had ze wellustig langzaam op de partjes zitten zuigen, die ze geniepig, één voor één van de reep in haar tas had afgebroken en in haar mond gestopt! 
 2 
De jongeman in zijn schelle lentepak naast haar – blijkbaar ook een forens – zat nu tegen haar verzakt. Zijn hoofd knikkebolde en raakte soms haar schouder en haar rossig uitstaande haar. Maar nu trok ze zich niet meer terug, op haar onvriendelijke, eenzelvige manier, zoals ze dat gedaan had toen hij een eerste maal was ingedut. Aldus was gebeurd, herinnerde ik me, heel even voor het ogenblik toen de conducteur was gekomen om onze kaartjes te vragen. 
 3 
Ik zat nog steeds in mijn hoek gekneld, met mijn rug naar de locomotief, op de eerste bank aan die kant van de wagen. Vanwege de deur zijn de banken aldaar, aan weerszijden ervan, minder breed. In het station had ik er een hele tijd alleen op gezeten, terwijl de coupé langzaam volkwam. De reizigers verkozen blijkbaar die enge plek niet met mijn vrij zware figuur te moeten delen. Toen, op het laatste ogenblik, was een ander welgedaan heer opgestapt, die elders geen vrije zit meer had kunnen krijgen. Zo bekleedden we ten slotte met zijn twee lijvigaards dat magere hout. 
 4 
De heer droeg een bril waarvan de omlijsting vast een hele schildpad had gekost, en was in een Franse krant aan het lezen geweest. Op een bepaald moment had hij een sigaar opgestoken. Het mondeind had hij er zo maar afgebeten, waarschijnlijk om, vanwege ons lastige zitten, niet in zijn vestzak naar zijn schaartje te moeten zoeken. De krant hield hij nog altijd in zijn gemoedelijke bedrijfsleidershanden. Zijn hoofd helde nu wat meer vooruit, terwijl de bril iets naar benee was gegleden van zijn neus. De sigaar stak tussen de vingers van zijn hand aan mijn kant, en zijn gevleesde maar niet paffige lippen hield hij met wilskracht gesloten. 
 5 
De sigaar was half op, en uit. Ik vond het jammer, want ik voelde plotseling een hevige behoefte om te roken. Mijn sigaretten kon ik makkelijk bereiken, want die had ik toevallig in de binnenzak van mijn regenjas gestopt; maar bij de lucifers die in mijn pantalon staken, kon ik onmogelijk, vanwege mijn geklemde houding. Indien de sigaar had gebrand, had ik me zonder veel moeite even vooruit kunnen buigen om er vuur aan te ontlenen. 
 6 
De andere reizigers, die ik slechts ten dele, schuinweg kon zien, ten gevolge van de hoge houten ruggesteunen tussen de banken, bleken eveneens allemaal in slaap gedompeld. Dat bood wel een vermakelijke, maar toch enigszins verrassende aanblik. Het verrassende werd echter getemperd door een gevoel van vertrouwdheid, daaruit voortkomend, dat ik de meeste gezichten herkende van voor het ogenblik toen ik de ogen had gesloten. Ook was hun uitdrukking nog hoofdzakelijk dezelfde, voor zover ik me dat kon herinneren. 
 7 
De kranige onderofficier van middelbare leeftijd sliep beginselvast, en de juffrouw met hangwangen had geen steviger gelaatslijn gewonnen. Dat niet meer gezichten hun trekken hadden ontspannen, viel waarschijnlijk te verklaren door het feit dat slapen in de trein, terwijl men overeind blijft zitten, maar een heel onvolkomen toestand van rust betekent. 
 8 
Een ander tegenwicht voor de mogelijke aanblik van wonderlijkheid werd gevormd door de belichting. Er brandde nog geen enkele lamp in ons rijtuig. Dat schonk aan het geheel een vrij doezelig karakter, wat het oog belette er verder in door te dringen, en voor het verstand beter in overeenstemming leek met al dat geslaap. Buiten immers was de schemering al gevallen. 
 9 
De afwezigheid van licht verbaasde me overigens niet bijzonder. Wel was de laatste oorlog alweer sinds een paar jaar voorbij, maar wij zijn er toen blijkbaar zo gewoon aan geraakt in het donker te treinen, dat ik sedert nog herhaalde keren in een duistere coupé heb gereisd, zonder iemand de stem te horen verheffen tegen datgene wat thans nog alleen het gevolg van een klein defect of verzuim kan zijn. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave