< >

1914-10-07 (1 bericht)

> | Woensdag 7 October, '14 [27]
[27]Van dit deel is het manuscript nog niet opgedoken. De dagboekfragmenten van 7 tot en met 15 oktober 1914 worden daarom ook in deze editie overgenomen van de publicatie in Dietsche Warande en Belfort, 21 (1921), 1, p. 594-605.
Bezoek in de kostschool van Doorele; zij is tot lazaret ingericht, een kolossaal gebouw, op de Albertlaan waar thans geen pensionnairen zijn. Het vendel van 't Rood Kruis waait boven den deuringang. Gelijktijdig met mij en mijn gezellen belt een jong soldaat aan, met het hoofd in een wit verband omsloten. Een zeer magere non, bijna met een doodshoofd, donkere brilglazen en een pijpmuts, heel rond tot onder de kin, opent. Ze glimlacht allervriendelijkst met bruine tanden en leidt ons binnen. De medegekomen soldaat verdwijnt in eene gang. Ik wil mijn kleinneef opzoeken, die hier verblijft en gaf haar den naam op. In het portaal zitten drie vrouwen, arme menschen. De eene houdt een zuigflesch aan het mondje van een kindje in den bussel, dat voorzeker geen drie weken telt; de non wijst mij die aan: "Wij herbergen honderd en vijf vluchtelingen en acht en twintig gekwetsten," deelt ze mede. In een zeer ruime zaal zitten er van deze, twaalf of dertien, in nogal gehavende soldatenkleeren, de een met een arm in een slinger, de ander met een doek, dat de rechterwang heel bedekt; Er springt er een op een kruk. De andere kwetsuren zijn van geen gevaarlijken aard, zoo 't schijnt. Mijn neef, een Waal, is een groote, kloeke kerel, met fijne gelaatstrekken, een beeld van bloei en levensmoed. Hij is niet verwond, maar kan ter nauwernood een stap doen: de planken zijner voeten zijn niets meer dan rauw vleesch en verzworen eelten. Onder die arme jongens zien er sommigen zoo bloedloos zwak en klein uit, dat hun lichaampje als verdwijnt onder de uniform. Ze lijken meer op kinderen, die soldaatje spelen dan verdedigers van 't vaderland. En toch zijn het stoutmoedigen: mijn neef vertelt, dat hij en de kameraad, welke naast hem zit met een shrapnelwonde aan 't genezen, [28]
[28]'Schrapnel', ook 'shrapnel': granaatkartets.
— die deze hoofdbuigend onder zijn haar aanwijst — sedert twee maanden op geen bed meer geslapen hebben. In de loopgraven stonden ze uren lang tot aan de knieën in 't slijk. Het is hun gebeurd op dooden te schieten, die de Duitschers den eenen tegen de anderen geleund, met de hoofden boven de borstwering hadden gesteld en waarachter ze zich veilig hielden. Deze ontvingen ongedeerd de salvos... Zij — de Belgen — vuurden op den vijand met de geweren boven de verschansingen; wie de onvoorzichtigheid beging er eens te willen overkijken, was dadelijk neergeveld. "Een soldaat weet nooit waar hij wordt heengezonden; maar als hij voorraad krijgt voor twee of meer dagen, vermoedt hij met reden, dat hij ten strijde gaat," zegt er een.
"En welk is uw indruk, als ge moet optrekken?"
"Volstrekt geen nieuwe. We weten van het begin af, dat we naar den dood gaan. De mitrailleuzen met hun tikketikketik maaien de gezellen naast ons neder. We kijken zelfs niet meer; met de kracht der wanhoop verdedigen wij ons eigen leven. De Duitschers begraven hun dooden en... soms hun zieltogenden onmiddellijk, opdat de tegenstrevers niet weten zouden tot hoe hoog hun verliezen beloopen. De burgerlijke brankardiers — velen tenminste — zijn bloohartig, ze durven de lijken niet weghalen, de soldaten moeten dat doen onder het nog aanhoudend vuur. De Duitschers zijn meerendeel laf. Bij een onmiddellijk gevaar steken ze de armen omhoog. Als de Belgen naderen om ze te pakken, krijgen ze wel eens een schot van een kerel, die zich achter den schijnbaar overgevende verschuilt. Ook geen kwartier meer voor dezen, ofschoon ze altijd smeeken: "Eine Frau und vier Kinder", toch worden ze onmeedoogend neergeveld. "Als ge in klein getal op patrouille uitgaat, trekt ge bij voorbeeld over een akkerstuk: ge ziet gevulde zakken met aardappelen staan. Argeloos treedt ge er voorbij. De zakken komen in beweging en — opgepast! soldaten zitten er in." De verteller was in Mechelen tijdens het bombardement. Onze Koning doortrok er de in puin geschoten straten, terwijl de bommen door de lucht zoefden, zoo roekeloos moedig, dat men hem met geweld in een auto duwen moest.
De Koningin heeft hare kinderen naar Engeland vergezeld, maar is sinds lang teruggekeerd, om het gevaar, dat haar volk bedreigt, te deelen; het is meer dan deelen, want de eerste kogels van de belegeraars zouden, zoo mogelijk, voor haar wezen. Zij bezoekt de ambulancen, troost en bemoedigt, waar ze kan.
Een andere soldaat neemt het woord: "De twee voorgaande koningen werden geacht, de eene heel zijn leven, de tweede langen tijd; maar de liefde van de Belgen bezaten ze nooit. Nu is de band van bloedverwantschap tusschen de vorsten en het volk onverbreekbaar gesmeed."
Een derde beweert: "Onze soldaten vechten dapper, maar ettelijke officieren doen het niet, ze roepen wel "Allons mes enfants, du courage!" doch ze trekken zich terug, zoodra de kamp hevig wordt. Het gaat zoo ver, dat er onder de troepen stouten zijn, die, zonder vrees voor tuchtstraf, hun aanvoerder bedreigen durven met de woorden: "Indien ge wegloopt, schieten we u omver". Achter sommige compagnies rijdt er een gendarm, die bevel heeft de plichtvergetenen op den rug te fusilleeren in de vlucht."
Het is half zes, als wij afscheid nemen. Mijn neef hinkt mede op zijn sloffen tot aan den dorpel. Belofte van spoedigen terugkeer.
Wat een klare, kalme herfstavond! Het bijgeloof wil, dat bloedige teekens bij oorlogstijd in de lucht verschijnen. Is het een spel des toevals? De hemel was zoo dikwijls rood tijdens de veldslagen van 1870-71 [29]
[29]De oorlog tussen Frankrijk en Duitsland duurde van 1870 tot 1871. Op 19 juli 1870 had Frankrijk de oorlog verklaard aan Pruisen. Op 28 januari 1871 volgde de wapenstilstand. Frankrijk verloor de Elzas en een groot deel van Lotharingen.
en nu zijn dezelfde verschijnselen waar te nemen... of geeft men er in normale tijden geen acht op. Gevieren schrijden wij voort door het gewoel tot op de eenzame Leopoldlaan. Wij spreken van den oorlog, wat elk doet en wat wij altijd doen. En hier, in de stilte der omgeving, midden in een volzin, blijft de een of ander eensklaps staan, den wijsvinger — aandacht inroepend — omhoogstekend: "Hoort gij dat?"
"Ja, ja, het galmen van 't verre kanongebulder," en het gesprek vlot weder en de wandeling wordt voortgezet.
< >
Lettergrootte: [-a] [standaard] [A+] Stijl: [L<-R][L- >R]

Kalender

1914
<< oktober >>
Zo Ma Di Wo Do Vr Za
        1 2 3
4 5 6 7 8 9 10
11 12 13 14 15 16 17
18 19 20 21 22 23 24
25 26 27 28 29 30 31
             
logo CTB