< >

1914-10-15 (3 berichten)

> | Donderdag 15 October.
In groote benden trekken soldaten de stad in: een wemeling van grijze, meest breede ruggen, roode petbanden, zwaarstappende voeten, ingezakte gestalten, voorovergebogen, sommigen zichtbaar gekwetst, met moeite voortgerakend.
Enkele dagbladen worden toch nog als verschenen uitgeroepen. Ge kunt niet uitgaan, om 't even in welk deel van de stad, zonder soldaten te zien. Vooral de winkels met zichtkaarten doen goede zaken. Bij vele burgers zijn er krijgers ingekwartierd, zelfs daar, waar huisgenooten in het Belgisch leger dienen: aldus in mijn buurt, bij eene rijke weduwe, wier eenige zoon als vrijwilliger is opgetrokken, en van wien ik met hartzeer in een dagblad las, dat de familie vraagt, of niemand kan berichten, waar hij zich bevindt. Die bedrukte vrouw logeert er vijf en twee paarden. Een dikke overste rijdt dagelijks uit in hare victoria: hare auto is sinds lang in beslag genomen. Klachten hoort men zelden van hen, die Duitschers herbergen. Ze zijn ook beleefd in de trams en staan hun zitplaats aan de dames gewoonlijk af. Betalen moeten de militairen niet. Zondag zag ik er een groep van acht aan een standplaats, allen officieren van minstens veertig jaar; allen met het wit en zwart gestreept lint van het IJzeren Kruis schuin op de borst. Gezonde kerels... en zeggen, dat wij — ondanks ons menschelijks gevoel, dat er tegen opstaat — uit plicht hun verderf moeten verlangen!...
> | Nog 15 October '14.
Een mijner neven, advocaat A.B., [31]
[31]Arthur Buysse, broer van Cyriel en Alice.
heeft zijn buiten op Landegem, in een wijk vol pachthoeven. Met vertrouwen bleef zijn familie er tot op Maandag 12 October. Doch nu werden de dagen te kort, het weder was kil en men zou naar de stad trekken. Het was vroeg in den morgen. Mijn neef was eerst weg. Zijn vrouw en de eenige dochter met twee kinderen, een van anderhalf jaar en een van zes maanden, zouden dien dag volgen; nog eenige schikkingen waren te nemen. De verhuizingwagen stond klaar.
In eens weergalmt een ontzaglijk geplof: de ruiten van het huis springen; vele stukken eener collectie kopertuigen rinkelen van de muren af, en op het hof storten kuipen met hortensias van hun schragen plomp neder: "Bombardement! gauw, gauw, allen in den kelder, vrouwen, meiden, kinderen!" Een vliegmachien zweeft over den bijvang. [32]
[32]'Bijvang': de gehuchten die grenzen aan de stad.
En nu gaat het er op los: ketterslag op ketterslag; rikketikkeknetteren van machiengeweren; schroot, dat de dakpannen aan scherven slaat; mortel brokkelt af en op eens stort een zijgevel met groot gedruisch van steenen neer.
In dien kelder is het niet meer uit te houden van stiklucht. De kinderen hijgen, snakkend naar adem; de vrouwen ook krijgen het te benauwd: "Komt, komt, liever buiten sterven dan hier!" en heel de erbarmlijke schaar vlucht onder den kogelregen in een open loods, die tot bergplaats diende van de auto, voordat deze hun ontnomen werd.
Daarnevens is het hondenhok.
De hond, zijn meesters hoorend, kruipt er uit met den staart ingetrokken. Hij kijkt hen aan met zijn trouwe oogen vol schrik, als smeekt hij om bescherming... en plof! daar slaat een projectiel hem een der dijen af. Hij valt, Hij jankt zelfs niet... Is hij dood?...
"Verder, verder, laat ons verder uit het vuur en het kartetsgeknetter." En allen loopen naar de eerste hoeve, kloppen op de deur met groot lawaai en weegeroep... Maar de deur gaat niet open; geen leven roert daarachter. "Elders, elders!"
Langs de hagen zijn ze voortgeslopen, over het gedroogd slijk der slooten strompelden ze gebogen, zich vasthoudend aan den barm en het gras; soms bleef er eene dralen, schuil zoekend achter een dikken stam, vol angst de overigen schier kruipend inhalend. Nergens opent men. Durven de bewoners niet of zijn ze weg? En de vrouwen met de gedragen kinders staan weder aan een gesloten schuur. Geen koe, die loeit, geen paard, dat hennikt, geen hond, die blaft, geen wicht dat schreit; vee, losgesprongen of losgelaten, overdraaft de velden in wilde vlucht. En steeds kogeldonder in het zwerk. En eensklaps een snel voorbijtrekkende donkere wolk boven de schuur, geruisch van vleugelslag; benden vluchtende vogels, solidair vereenigd in gezamenlijken doodsnood...
Dan weder algehele levensstilte, slechts verbroken door het granatenbarsten om hen heen...
"Ginder, ginder," roept eene der meiden, "zie, menschen aan die hut!"
Ze kan het met moeite uitbrengen.
Menschen, menschen! Redding misschien! En allen vlieden er heen over het rapenland en de voren, struikelend, vallend, weder oprijzend. Een arme man, een arme vrouw. Ze staan en kijken naar het gebeurende, onbevreesd, onbewust van het schrikkelijke rondom hen.
"Kijkt om," zegt de man eenvoudig, met den arm achteruitwijzend, "ginder staat een dak in brand."
"Binnen, binnen onvoorzichtige," en de vluchtelingen duwen de twee voor hen in het huis.
In die hut hebben ze geslapen met zes in een donker hokje. Twee dagen zijn ze er gebleven. De brug over de vaart gesprongen, geen treinverkeer; geen paarden te krijgen voor wagenvervoer; of waar er nog paarden op stal stonden, dorst geen boer ze buitenbrengen uit vrees voor inbeslagneming. Die arme menschen waren goed: broederlijk deelden ze hun roggebrood en het spek, dat ze hadden. De kinderen kregen geitemelk.
"Kom, madame," zei de vrouw den tweeden dag, hier in de meerschen liggen twee dooden.
"Ja," zei de man, die soldaat was geweest:
"Het zijn guiden [33]
[33]'Guiden': ruiters.
van den koning."
"Neen, vrouw, ik moet dat niet zien, ik heb te veel bijgewoond."
"Alle menschen gaan kijken," hernam ze, "de een is zijn hoofd half af, de ander heeft maar een klein gaatje in den kop. Ge zoudt meenen dat hij slaapt."
"Waarom begraaft men ze niet?"
Zij haalde de schouders op.
> | Nog te Landegem.
Nadat de Duitschers zich meester hadden gemaakt van het dorp, werd hun toevallig bericht, dat er aldaar een kind geboren was. Dit gaf aanleiding tot feestviering in een herberg: er werd gedronken en "geprosit". Aan de ouders zonden ze een geschenk, omdat de eerste Duitscher er te Landegem ter wereld was gekomen.
Dienzelfden morgen werkte er op een nabijgelegen dorp een vijftienjarig meisje argeloos in den tuin der pastorie. Met een lang, stekelig ijzer schrapte zij het onkruid der wegelingen af. Ze wist niet, dat mijnheer de pastoor heel slecht lag. Om den oorlog die verder woedde bekommerde zij zich niet. Die woning staat wat achteruit van de straat. Er is een rozenperk voor de deur en een ijzeren hek verleent toegang tusschen twee weelderig met klimop-begroeide zuilen. Dat hek staat overdag altijd open. Het meisje hoorde bellen aan het huis. Ze lette er eerst niet op bezig zijnde achteraan. De schel ging nogmaals over, ditmaal met geweld.
"Zou Wika — de meid — het niet hooren?"
Neen. Hulpvaardig schoot ze toe en op hetzelfde oogenblik werd de voordeur met luide kolfslagen ingebeukt en stortte zij uit hare hengsels.
Ze vluchtte achter het huis.
Ze hoorde voetstappen in de gang en de nieuwsgierigheid nam de bovenhand over den schrik. De pastoor had zijn slaapkamer beneden langs den tuinkant. Schuw, aarzelend, ging ze kijken door een spleet van de gordijn. Ze zag mannen binnenkomen, allen in 't grijs, met een rooden band over de pet. Hun voeten traden zwaar; de kolven van hun geweren werden bonkend tegen den muur aangeleund.
Een hunner trad voor de sponde en zei iets, wat ze niet kon hooren. En toen richtte de zieke pastoor zich op in het bed, in zijn witte hemdsmouwen, de borst half ontbloot voor meer adem. Een groote verschrikking sprak uit zijn opengespalkteoorsp.: opengepalkte oogen. Hij deed een beweging met zijn ontvleesde hand, wilde spreken, maar heel zijn aangezicht ontkleurde vervaarlijk en hij viel achterover op het kussen.
De Duitschers stonden verplet dat schouwspel aan te staren. Een hunner, degene die gesproken had, hief den elleboog horizontaal omhoog en bracht de vingers aan de slape. De overigen deden 't hem na en allen knielden voor het ledikant...
Toen liep het meisje weg, in eens door angst overweldigd en wierp zich als verlamd achter een grooten palmstruik neder. De onderpastoor en de oude meid waren gevlucht, na 't eerste gebulder.
Het beschieten had lang opgehouden. Het was echter reeds avond, toen het kind haar schuilhoekje verliet en naar huis sloop. De ouders, ook gevlucht in den morgen, waren teruggekeerd.
"Waar was ze geweest? Waar had ze verdoken gezeten?" schier met verwijt gevraagd.
En ze vertelde van de soldaten.
"En mijnheer de pastoor?"
"Mijnheer de pastoor is dood," zei ze. "Misschien zijn er nog Duitschers in huis, misschien hebben ze daar hun nachtkwartier ingericht." Voorzeker zouden de onderpastoor en de meid nu ook weergekeerd zijn. Niemand die dorst gaan kijken. Maar het was vreemd, dat er geen licht brandde in de pastorij.
Des anderdaags al vroeg werd de pastoor dood gevonden in zijn bed. De gehaalde dokter stelde het overlijden vast... maar hij moest nog tot omtrent den dageraad hebben geleefd!
In alle stilte met een "zinking" — korte priestergebeden bij de kist van achteren in de kerk — werd hij aan 't beenderhuis in de aarde gelegd.
Het bericht hangt in de lucht, waar komt het vandaan? dat de Duitschers tusschen Châlons en Langres een beslissende nederlaag hebben geleden.
Groote troepen trekken zuidwaarts de stad uit.
De hemel is grauw, de wolken hangen laag; het regent druilerig, kil. Ze zingen luid, heel luid maar het klinkt treurig zonder geestdrift, veel meer een klagelied dan een uiting van hoop en vreugd.
< >
Lettergrootte: [-a] [standaard] [A+] Stijl: [L<-R][L- >R]

Kalender

1914
<< oktober >>
Zo Ma Di Wo Do Vr Za
        1 2 3
4 5 6 7 8 9 10
11 12 13 14 15 16 17
18 19 20 21 22 23 24
25 26 27 28 29 30 31
             
logo CTB