< >

1914-11-05 (2 berichten)

> | 5 november donderdag '14.
De Duitschers nemen bezit van het Feestpaleis. Eene mijner vriendinnen die na een beroerte sedert acht jaren lam te bed ligt, heeft ook een krijgslogé gehad. Hij vertrok heden. En zij vertelt gaarne er van: het is iets belangrijks in haar eentonig leven geweest en zij is zulk een optimiste, dat ze alles in rozenkleur ziet. Ze bewoont een groot huis met twee meiden en een geestelijke verpleegster. Een hooge personaadje [37]
[37]Loveling wist duidelijk geen raad met de spelling van dit woord. Elders schrijft ze het als 'personadge'. De beide varianten zijn in deze editie bewaard.
met adellijken titel, en wiens naam met von begint logeerde er. De deur moest 's nachts open blijven, twee schildwachten stonden er naast en nog een drietal rondom de auto, die er ook bleef. Daarin lagen kleederen en reisbenoodigheden en zat er een klein, snoesig hondje in een sierlijk kotje.
Die generaal was heel beleefd, heel dankbaar, scheen verrukt over het gastvrij onthaal en mevrouw lag verrukt, omdat het ontbijt, dat hij er verorberde, en dat zoo lekker was, hem overheerlijk smaakte, te oordeelen naar zijn ruim verbruik.
Geregeld ging hij de lamme goeden morgen wenschen, boog tot op den grond bij het binnentreden, deed eenige klinkende stappen tot in het middender kamer, sloeg nog eens aan en groette een derde maal bij de sponde, waar hij hare hand kuste. Herhaaldelijk sprak hij — naar ze giste — zijn spijt uit niets dan de duitsche taal te kennen om zich behoorlijk te doen verstaan en de oude mevrouw knikte en keek hem lief glimlachend aan.
Bij het definitief afscheid stak hij de kamenier drinkgeld toe; maar ze schudde aarzelend het hoofd, met een beweging als om hare hand achter den rug te steken: "Braaf," zei hij, borg de fooi dadelijk in zijn zak en stapte in de auto.
Het Feestpaleis is ontruimd. De [38]
[38]Hier heeft Loveling nog iets willen tussenvoegen maar alleen de onderkant van het woord staat nog op de rand van het blad. Het is daardoor onleesbaar.
aldaar geherbergd zijn elders geplaatst. Nu moet het dienen voor de soldaten en de paarden, die elk oogenblik worden verwacht. De dames hebben hun costuum van verpleegsters door gewone dracht vervangen, want naar het schijnt bestaat gegronde vrees, dat ze zouden worden opgeëischt en naar Duitschland gestuurd om ginder in de ambulances werkzaam te wezen.
Een comiteit is gevormd, bestaande uit liefdadige personen, waaronder vele dames van den welhebbenden stand en de aristocratieoorsp.: aristocatie: het doel is: eten te verschaffen aan lieden, die niet ondersteund worden door het Bureel van weldadigheid, maar in benepen omstandigheden verkeeren. Tegen 35 centimen per hoofd kunnen ze noenmalen krijgen in het locaal van den Nederlandschen schouwburg.
Deze vereeniging heet het Groen Kruis. Dames en meisjes van den gegoeden stand bieden er allerlei hulp.
> | Nog 5 november.
Een visietkaartje:
Marguerite de L. [39]
[39]Marguerite De Laveleye.
de dochter van den vermaarden economist van Luik. [40]
[40]Emile De Laveleye (1822-1892) was in Brugge geboren maar doceerde sedert 1864 aan de universiteit van Luik, waar hij ook zijn voornaamste onderzoek deed.
"Dat zij boven kome."
Dat bezoek verrast en verblijdtoorsp.: verblijd mij. Ik wist, dat ze een jarenlange reis rond de wereld deed, lezingen zou houden in Japan, Amerika enz. tegen 't alcoholismus, maar had niet vernomen, of ze in Luik, hare woonplaats terug was.
Ze kwam binnen in ambulancière gekleedoorsp.: gekeed, met paarskleurigen sluier op 't hoofd en over den rug hangend, paarsgebreide wollen jak en eenvoudigen grijzen rok.
Na de eerste begroeting wierp ze zich zoo lang als ze is, op de chaiselongue, het achterhoofd op het kussen en met den elleboog op de leuning steunend:
"Zoo moe, zoo moe," zei ze.
"Ja, de wereldreis," antwoordde ik.
"Neen, de ziekenverpleging, ik ben reeds sedert twee maanden teruggekeerd."
"Heimwee, de afwezigheid verkort?" vroeg ik.
Men verwondert zich immers altijd over den terugkeer van menschen die een groote reis hebben gedaan, het is alsof ze weg blijven moesten...
"O neen," en hare oogen straalden in terugblik op al het mooi-belangrijkoorsp.: belankrijk-beleefde; "maar ik ben van in 't begin van den oorlog verpleegster geweest."
Ze had bruinlederen schoenen aan met een dikken lacé [41]
[41]'Lacé': lacet.
toegesnoerd. Wat waren die schoenen groot en lomp!... en dat voor de dochter van een baron!
Brave meid, wars van alle coquetterie, enkel op hulpverleenen bedacht."
En ze deelde mede, dat ze van 't lazaret van Middelkerke kwam.
"Nu rechtstreeks?"
"Neen, sedert maandag in de vroegte; bij vrienden vernacht; maar ik kan niet volkomen uitrusten, ik kan niet," zuchtte zij.
Middelkerke was van den zeekant uit door de Engelschen gebombardeerd geworden, 't is te zeggen, dat de houwitsers voor den vijand bestemd, over de badstad heen vlogen en er ook schade aanrichtten: "Terwijl wij de kwetsuren verbonden, hoorden wij de bommen rrrr over het dak vliegen en verder knallend ontploffen."
"Een schande," meende ik, "op hospitalen schieten."
"Dat is niemands schuld, de ambulances zijn gebouwen tusschen andere staande, en het treffen kan niet juist berekend noch vermeden worden."
"Veel ellenden gezien?"
"O, hoe gewend ik ook ben aan ijselijke tooneelen, toch ben ik soms daarbij in bezwijming gevallen... Toen de stad op bevel moest ontruimd worden, ben ik tusschen den zondag en den maandag nacht met een verder doorrijdenden trein tot aan Gent medegekomen met tal van verwonde soldaten in een bagagewagen. Ze zaten neergehurkt of lagen op de planken, al die arme jongens. Hun jammerkreten overheerschten het geratel van den trein. Maar het luidst van allen maakte een krankzinnige rumoer. Hij was in het hoofd geschoten. Hij lachte, hij schetterde, hij schreeuwde. Hij sprong uit zijn hoekje op en beproefde te dansen op een ruimte, te eng om er een voet te verzetten. Toen deed hij een gebaar als wilde hij een geweer afvuren: "pif, poef, paf," bulderde hij opgewonden,..." En bij 't vertellen griezelde ze nog.
"Ik zou eens in een ambulance willen gaan," zei ik.
"Niets gemakkelijker, zijt ge vrij dezen namiddag?"
Ik dacht na: "Ja," zei ik en wij gingen. Aan het Palace Hotel, waar ze mij stout de stoep opleidde, kwamenoorsp.: kwam juist dragers binnen met eene berrie. Daarin lag een soldaat.
Hij was bloedloos bleek, met oogen die ons medelijvergend aanstaarden. Wij knikten hem toe en hij knikte weder, sympathie belijdend.
Behoedzaam werd hij de trappen af naar een gereedstaande auto gedragen.
In de groote hall van het groot Palace Hotel liepen soldaten met het roodkruisteeken op den arm, bedrijvig heen en weder. Mej. D. vroeg naar den bestuurder. En wij wachtten op hem om oorlof te krijgen tot het betreden der zalen.
Maar hij verscheen niet.
Geen der gaanden en komenden wijdde ons de minste aandacht.
"Dwaas, ooit iets te vragen," zei ze, "handelen moet men. Kom," en zij ontsloot de deur op het gelijkvloers rechts en trad binnen. Ik volgde haar in die verbazend breede en lange zaal, die in vakken verdeeld, tijdens de tentoonstelling vele vreemdelingen herbergde. Nu was ze gebruikt voor lazaret. Tot in de verre diepte stonden ijzeren bedden op drie rijen en schier voor ieder bed lag of zat een soldaat. Enkelen stonden aan hun sponde, rustten er op of slenterden langzaam rond, hinkend met een arm in draagband of een arm zonder hand kort afgestompt onder de bindsels. Een in een sneeuwwit nachthemd, dat tot over zijn voeten reikte, lag met het afgestooten deksel, ineengerold als een slapende hond, den rug gekeerd naar de voorbijgangers. Een ander scheen het zieltogen nabij, met den rechterkant van het hoofd omzwachteld, hijgend naar adem, met starre oogen van koortsvuur.
"Niet goed?" vroeg mijn gezellin.
Blijkbaar kon hij niet spreken, maar deed een beweging met de lippen, die geen klank doorlieten.
"Niet ontroerd uitzien, met een vroolijk gelaat binnentreden, dat wekt ze op en geeft hun moed, dat stelt ze gerust over hun toestand," had ze mij aanbevolen en ik had getracht zulks te doen... doch wie kan dat huichelen uithouden met het gemoed beklemd van medelij bij het waarnemen van zoo menigvuldige ellenden!...
Ons verblijf in het Palace Hotel was voorbestemd om van korten duur te zijn: wij waren geen vijftig stappen ver, toen een verpleger naderde beleefd terechtwijzend: "Besuche sind nicht erlaubt."
En wij stonden weder op het groote plein in de groote menschenmassa. Het was mij nog onduidelijk doch zonderling en onbehagelijk te moede.
Het weder was heerlijk. Ge zoudt gewaand hebben, dat lentewalmen de lucht doorzweefden. De herfstkleederen wogen zwaar en voelden te warm aan.
Ik wist, dat plakkaten aan alle hoeken van de straten hingen, meldend, dat op bevel der duitsche overheid elke samenscholingoorsp.: samenscholling en elk gesprek in staande groepen verboden was op strenge tuchtstraf. Maar de menschen waren nieuwsgierig, gedwongen luiaards en werkeloozen. Het weder lokte naar buiten uit hun donkere steegjes en hun vunzige woningen. Ze waren bewust van hun vreedzame inzichten en namen de bedreiging niet ernstig op. Het plein zelf was heel ontruimd, maar hier en daar stonden kanonnen gepointeerd naar de te betreden laan. En ik wist door een geheime mededeeling, dat de gebelgde Kommandant verklaard had, dat de bedreiging vroeg of laat geen ijdel woord blijken zou.
In de laan krioelde het van menschen als van kudden schapen uit de tegenovergestelde richting tusschen elkander doorbrekend. Ik worstelde mij een uitweg steeds met den schuwen blik op die kanonnen gericht.
"Wat hebt ge gedaan," zeiden mijn verwanten des avonds mij. "U in een duitsche ambulance wagen, waar ge niets te doen hebt. Voor spioen zoudt ge kunnen gepakt worden." En ik sliep ongerust, ondanks mijn overtuiging, dat de onvoorzichtigheid geen gevolgen hebben zou.
< >
Lettergrootte: [-a] [standaard] [A+] Stijl: [L<-R][L- >R]

Kalender

1914
<< november >>
Zo Ma Di Wo Do Vr Za
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30          
             
logo CTB