XIV  

 1 
Hoe lang we toen gewandeld hebben, viel niet uit te maken. Het was of niet alleen onze horloges stilstonden, maar ook ons eigen besef van duur weigerde. De nacht scheen niet enkel ons ruimtelijk waarnemingsvermogen verduisterd te hebben, doch tevens onze blik in de tijd. Alles bij elkaar heeft het ons in elk geval eindeloos geleken. 
 2 
De lichtjes op de velden hadden zich aanvankelijk, nadat we de spoordijk af waren gedaald, aan ons oog onttrokken. Later doken ze weer op, maar heel lang schenen ze ons steeds even verre te blijven. Gelukkig was de van elk hemellicht verstoken nacht biezonder zacht. Akkers en weiden geurden lentelijk. Soms kwamen we langs bongerds, waarvan de witte bloesemmassa’s als een teer gaas roerloos in de duisternis hingen. Schimmen van hofsteden konden we echter niet onderscheiden. 
 3 
In de sloot langs de weg leefden met zachte geruchten gemoedelijke gemeenschappen van krekels, kikkers en weet ik veel welke andere fauna. Ik heb in mijn jeugd nooit een behoorlijk leraar in de natuurhistorie gehad ; allen bleken meer te gevoelen voor fysica en scheikunde. Vandaar, wat God’s lieve rijk van planten en dieren betreft – die trouwste, troostendste vrienden van de mens – een onkunde welke ik wel nooit meer zal kunnen inlopen. Slechts heel zelden trof het slaperige geluid van een vogel ons oor. 
 4 
Inzover we er ons dus met dat alles enige voorstelling van konden maken, leek het landschap onveranderd het onze gebleven te zijn. Val had daarop met blijde stem gewezen, om te besluiten dat de veronderstelde buitenlandse nachttrein ons dus blijkbaar toch niet al te ver van huis had gebracht. Maar, zoals Prof. Hernhutter voorzichtig had laten opmerken, enigszins bereisden weten hoe of datzelfde landschap zich, ten minste op gelijkblijvende hoogte, bijna tot aan de poorten van Azië uitstrekt. 
 5 
In den beginne hielden we er goed de pas in. Later moesten we vertragen, niet alleen vanwege Hernhutter, die natuurlijk niet meer zo flink ter been was, vooral op dit late uur, maar ook omdat de honger ons allen begon te kwellen en het verre-blijven der lichtjes ontmoedigend werkte. Toch hielp Val ons uitstekend door zijn heerlijke stemming. Sinds hij ook in ons vreemde avontuur zin had gekregen, waren al de levenslustige mogelijkheden zijner jeugd teruggekeerd. 
 6 
Ons gesprek ving ongeveer aldus aan :  
 7 
„Die trein”, had Val gezegd, „leek wel behekst ! Nergens een licht op en iedereen als om strijd aan de maf. Toen ik...”  
 8 
Het kwam uit, dat ook hij had geslapen – hij was over zijn dictaatcahiers ingesluimerd – en dat zijn horloge eveneens op halfzeven stil was blijven staan. Toen hij van het onze hoorde, had ik gedurende een ogenblik het gevoel, of hij dreigde weer bang te zullen worden. Ik had mijn arm broederlijk om zijn schouder gelegd, maar hij begon alleen hartelijk te lachen :  
 9 
„ Nee ! dat is me té mal. Ik voel me heus niet meer in staat om de stuipjes te krijgen, want ik versta geen aap meer van het hele geval. En sluiten angst en het bewustzijn van je onkunde elkaar niet uit, professor ? ” had hij grappig gevraagd. 
10 
Hernhutter had dat wijselijk beaamd en als voorbeeld ’s mensen bestaan aangehaald : niemand begrijpt het, en licht daardoor plegen allen het als zo gewoon te aanvaarden.