XVI  

 1 
„ En was dat dan je laatste gedachte voor je bent ingeslapen, Val ? ”  
 2 
„Nee, eigenlijk niet, maar ik ben er nu haast. Ik heb toen dat schrift maar dichtgedaan en ben in mijn notities over moderne wereldliteratuur gaan lezen. Dat college wordt door dr. Z... gegeven, die we de zeur noemen, omdat hij zo geweldig analyseren kan en in alles, waar wij maar een verhaaltje of een gevoelsoprisping in zien en waarmee de schrijver waarschijnlijk al niet veel anders zal bedoeld hebben, naar betekenissen en systemen op zoek gaat en die ook altijd vindt. Maar na de Dobkin-moord heb ik ditkeer bij de Zeur toch een weldadig gezelschap gevonden. Hij leek me ineens zoveel waarachtiger en gezelliger. En met een gevoel van vertrouwdheid moet ik toen in slaap zijn gevallen.”  
 3 
„Met een g e v o e l van vertrouwdheid”, herhaalde Prof. Hernhutter.  
 4 
„Ja”, bevestigde Val, zonder blijkbaar op de biezondere betoning te letten, die ik in professor’s zin meende gehoord te hebben .  
 5 
„Waarover handelden precies de notities die je toen hebt herlezen ? ” vroeg ik met een zekere beroepsbelangstelling, hoewel ik het gevoel had dat, zoniet, Hernhutter waarschijnlijk dezelfde vraag in mijn plaats zou gesteld hebben. 
 6 
„Over de nieuwe Russen... Alexei Tolstoi, Ehrenburg, Kataiëv...”  
 7 
„O”, riep ik uit, „ Het Witte Zeil aan de Kim ”... ”  
 8 
„En wat heeft u daarin precies dat gevoel van vertroosting geschonken ? ” drong Hernhutter aan. 
 9 
„ Wel, de levensbeschouwing van Kataiëv, geloof ik. Dr. Z... beweert dat ze typisch voor hem is en dat hij er in het Nieuwe Rusland zelfs enigszins alleen mee staat, omdat ze zo a-sociologistisch aandoet. Volgens Kataiëv immers is het leven op zichzelf schoon en heerlijk, afgezien dus van wat men er ook van maakt. Het houdt zijn eigen rechtvaardiging in, zodat men er zich hoe dan ook aan overgeven mag – het brengt zelf en sowieso wel alles terecht.”  
10 
„Zo”, vond Hernhutter, „dat is bepaald aardig. Ik kende die schrijver nog niet. Kataiëv heet hij, zegt u ? Heel aardig, en inderdaad afdoend tegen de appendicitis van Dobkin !... Welke boeken heeft die Kataiëv nog geschreven, buiten dat „Witte Zeil” ? ”  
11 
Ik kreeg een kriebelig gevoel. Ik kon Hernhutter’s belangstelling voor een nieuwe, vreemde schrijversnaam zeker begrijpen, maar niet dàt was op ’t ogenblik toch het belangrijkste ! Had ik me dan in de hoogleraar vergist ?  
12 
„Professor”, kwam ik tussenbeide, „u hebt gevraagd naar onze laatste gedachten voor we vanavond in de trein zijn ingeslapen. Welnu, een beschouwing van dezelfde aard als die van Val heeft me toen beziggehouden, al was het niet helemaal volgens de formulering van Kataiëv. Ik zat met name te overwegen hoe schoon het bestaan is, niettegenstaande alles, en dat het onontbeerlijk moet wezen er zich tegelijk op te bezinnen en aan over te geven – het ene is het andere geloof ik – onontbeerlijk, in verband met... een groter perspectief, zou ik willen zeggen.”  
13 
Hernhutter antwoordde niet terstond. Was het wèrkelijk mogelijk dat ik me in hem had vergist ?  
14 
„Ik dacht het wel”, sprak hij ten slotte, stil en haast plechtig. „Mijne vrienden, we moeten er ons niet meer over verwonderen, dat we hier samen, in nog onopgehelderde omstandigheden wandelen. Wij zijn van hetzelfde punt uitgegaan. Op hetzelfde ogenblik als u, heb ik vanavond in die trein een gelijkaardige overpeinzing gekoesterd. Op mijn manier, die van mijn ouderdom, heb ik mij toen, net als u, in een gedachte die als een omarming was, aan het leven, aan de verrukkelijke betekenis van deze werkelijkheid vastgeklemd !„