opdracht,1-
Aan JEAN VAN KALCK die ’Met 13 aan tafel’ uitgaf en ontijdig aan onze vriendschap werd ontrukt. Doch de Trein keert altijd terug, traag maar zeker.
(leestekst)
1,3- in een hele tijd alleen er (D50)
1,8- wonderlijkheid van de aanblik (D50)
2,3- schoon te hebben gewreven (D50)
2,4- mijn oog heeft dat steeds (D50)
2,4- in gedachte namelijk (D50)
4,3- die middag overigens (D50)
4,3- gezien en sedert meermaals herhaald (D50)
4,3- het articulatiepunt (D50)
5,2- herfst voor het eerst (D50)
5,3- Indien ik het odium mijner leerlingen niet vreesde (leestekst)
- Moest ik het odium mijner leerlingen niet vrezen (D50)
5,4- om me heen eigenlijk toch (D50)
5,4- tegenspoed en verveling (D50)
9,6- wijd uiteengestrooide (D50)
10,9-
’s Heren Hoede... ! (D50)
10,9- de ware etymologie nog steeds niet (leestekst)
- nog altijd de ware etymologie niet (D50)
13,13- moesten liever niet hierboven op de spoorbaan (leestekst)
- deden beter niet hierboven op de spoorbaan te (D50)
17,1- waren we vermoeid en hongerig geworden (leestekst)
- begonnen we vermoeid en hongerig te geraken (D50)
17,1- In mij brandde een heerlijke ofschoon nog duistere vlam; (leestekst)
- Persoonlik brandde in mij een heerlijke, ofschoon nog duistere vlam; (D50)
19,2- een beetje naar zijn woorden zoekend, (leestekst)
- naar zijn woorden zoekend, een beetje (D50)
20,6- indien we alleen maar verdwaald waren (leestekst)
- moesten we alleen maar verdwaald zijn (D50)
20,9- moest ik weer eens alleen komen (D50)
24,3-
zal het hier nacht blijven
(D50)
25,3- dienden we als allereerste ongetwijfeld te (leestekst)
- moesten we als allereerste ongetwijfeld (D50)
26,3- en met de vinger ernaar wijzend, de bovenste kaart van een (leestekst)
- en er met de vinger naar wijzend, de bovenste kaart van een (D50)