<Resultaat 171 van 1907

>

p1
COLLÈGE DE LA VILLE
DE
THIELT
FLANDRE: OCCID:α+Ω
Dear Mr. Gezelle

Thank you for your kind, good, courageous letter – yes, “help uzelven en zoo helpt u God” help yourself, and Heaven will help you, as we say in English.

I must help myself, and I must have a stout heart, and pray to God to aid me, as who else will? I have – neither scrip, nor stock, nor stone, nor talents, nor friends, father, mother, brother, nor sister, nor home, nor beauty, nor riches, but I have much patience, and hope, and I’ll trust that a willing labourer who comes to the living place at the eleventh hour – will not be rejected, forsooth because he babbleth not as a “Rhetor” in Latin or Greekish tongue. For the harvest is great and the reapers are few, and the heat of the day is very great indeed. I either speak to the Rector (as I leave this place in two or three days) or else I’ll write to him such a letter in French. People seem to be always leaving your place, are the English such wanderers?p2I hope God will direct me into the way in which He wishes me to go, -He has indeed saved me from most terrible dangers of soul and body, my life is a rare and strange one, few pass through such trials of all sorts and degrees, and yet by God’s grace I have not fallen in the slippery path – so I think God has his designs on me.

I hope to see you, in a few days, and have a good serious “palaver” with you on many subjects, which I am anxious to hear your opinion about.

I must beg your pardon for forgetting about the books, I hope it did not inconvenience you too much – how stupid I am apt to forget little messages so soon. –

I often blame myself for forgetfulness in domestic matters.

I must try and amend – however I must say that the remark made, where you went, is not p3in the full spirit of true fraternal Christian charity, why blame an absent one? And for so slight a reason destroy his reputation -ah! the parable of the “mote and the beam in your neighbour’s eye.

“T’ yaer 30”[2] is making its way, just let it be in Flemish, what I consider “la Paix”[3] of Mr. Coomans to be in French, or better - give your readers good large general ideas, open up new catholic sources of union, of liberty, of fraternal handgrasping work, and be in the ranks of those who would shut up for ever in this land the “estaminet” “la loge” the house of ill fame and the government “bureau” and school, stir up the generous old Flemish blood, put some of the XIXth century steam into it – but don’t set it a-boiling over else you’ll scald your fingers.

Pardon these lines from yours very humbly and truly
Michaël J. Aryel Buckley
p4

I beg to send you the best respects of Revd Messrs De Grendele[4] Van Maele all ultra Catholic Liberals, and working in the good cause, like you, their Gamaliel[5]

Noten

[1] Feast of Saint Dominic is 4 augustus in de periode vóór 1970.
Ora pro nobis = Bid voor ons
[2] ’t Jaer 30 was ultramontaans
[3] La Paix was voorstander van het liberaal katholicisme
[4] Felix De Grendele schreef onder deze brief ook een kort briefje aan Gezelle
[5] Gamaliel I, de Oudere, bijbelse figuur. Hij was het die volgens Handelingen van de apostelen 5, 34-39, tot voorzichtigheid aanmaande toen de apostels veroordeeld moesten worden. Hij stond eerder weigerachtig tegenover de acties gevoerd tegen de Messias. De legende wil dat hij later zelf Christen werd en zelfs een heilige, die zich opofferde voor Christus (Briefwisseling Engelsen, III, p.173-174)

Register

Correspondenten

NaamBuckley, Michael Joseph
Datums° Cahir, Tipperary, 1837 - ✝ Youghal, 02/08/1905
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; antiquair; zaakvoerder; ontwerper van religieuze meubelen
VerblijfplaatsIerland
BioMichael Buckley werd geboren in 1837 in Cahir, Tipperary als de zoon van John George Buckley. Zijn Hij vestigde zich in de Minderbroedersstraat 8, later 7 te Brugge. Uit de brieven blijkt dat hij leerling was aan het kleinseminarie te Roeselare voor het schooljaar 1857-1858 hoewel hij nergens in de Palmares vermeld wordt, maar wel in het Grand Livre Internat. In 1858 vinden we hem terug bij de jozefieten te Geraardsbergen en in april 1861 schrijft hij vanuit Tienen waar hij leraar is in het St.-Stanislascollege. Dan brengt hij een jaar door in het Drievuldigheidscollege te Leuven, een bijhuis van de jozefieten, van oktober 1861 tot juli 1862. Na een kort verblijf te Brugge gaat hij dan naar Château de Magery, Sibret, Province de Luxembourg, waar hij meehelpt aan een of ander godvruchtig werk o.l.v. Count de Rochepaule. Met het oog op een eventuele priesteropleiding ging hij naar het St.-Jozefscollege te Tielt. Zijn verblijf daar wordt betaald door Elga Robinson, vrouw van Arthur Robinson. Ook was hij bevriend met zijn neef Cuthbert Robinson en wilde hij naar zijn voorbeeld binnentreden in de orde van Manning, the Oblates of St. Charles. In januari 1865 schrijft hij vanuit Vigan en vraagt hij Gezelle hem terug te halen naar Tielt waar hij leraar Engels zou kunnen zijn en tevens zou kunnen verder studeren. Hij verbleef ook enige tijd in Portugal. Buckley was een fervent aanhanger van de neogotische beweging en hij stichtte samen met Adolf Duclos, Antoine Neurath en Louis Grossé in maart 1864 de Heilige Beeldekensgilde te Brugge. In 1881 werd hij partner in de firma Cox & Buckley voor religieuze kunst in Londen. Buckley en zijn firma maakten ook glasramen voor kerken. In de volkstelling van 1891 staat hij ingeschreven als vrijgezel, wonend als huurder in Buckingham Street, 17 Londen. Na het failliet van de firma Cox & Buckley verhuisde hij naar Ierland, waar hij in Youghal een glas- en metaalatelier, 'Decorative Arts Guild of Youghal', oprichtte. Hij was er lid van de 'Cork Historical and Archaeological Society'. Verder was hij ook een ontwerper en vertegenwoordiger van de Brugse kunstgilde. In het jaar van zijn overlijden zou hij Belgische kunstenaars naar Youghal halen. Hij stierf op 2 augustus 1905 in zijn huis, Montmorenci, Youghal en hij werd begraven op het kerkhof van North Abbey, Youghal. Hij leverde ook bijdragen aan diverse kunsttijdschriften en hij schreef ook in de "Waterford Journal" (1903) over het verleden van zijn vader John George Buckley die als jonge man, als passagier op een schip naar een familielid in Newfoundland samen met de bemanning was gevangen genomen door een Franse kaper en enige tijd in Frankrijk gevangen zat en er nadien ook geruime tijd in vrijheid verbleef.
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Some past members of our Society (with portraits) Author: J. C. Journal of the Cork Historical and Archaeological Society, 1907, Vol. 13, No 75, page(s) 144-146; https://www.dia.ie/architects/view/747/BUCKLEY%2C+MICHAEL+JOSEPH+CUNNINGHAM+%2A ; https://www.findagrave.com/memorial/183826712/michael-joseph_g-buckley ;
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamBuckley, Michael Joseph
Datums° Cahir, Tipperary, 1837 - ✝ Youghal, 02/08/1905
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; antiquair; zaakvoerder; ontwerper van religieuze meubelen
VerblijfplaatsIerland
BioMichael Buckley werd geboren in 1837 in Cahir, Tipperary als de zoon van John George Buckley. Zijn Hij vestigde zich in de Minderbroedersstraat 8, later 7 te Brugge. Uit de brieven blijkt dat hij leerling was aan het kleinseminarie te Roeselare voor het schooljaar 1857-1858 hoewel hij nergens in de Palmares vermeld wordt, maar wel in het Grand Livre Internat. In 1858 vinden we hem terug bij de jozefieten te Geraardsbergen en in april 1861 schrijft hij vanuit Tienen waar hij leraar is in het St.-Stanislascollege. Dan brengt hij een jaar door in het Drievuldigheidscollege te Leuven, een bijhuis van de jozefieten, van oktober 1861 tot juli 1862. Na een kort verblijf te Brugge gaat hij dan naar Château de Magery, Sibret, Province de Luxembourg, waar hij meehelpt aan een of ander godvruchtig werk o.l.v. Count de Rochepaule. Met het oog op een eventuele priesteropleiding ging hij naar het St.-Jozefscollege te Tielt. Zijn verblijf daar wordt betaald door Elga Robinson, vrouw van Arthur Robinson. Ook was hij bevriend met zijn neef Cuthbert Robinson en wilde hij naar zijn voorbeeld binnentreden in de orde van Manning, the Oblates of St. Charles. In januari 1865 schrijft hij vanuit Vigan en vraagt hij Gezelle hem terug te halen naar Tielt waar hij leraar Engels zou kunnen zijn en tevens zou kunnen verder studeren. Hij verbleef ook enige tijd in Portugal. Buckley was een fervent aanhanger van de neogotische beweging en hij stichtte samen met Adolf Duclos, Antoine Neurath en Louis Grossé in maart 1864 de Heilige Beeldekensgilde te Brugge. In 1881 werd hij partner in de firma Cox & Buckley voor religieuze kunst in Londen. Buckley en zijn firma maakten ook glasramen voor kerken. In de volkstelling van 1891 staat hij ingeschreven als vrijgezel, wonend als huurder in Buckingham Street, 17 Londen. Na het failliet van de firma Cox & Buckley verhuisde hij naar Ierland, waar hij in Youghal een glas- en metaalatelier, 'Decorative Arts Guild of Youghal', oprichtte. Hij was er lid van de 'Cork Historical and Archaeological Society'. Verder was hij ook een ontwerper en vertegenwoordiger van de Brugse kunstgilde. In het jaar van zijn overlijden zou hij Belgische kunstenaars naar Youghal halen. Hij stierf op 2 augustus 1905 in zijn huis, Montmorenci, Youghal en hij werd begraven op het kerkhof van North Abbey, Youghal. Hij leverde ook bijdragen aan diverse kunsttijdschriften en hij schreef ook in de "Waterford Journal" (1903) over het verleden van zijn vader John George Buckley die als jonge man, als passagier op een schip naar een familielid in Newfoundland samen met de bemanning was gevangen genomen door een Franse kaper en enige tijd in Frankrijk gevangen zat en er nadien ook geruime tijd in vrijheid verbleef.
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Some past members of our Society (with portraits) Author: J. C. Journal of the Cork Historical and Archaeological Society, 1907, Vol. 13, No 75, page(s) 144-146; https://www.dia.ie/architects/view/747/BUCKLEY%2C+MICHAEL+JOSEPH+CUNNINGHAM+%2A ; https://www.findagrave.com/memorial/183826712/michael-joseph_g-buckley ;

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamTielt
GemeenteTielt

Naam - persoon

NaamBuckley, Michael Joseph
Datums° Cahir, Tipperary, 1837 - ✝ Youghal, 02/08/1905
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; antiquair; zaakvoerder; ontwerper van religieuze meubelen
VerblijfplaatsIerland
BioMichael Buckley werd geboren in 1837 in Cahir, Tipperary als de zoon van John George Buckley. Zijn Hij vestigde zich in de Minderbroedersstraat 8, later 7 te Brugge. Uit de brieven blijkt dat hij leerling was aan het kleinseminarie te Roeselare voor het schooljaar 1857-1858 hoewel hij nergens in de Palmares vermeld wordt, maar wel in het Grand Livre Internat. In 1858 vinden we hem terug bij de jozefieten te Geraardsbergen en in april 1861 schrijft hij vanuit Tienen waar hij leraar is in het St.-Stanislascollege. Dan brengt hij een jaar door in het Drievuldigheidscollege te Leuven, een bijhuis van de jozefieten, van oktober 1861 tot juli 1862. Na een kort verblijf te Brugge gaat hij dan naar Château de Magery, Sibret, Province de Luxembourg, waar hij meehelpt aan een of ander godvruchtig werk o.l.v. Count de Rochepaule. Met het oog op een eventuele priesteropleiding ging hij naar het St.-Jozefscollege te Tielt. Zijn verblijf daar wordt betaald door Elga Robinson, vrouw van Arthur Robinson. Ook was hij bevriend met zijn neef Cuthbert Robinson en wilde hij naar zijn voorbeeld binnentreden in de orde van Manning, the Oblates of St. Charles. In januari 1865 schrijft hij vanuit Vigan en vraagt hij Gezelle hem terug te halen naar Tielt waar hij leraar Engels zou kunnen zijn en tevens zou kunnen verder studeren. Hij verbleef ook enige tijd in Portugal. Buckley was een fervent aanhanger van de neogotische beweging en hij stichtte samen met Adolf Duclos, Antoine Neurath en Louis Grossé in maart 1864 de Heilige Beeldekensgilde te Brugge. In 1881 werd hij partner in de firma Cox & Buckley voor religieuze kunst in Londen. Buckley en zijn firma maakten ook glasramen voor kerken. In de volkstelling van 1891 staat hij ingeschreven als vrijgezel, wonend als huurder in Buckingham Street, 17 Londen. Na het failliet van de firma Cox & Buckley verhuisde hij naar Ierland, waar hij in Youghal een glas- en metaalatelier, 'Decorative Arts Guild of Youghal', oprichtte. Hij was er lid van de 'Cork Historical and Archaeological Society'. Verder was hij ook een ontwerper en vertegenwoordiger van de Brugse kunstgilde. In het jaar van zijn overlijden zou hij Belgische kunstenaars naar Youghal halen. Hij stierf op 2 augustus 1905 in zijn huis, Montmorenci, Youghal en hij werd begraven op het kerkhof van North Abbey, Youghal. Hij leverde ook bijdragen aan diverse kunsttijdschriften en hij schreef ook in de "Waterford Journal" (1903) over het verleden van zijn vader John George Buckley die als jonge man, als passagier op een schip naar een familielid in Newfoundland samen met de bemanning was gevangen genomen door een Franse kaper en enige tijd in Frankrijk gevangen zat en er nadien ook geruime tijd in vrijheid verbleef.
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Some past members of our Society (with portraits) Author: J. C. Journal of the Cork Historical and Archaeological Society, 1907, Vol. 13, No 75, page(s) 144-146; https://www.dia.ie/architects/view/747/BUCKLEY%2C+MICHAEL+JOSEPH+CUNNINGHAM+%2A ; https://www.findagrave.com/memorial/183826712/michael-joseph_g-buckley ;
NaamCoomans, Jean-Baptiste-Nicolas
Datums° Brussel, 06/12/1813 - ✝ Schaarbeek, 27/07/1896
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; dagbladuitgever; auteur; politicus; historicus
BioCoomans werd op 21-jarige leeftijd doctor in de rechten aan de rijksuniversiteit van Gent. Hij studeerde ook aan de Sorbonne in Parijs. In 1834 werd hij hoofdredacteur van de Journal des Flandres (Gent). Hij stichtte op 01/01/1841 samen met Dieudonné Stas de Journal de Bruxelles, in 1845 Le Courrier d'Anvers en in 1861 La Paix. Hij was van 1853 tot 1858 hoofdredacteur van L'Emancipation en van La Gazette de Bruxelles. Hij was korte tijd gemeenteraadslid en schepen in Gent. Hij vertegenwoordigde het arrondissement Turnhout in de Kamer vanaf 1848. Hij was naast journalist ook auteur van meerdere werken waaronder Histoire de la Belgique, Gent, 1836.
Links[odis], [wikipedia]
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamDe Grendele, Felix; De Grendel
Datums° Beveren (Roeselare), 05/01/1836 - ✝ Beveren, 11/12/1917
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; onderpastoor; pastoor; auteur
BioFelix De Grendele was de zoon van Ferdinandus De Grendele, wever, en Coleta Degrendele. Hij werd laureaat in de gemeenteschool van Ardooie (1849) en de normaalschool te Torhout (1854). In de personeelslijst van het kleinseminarie te Roeselare staat hij vermeld als onderwijzer aan het Sint-Michielsinstituut (1853-1858). In de "palmares" is hij pas te vinden voor de retorica (1858) en het filosofiejaar (1859). Hij werd leraar aan het college van Tielt op 27/12/1861. Hij werd tot priester gewijd te Brugge op 18/12/1862 door bisschop Delebecque van Gent, die de wellicht zieke Mgr. Malou verving. De Grendele verliet Brugge al na anderhalf jaar theologie. Hij was toen halfweg de twintig en zeker ouder dan de meesten van zijn medestudenten. Waarschijnlijk had hij in Roeselare al bewezen dat hij als onderwijzer in staat was de humaniora in te halen. Vermoedelijk mocht hij nu hetzelfde doen met de theologie. In het college van Tielt heerste een pionierssfeer rond een klein en hecht korps, geïnteresseerd in Engels en de Engelsen en betrokken in de persstrijd. De Grendele kende niet alleen Engels, maar uit de correspondentie van Aloïs Vandemaele met Guido Gezelle blijkt dat hij ook actief was als journalist. Hij had Gezelle daarbij als mentor en was als schrijver een voorbeeld voor Aloïs Vandemaele. Mogelijk heeft Mgr. Malou hem dus in die gespannen jaren omwille van zijn talent en betrouwbaarheid al vroeg in de strijd gegooid. Vervolgens werd hij directeur van de Xaverianenschool te Wervik (23/07/1869), onderpastoor te Anzegem (14/09/1876), pastoor te Koolkerke (19/09/1881), Gijzelbrechtegem (27/06/1884) en Oostkerke bij Diksmuide (10/10/1894).
Links[odis]
Relatie tot Gezelleoud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity; correspondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamDessein, Petrus Ludovicus
Datums° Wervik, 13/11/1811 - ✝ Brugge, 11/03/1891
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; professor; rector; president; kanunnik; aartsdiaken
BioPierre Dessein, zoon van Leonard Dessein, landbouwer, en Marie Colpaert, was leraar wijsbegeerte aan het grootseminarie van Brugge op 01/10/1833. Hij werd tot priester gewijd te Brugge op 20/12/1834 en erekanunnik op 20/08/1841. Hij was achtereenvolgens leraar ethica aan het grootseminarie te Brugge (01/10/1849), lid van de bisschoppelijke raad (18/10/1856), de overste van Gezelle als rector van het Engels Seminarie te Brugge van 27/01/1859 tot 17/06/1869, doctor in de godgeleerdheid (1862), titulair kanunnik en president van het grootseminarie van Brugge (17/06/1869-16/11/1884) en huisprelaat van de Paus (januari 1870). Op 21/02/1885 werd hij aartsdiaken van het kapittel van de kathedraal. Gezelle schreef het studentikoze gezelschapslied De Paus, de Paus ach zwijgt ervan voor het doctoraat van Dessein en het gedicht De Paus Triomf gevierd, den boom geprezen, op vraag van de Brugse seminaristen voor de viering van Dessein op woensdag 15/10/1884 t.g.v. zijn 50-jarige professoraat aan het grootseminarie. Hij overleed in zijn woning in de Zilverstraat D 33 te Brugge.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVandemaele, Aloïs
Datums° Zwevegem, 09/06/1834 - ✝ Asper, 06/03/1912
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; directeur klooster; aalmoezenier; pastoor
BioAloïs Vandemaele werd geboren te Zwevegem als zoon van een bakker. Hij studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare. De vier jaar jongere Vandemaele leerde er Gezelle kennen die er toen ook leerling was (schooljaar 1849-1850). Gezelle vertrok om te studeren aan het grootseminarie te Brugge. Vandemaele begon vanuit Roeselare zijn correspondentie met Gezelle. Zijn eerste bekende brief dateert van 15 december 1850, Vandemaele was toen 16 jaar. Hij en Gezelle waren dus schoolvrienden. Na zijn seminarieopleiding keerde Gezelle terug naar het kleinseminarie als leraar waar hij ook les gaf aan Vandemaele tijdens het schooljaar 1854-1855. Vandemaele deed zijn intrede in het grootseminarie te Brugge op 01/10/1856. Als seminarist werd hij lid van Gezelles Confraternity. Op 01/10/1859 werd Vandemaele leraar fysica en wiskunde aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge en op 17 december van dit jaar ontving hij zijn priesterwijding. Op 10/04/1861 werd hij leraar Latijn, Engels en wiskunde aan het Sint-Jozefscollege te Tielt, waar hij via Guido Gezelle Engelse studenten naartoe trachtte te krijgen, in eerste instantie om zijn studenten beter hun Engels te kunnen laten oefenen. Het was de bedoeling om hen na de collegetijd in Tielt door te sturen naar het Engels seminarie in Brugge, zodat zij als priester het katholieke geloof zouden verspreiden in Engeland. Op 22/04/1868 werd hij onderpastoor te Oostrozebeke (Sint-Amandskerk) en op 24/05/1871 te Poperinge. Daarna werd hij overgeplaatst naar Kortrijk waar hij op 08/10/1874 bestuurder werd van de Congregatie van de zusters Paulienen en tevens aalmoezenier van de gevangenis. Op 26/10/1878 volgde zijn eerste aanstelling als pastoor te Oostduinkerke (Sint-Niklaaskerk), en daarna, op 06/02/1889, werd hij nog pastoor te Lauwe. Op 23/02/1900 nam hij daar ontslag.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; schoolvriend; oud-leerling; aanvrager gelegenheidsgedicht (Te Lauwe)
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Naam - instituut/vereniging

NaamSint-Jozefscollege Tielt
BeschrijvingHet Sint-Jozefscollege werd gesticht in 1686 als Latijnse School door de Minderbroeders. Na een onderbreking in de Franse tijd werd terug heropend in 1830 door de Minderbroeders. Vanaf 1848 viel het volledig onder de bevoegdheid van het bisdom. Daardoor waren er nauwe contacten met het kleinseminarie. Er werden ook Engelse leerlingen gehuisvest. Gezelle had er contact met oud-leerlingen, leraars en principaals.
Datering1830
Links[odis]

Titel - werk van Guido Gezelle

Titelt Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke lieden.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelLa Paix (periodiek)
AuteurCoomans, Jean-Baptise (red.)
Datum1863-[1896]
PlaatsSchaerbeek
Uitgever[s.n.]
Links[odis]

Titel04/08/1864, Tielt, Michael Joseph Buckley aan [Guido Gezelle]
EditeurEls Depuydt; Publicatie
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderBuckley, Michael Joseph
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum04/08/1864
VerzendingsplaatsTielt (Tielt)
AnnotatieBriefversie van datering: Feast of St Dominick / 64 o.p.n. ; adressaat gereconstrueerd op basis van de aanhef.
Gepubliceerd inDe briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen 1854-1899 / door B. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, (o.l.v.) A. Deprez. - Gent : Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.II, p.41-42
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, 213x135
wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden briefpapier: Collège de la ville de Thielt Flandre Occid:
handgeschreven brief van Fr. De Grendele aan Guido Gezelle op zijde 4
Toevoegingen op zijde 1 rechtsboven bijgeschreven onder de datum: [4/8] (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief4639
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|10107
Inhoud
IncipitThank you for your
Tekstsoortbrief
TalenEngels
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.