<Resultaat 56 van 1751

>

p1+
Dear Mr Gezelle,

I had to wait in Bruges a day later than I expected, in order to see[1] Dr Malou, & have had to hurry as fast as possible afterward in order to reach home in time for my missionary duties; & now that I am quietly settling down I am glad to receive your kind note[2] by which you remind me of my promise of writing to you after my interview with the Bishop of Bruges.

I proposed to His Lordship your conscientious scruples which keep you from urging your request to come p2to the English missions[3] & on the other hand I spoke of course of the great want of priests here, & the great good you would probably do among us when we once get our Petit Seminaire[4] a going.

Well, the good Bishop is quite disposed to give you permission to come over to us (His Lordship easily understands that your being partly engaged with Dr Grant[5] will be settled without difficulty between Dr Grant & our Bishop[6] who are on the most intimate terms) He feels your present harassing[7] position, & the impossibility of doing anything, this year at least, for the English in Bruges. However His Lordship will only give his final answer during the ensuing[8] holidays, in order not to unsettle things at Roulers[9] more than necessary.p3This, of course you must keep secret. As it would otherwise be a betrayal of the Bishop’s[10] confidential communication to me

If then, you have not yet done it, you must see the Bishop at the commencement of the holidays, & come as soon as ever you can.

I like very much the idea of the good youngman[11] coming to help us as a professor: whilst he will be doing good, perhaps God will give him to become a priest. You say that he is ready to go to Louvain to make a year's study. This is the best thing that could be done. For it appears to me that it is better for you to come & see on the spot how matters are; & after a few months, which you will spend most usefully in helping at some of our missions you will p4acquire an exact knowledge of the ways & means to carry on successfully our important undertaking. & at the same time you will be enabled to define accurately the position which Mr Karel de Gheldere[12] will hold in the Petit Seminaire[13]

When you are among us you will very soon see that whatever good your[14] are, under God's blessings, doing in bringing about a more christian education among the Belgian youths, the good you will do here will be a hundred fold greater.

Please give my kindest regards to Mr Algar, & tell him that I still hope that he will be your collaborateur in the great work of evangelizing that part of England which gives at present the tone to the whole country by its gigantic trading[15]

Yours truly in Christo
P. Benoit.

Noten

[1] Op 19 juli 1859 schrijft Mgr. Malou naar Turner, dat hij geen priesters meer ter beschikking heeft voor Engeland. Toch dringt Benoit er een jaar later bij Mgr. Malou op aan. Hij zal later aan Gezelle de raad geven, via Mgr. Faict zijn aanvraag in te dienen. Zie brief van Pieter Benoit aan Guido Gezelle, /- 1862.

Mgr. Turner zal voortaan niet meer persoonlijk bij Mgr. Malou aandringen, maar de rekrutering van West-Vlaamse priesters voor Engeland volledig overlaten aan zijn vicaris-generaal Benoit, en dit het liefst door de bemiddeling van Mgr. Faict. Zie: J. de Mûelenaere, Canon Pieter Benoit. In: Open Access Journals UGent, p.200.

[2] Er is in het Gezellearchief geen enkele brief van Gezelle aan Benoit bewaard gebleven.
[3] Piet Couttenier, The correspondence of Guido Gezelle: its value for the history of the church in England, in Catholic archives: 8 (1988), p.24 e.v.
[4] Salford is blijkbaar van plan, een kleinseminarie met een middelbare schoolopleiding op te richten, m.a.w. een instituut om in Engeland zelf jongens op tamelijk jonge leeftijd tot katholieke priesters op te leiden en daarvoor geen beroep meer te doen op Brugge.
[5] “Mgr. Grant is bisschop van Londen-Zuid, en zijn bisdom ligt niet zo ver af. Gezelle is met hem in betrekking gekomen ter gelegenheid van de opname van een Engelse leerling in de Roomse Kerk. . Gezelle was zijn geestelijke leider en had hem voorbereid op het doopsel. Algar heeft Grant verzekerd dat Gezelle een excellente missionaris zou zijn. De bange Gezelle laat Grant zelf een verzoek schrijven aan zijn vriend Malou.” J. de Mûelenaere, Engeland, Gezelles droom, Biekorf: 80 (1980), p. 301 e.v.
[6] Gezelle had al min of meer een afspraak met Mgr. Grant in Zuid-Londen, niet het diocees van Mgr. Turner. Grant en Turner moeten dus overeenkomen, maar Benoit deelt mee, dat dit geen probleem zal vormen.
[7] kwellend, ongemakkelijk
[8] komende
[9] Na een aanvankelijk succesverhaal voor het Engels Seminarie in Roeselare onder Superior Faict, koelt het enthousiasme hiervoor rond midden 1860 af. “Onder Superior Vanhove (1859-1872) en zijn Waalse medewerker Delbar valt een anti-Engelse ingesteldheid waar te nemen, die in 1860 meteen aanleiding zal geven tot de oprichting van een afzonderlijk Engels College te Brugge.”

J. De Muelenaere, Westvlaamse anglofilie rondom Gezelle. Kanttekeningen bij een licentiaatsverhandeling. In: Gezellekroniek: 5 (1968) p.75-94.

In augustus 1860 wordt Gezelle uit Roeselare naar Brugge overgeplaatst. Blijkbaar heeft Malou die beslissing op 27 juli nog niet genomen en zag hij op dat ogenblik ook nog geen oplossing voor de kwestie of het Engels Seminarie in Roeselare moest blijven dan wel in Brugge moest komen. Het ziet er bijgevolg naar uit, dat Gezelle naar Brugge overplaatsen en niet naar Engeland laten vertrekken voor Malou een deel is van de oplossing: het Engels Seminarie naar Brugge brengen en Gezelle daar rector van maken. Zie: J. de Muelenaere, Canon Benoit en Gezelle. In: Gezellekroniek: 2 (1964), p. 81 e.v.

[10] In deze brief gebruikt Benoit soms ”Lordship” en dan weer ”Bishop” om naar Malou te verwijzen.
[11] De Gheldere wilde wel meegaan met Gezelle, op voorwaarde, dat hij daar als leek nuttig kan zijn. Benoit lijkt hier te suggereren, dat De Gheldere misschien toch nog een priesterroeping zou krijgen door het werk dat hij ter plekke in Engeland deed. De Gheldere zelf was niet van plan priester te worden. (Caesar Gezelle, Karel de Gheldere en Guido Gezelle. In: Biekorf: 28 (1922) p.1-9 ; 25-29 en 53-60. K. de Gheldere zal aanvaard worden als lekenleraar te Manchester, op voorwaarde dat Gezelle zelf eerst gaat.” J. de Muelenaere, Canon Benoit en Gezelle. In: Gezellekroniek: 2 (1964), p.81 e.v.
[12] Zie ook: brief van Pieter Benoit aan Guido Gezelle van 14/03/1861
[13] Het gaat om een kleinseminarie dat in Engeland opgericht moet worden.
[14] normaal is hier ”whatever you are ,..., doing in bringing about more christian education...
[15] handelsactiviteit: evangeliseringswerk in dit gedeelte van Engeland dat momenteel voor het gehele land de toon zet door zijn enorme handelsactiviteiten. Benoit lijkt van oordeel te zijn, dat Algar ook naar Engeland terug zal keren, samen met Gezelle. Algar bleef in West-Vlaanderen, waar hij in 1881 in Roeselare stierf.

Register

Correspondenten

NaamBenoit, Pieter
Datums° Kuurne, 02/11/1820 - ✝ Salford, 05/09/1892
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor; vicaris-generaal; rector
VerblijfplaatsEngeland
BioPieter Benoit was van 1834 tot 1840 leerling aan het kleinseminarie te Roeselare en tot 1842 student aan het grootseminarie te Brugge. Van oktober 1842 tot augustus 1846 was hij klasseleraar van de vijfde Latijnse aan het Duinencollege, annex van het grootseminarie langs de Potterierei, later Sint-Leocollege, waar hij Gezelle nog als leerling heeft gekend. Toen het Duinencollege in oktober 1845 onder de naam Sint-Lodewijkscollege naar de Noordzandstraat in Brugge verhuisde, bleef Benoit in het grootseminarie om zich voor te bereiden op zijn priesterschap. Hij werd op 29 mei 1847 tot priester gewijd en vertrok op 27 september 1847 naar Salford, Manchester. Hij was eerst onderpastoor en later pastoor van de St.-Augustinuskerk te Salford. In 1851 was hij kanunnik-penitencier en secretaris van Mgr. Turner, bisschop van Salford, in 1854 vicaris-generaal en in 1855 grootvicaris van het bisdom Salford. In 1872 volgde hij Herbert Vaughan op als rector van het missiehuis Holcombe House te Mill Hill bij Londen. Voor de Gezellestudie is hij vooral van belang, omdat hij er rond 1860 diverse keren bij Gezelle op aandrong, naar Engeland te komen. Gezelle aarzelde en Benoit schakelde monseigneur Turner in, een goede vriend van de Brugse bisschop Malou. Hij moest Malou ervan overtuigen, dat Gezelle een uitstekende missionaris voor Engeland zou zijn. Faict echter liet Gezelle niet vertrekken, maar stuurde hem samen met Algar naar het Engels College in Brugge (september 1860).
Links[odis]
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; adressenlijst Ons Oud Vlaemsch; correspondent
BronnenBriefwisseling Engelsen; J. De Muelenaere, Canon Pieter Benoit, In: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis Brugge: 105 (1968) 1
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamBenoit, Pieter
Datums° Kuurne, 02/11/1820 - ✝ Salford, 05/09/1892
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor; vicaris-generaal; rector
VerblijfplaatsEngeland
BioPieter Benoit was van 1834 tot 1840 leerling aan het kleinseminarie te Roeselare en tot 1842 student aan het grootseminarie te Brugge. Van oktober 1842 tot augustus 1846 was hij klasseleraar van de vijfde Latijnse aan het Duinencollege, annex van het grootseminarie langs de Potterierei, later Sint-Leocollege, waar hij Gezelle nog als leerling heeft gekend. Toen het Duinencollege in oktober 1845 onder de naam Sint-Lodewijkscollege naar de Noordzandstraat in Brugge verhuisde, bleef Benoit in het grootseminarie om zich voor te bereiden op zijn priesterschap. Hij werd op 29 mei 1847 tot priester gewijd en vertrok op 27 september 1847 naar Salford, Manchester. Hij was eerst onderpastoor en later pastoor van de St.-Augustinuskerk te Salford. In 1851 was hij kanunnik-penitencier en secretaris van Mgr. Turner, bisschop van Salford, in 1854 vicaris-generaal en in 1855 grootvicaris van het bisdom Salford. In 1872 volgde hij Herbert Vaughan op als rector van het missiehuis Holcombe House te Mill Hill bij Londen. Voor de Gezellestudie is hij vooral van belang, omdat hij er rond 1860 diverse keren bij Gezelle op aandrong, naar Engeland te komen. Gezelle aarzelde en Benoit schakelde monseigneur Turner in, een goede vriend van de Brugse bisschop Malou. Hij moest Malou ervan overtuigen, dat Gezelle een uitstekende missionaris voor Engeland zou zijn. Faict echter liet Gezelle niet vertrekken, maar stuurde hem samen met Algar naar het Engels College in Brugge (september 1860).
Links[odis]
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; adressenlijst Ons Oud Vlaemsch; correspondent
BronnenBriefwisseling Engelsen; J. De Muelenaere, Canon Pieter Benoit, In: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis Brugge: 105 (1968) 1

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamSalford (Manchester)

Naam - persoon

NaamAlgar, Joseph Cox
Datums° Hume-Bristol, 12/12/1819 - ✝ Roeselare, 21/12/1881
GeslachtMannelijk
Beroepleraar
VerblijfplaatsEngeland
BioJoseph Algar was de zoon van een vooraanstaande dominee. Hij studeerde theologie aan het Magdalen College te Oxford en behaalde er de graad van Master of Arts. Om gezondheidsredenen moest hij zijn studies staken en werd hij een rondtrekkende privé-leraar. Hij gaf les aan de zonen van de anglicaanse aartsbisschop van Dublin en aan de kinderen van de Engelse ambassadeur in Stockholm. Onder invloed van diens vrouw dacht hij aan bekering tot het katholicisme. Terug in Engeland zocht hij John Henry Newman (1801-1890) op, zelf een bekeerling en toekomstig kardinaal. Die stuurde hem naar Faict, anglofiel en professor aan het grootseminarie te Brugge (1847-'48). Nadat Faict superior was geworden te Roeselare (1849), kwam Algar ook naar het kleinseminarie (april 1850) om er leraar Engels te worden (1851). In 1854 werd hij professor voor de afdeling van de Engelsen. Algar werd er de goede vriend van Gezelle, wie hij raad gaf voor alles wat de Engelse letterkunde betrof. Samen gingen ze te Brugge het Engels College leiden (oktober 1860 - maart 1861). Na de mislukking van dat experiment keerde Algar naar Roeselare terug waar hij tot aan zijn dood verantwoordelijk was voor de Engelse afdeling. Gezelle droeg hem postuum zijn vertaling van Longfellows Song of Hiawatha (1886) op.
Relatie tot Gezellecorrespondent; collega
BronnenBriefwisseling Engelsen
NaamBenoit, Pieter
Datums° Kuurne, 02/11/1820 - ✝ Salford, 05/09/1892
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor; vicaris-generaal; rector
VerblijfplaatsEngeland
BioPieter Benoit was van 1834 tot 1840 leerling aan het kleinseminarie te Roeselare en tot 1842 student aan het grootseminarie te Brugge. Van oktober 1842 tot augustus 1846 was hij klasseleraar van de vijfde Latijnse aan het Duinencollege, annex van het grootseminarie langs de Potterierei, later Sint-Leocollege, waar hij Gezelle nog als leerling heeft gekend. Toen het Duinencollege in oktober 1845 onder de naam Sint-Lodewijkscollege naar de Noordzandstraat in Brugge verhuisde, bleef Benoit in het grootseminarie om zich voor te bereiden op zijn priesterschap. Hij werd op 29 mei 1847 tot priester gewijd en vertrok op 27 september 1847 naar Salford, Manchester. Hij was eerst onderpastoor en later pastoor van de St.-Augustinuskerk te Salford. In 1851 was hij kanunnik-penitencier en secretaris van Mgr. Turner, bisschop van Salford, in 1854 vicaris-generaal en in 1855 grootvicaris van het bisdom Salford. In 1872 volgde hij Herbert Vaughan op als rector van het missiehuis Holcombe House te Mill Hill bij Londen. Voor de Gezellestudie is hij vooral van belang, omdat hij er rond 1860 diverse keren bij Gezelle op aandrong, naar Engeland te komen. Gezelle aarzelde en Benoit schakelde monseigneur Turner in, een goede vriend van de Brugse bisschop Malou. Hij moest Malou ervan overtuigen, dat Gezelle een uitstekende missionaris voor Engeland zou zijn. Faict echter liet Gezelle niet vertrekken, maar stuurde hem samen met Algar naar het Engels College in Brugge (september 1860).
Links[odis]
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; adressenlijst Ons Oud Vlaemsch; correspondent
BronnenBriefwisseling Engelsen; J. De Muelenaere, Canon Pieter Benoit, In: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis Brugge: 105 (1968) 1
NaamDe Gheldere, Karel
Datums° Torhout, 18/08/1838 - ✝ Koekelare, 17/07/1913
GeslachtMannelijk
Beroeparts; dichter
BioKarel De Gheldere was een oud-leerling van Gezelle te Roeselare (poësis 1858-1859). Gezelle schreef een aantal gedichten voor hem waaronder 'Tranen' en ‘Zoo welkom als de bie’ (1859). Na zijn retorica (1859-augustus 1860) volgde De Gheldere een korte periode filosofie aan het kleinseminarie in het schooljaar 1860-1861 met het oog op het priesterschap. Hij verzaakte evenwel aan een priesterroeping en studeerde vanaf januari 1861 geneeskunde te Leuven, waar hij in 1865 met onderscheiding afstudeerde. Hij vestigde zich als arts in Koekelare. Hij was een levenslange vriend van Gezelle, die een aantal van zijn gedichten aan hem heeft opgedragen. Zelf publiceerde hij de dichtbundels Jongelingsgedichten (1861), Landliederen (1883) en Rozeliederen (1893). In de Landliederen komt een wisselgedicht met Gezelle op de nachtegaal voor. Hij was corresponderend (1889) en werkend lid (1892) van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; zanter (WDT); lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; gedichten
BronnenH. Verriest, Twintig Vlaamsche koppen. Leuven, 19234, p.30-49; R. Seys, De dichter van de rozen. Koekelare. 1958 R. Seys, Dr. Karel de Gheldere. Wat land- en rozeliederen. In: VWS-Cahiers: 2 (1967) 8.
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamGrant, Thomas
Datums° Ligny-les-Aires, 25/11/1816 - ✝ Rome, 01/06/1870
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; secretaris; vicerector; rector; bisschop
VerblijfplaatsFrankrijk; Engeland; Rome
BioThomas Grant was de zoon van Bernard Grant en Ann Mac Gowan. Hij verloor als kind zijn moeder en werd daardoor opgevoed door priester Dr. Briggs te Chester. In januari 1829 ging hij naar het St. Cuthbert's College, Ushaw. Eind 1836, tijdens zijn tweede jaar filosofie, ging hij naar het Engels college te Rome (01/12/1836), waar Nicholas Wiseman rector was. Hij ontving de tonsuur (25/11/1837) en de lagere orden (26/11/1837). Hij werd subdiaken ( 14/11/1841 ), diaken (21/11/1841) en priester op 28/11/1841. Kort daarna werd hij secretaris van kardinaal Acton (tot 1847). Grant beheerste vlot het Latijn, Frans en Italiaans. Zo werd hij de gids van Frederick Faber bij zijn bezoek aan Rome in 1843. Op 13/04/1844 werd hij vicerector en op 13/10/1844 rector van het Engels college te Rome. Hij werd afgevaardigde te Rome voor de reorganisatie van het Engelse episcopaat. Op 16/06/1851 werd hij tot aan zijn dood de eerste bisschop van het bisdom Southwark (Londen-Zuid). Gezelle kwam met hem in contact bij de opname in de Roomse Kerk van een Engelse leerling van wie Gezelle de geestelijke leider was en die hij op het doopsel voorbereid had. Algar verzekerde Grant dat Gezelle een excellente missionaris zou zijn. Gezelle liet Grant zelf een verzoek schrijven aan bisschop Joannes Malou, met wie Grant bevriend werd na hun ontmoeting tijdens de dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis in december 1854.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenBriefwisseling Engelsen; J. de Mûelenaere, Engeland, Gezelles droom. In: Biekorf: 80 (1980), p.301 e.v
NaamMalou, Joannes Baptista
Datums° leper, 30/06/1809 - ✝ Brugge, 23/03/1864
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; hoogleraar; bibliothecaris; ere-kanunnik; bisschop
BioJean-Baptiste (Joannes) Malou was de zoon van Joannes-Baptista Malou, handelaar, en Maria-Theresia-Xaveria Van den Peereboom. Hij werd tot priester gewijd te Rome op 02/11/1834. Op 06/05/1835 werd hij doctor in de theologie en in oktober 1837 hoogleraar dogmatische godgeleerdheid te Leuven. Vanaf 1838 was hij ook bibliothecaris van de universiteit. Op 09/09/1840 werd hij erekanunnik van de kathedraal te Brugge. Op 11/12/1848 werd hij tot bisschop van Brugge benoemd, hoewel er enig verzet was wegens zijn ultramontanisme. Op 01/10/1849 werd hij tot bisschop van Brugge gewijd. Hij bleef dit tot aan zijn dood. In 1854 wijdde hij Gezelle tot priester. Hij benoemde Gezelle tot leraar te Roeselare en riep hem naar Brugge om het Engels college te leiden en daarna te doceren aan het Engels Seminarie.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenBriefwisseling Engelsen
NaamTurner, William
Datums° Wittingham, 25/09/1799 - ✝ Salford, 25/09/1872
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; prelaat; schooldirecteur; vicaris-generaal; bisschop
VerblijfplaatsEngeland
BioOp 2 september 1815 begon William Turner zijn opleiding als priester aan het St. Cuthbert's College, Ushaw. Op 3 november 1820 ging hij verder studeren aan het Engels College te Rome. Hij ontving er zijn priesterwijding op 17 december 1825. Op 9 oktober 1826 ging hij aan de slag in de arme parochies van Manchester. Hij werd er vicaris-generaal en principaal van St Chad's (1835-1842) en St Augustine's (1842-1853). Op 27 juni 1851 werd hij de eerste bisschop van Salford. Hij werd op 25 juli 1851 tot bisschop gewijd door Nicholas Wiseman in de kathedraal van Salford. Als bisschop had hij af te rekenen met vele problemen waaronder de immigratie van katholieke Ieren na de mislukte aardappeloogst. Veel van zijn priesters stierven na de verzorging van de vele zieken. Ondanks de vele tegenslagen slaagde Turner er in zijn bisdom te doen bloeien.
Links[wikipedia]

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamLeuven
GemeenteLeuven
NaamRoeselare
GemeenteRoeselare
NaamSalford (Manchester)

Titel27/07/1860, Salford (Manchester), Pieter Benoit aan [Guido Gezelle]
EditeurStefaan Maes; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2022
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
VerzenderBenoit, Pieter
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum27/07/1860
VerzendingsplaatsSalford (Manchester)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van de aanhef.
Gepubliceerd inGezelle en het Engels College / door A. Viaene. - in : Biekorf. - Jrg. 51 (1950), p.131
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, 181x115
wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden papiermerk: London Superfine
watermerk: A. Pirie & Sons 1860
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief4023
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|10339
Inhoud
IncipitI had to wait in Bruges a day
Tekstsoortbrief
TalenEngels
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.