Nolet heeft herantwoord te Brussel in de Acad. aan Willems.[1]
Volgens citaten uit brieven die hij kortelinge ontvangen heeft van De Vries, VHelten, Alb. Thijm zijn deze tegen ons. Nooit en moeten wij hopen volgens De Vries één onzer woorden in de Nederlandsche (!!) taal te zien aanveerden.
Alb. Th. schrijft mij dat hij in zijn opstel aan Nolet "onze onmiskenbare rechten verdedigd" heeft.[2] Nolet is gewoon van trouweloos te werke te gaan. Wij zouden dus zeer geerne de brieven hebben die gij van Hollanders[3] ontvangen hebt nopens uwe poogingen om 't westvlaamsch te doen leven.
Zoudt gij niet willen aan Alb. Th. schrijven en een brief van zijnentwege provoqueeren op eene slimme wijze waaruit wij misschien 't een of 't ander zouden rapen. Nolet zegt aldus:
"Il n'est pas jusqu'à notre savant associé, M. Alb. Thijm, qui ne m'écrive: "Je ne termine pasp2cette lettre sans vous remercier du grand plaisir que m'a procuré la lecture de vos deux études; dans lesquelles il y a bien des choses que Mr De Bo et Gezelle pourront mettre à profit."
Entendre dire cela par un abonné de Rond den Heerd, voilà, pour des particularistes, une particularité particulièrement désagréable, une véritable male-chance." Aldus Nolet.[4]
Tracht die gevraagde dingen gauw te doen, en zendt mij woensdag met Eug. VDamme de verzameling uwer brieven waarvan sprakep3is hooger. - Gij moogt gerust zijn dat ze u met den eerste getrouwig zullen weder besteld worden.
Papa zegt dat Juliaan den Apotheker[6] van de Vrijheid van Zondag laatst, van u komt, en dat hij u zal hebben! de eerste keer dat hij u ziet.







