<Resultaat 352 van 1594

>

p1
Eerweerde en hoog geachte Heer!

Voor uwen grooten, vriendeliken, mij hoogst aangenamen brief[1] en waaruit mij ten dudeliksten de mij vereerende belangstelling bleek, die Gij wel voor mijn werk wilt koesteren, zeg ik U mijn‘ herteliksten dank. Tevens ook, in niet mindere mate, voor de twee vruchten[2] van uwen geest die Gij me daar bij ten geschenke hebt gezonden. Onnoodig te zeggen, hoe welkom me die waren! Met uwe keurige, geestrike kleengedichtjens heb ik met het grootste genoegen kennis gemaakt. Uw schrandere geest, uw liefelik gemoed stralen mij, slag op slag, uit die regels, te gemoet. Mijn jongen leert ze al van buiten - echter niet allen. Als volbloed-Geus[3] gelijk ik ben, acht ik sommigen van die gedichtjens voor mijn kind ongeschikt. Dat ik volbloed-Geus ben, ja, in uw oog allicht een nieuerwetsche heiden, schrijf ik U met opzet. Me dunkt, dat ik U daarvan niet en mach onkundig laten, als eerlik man. Zoo U dit evenwel niet al te veel ergernis geeft, zoo het U evenwel niet en verhin-p2dert mij in vriendschappelike genegenheid te bliven gedenken (en dat doet het immers niet?) - ik van mijn kant reike U volgeerne, over zoo veel wat ons scheidt, henen, de vrienden- ja, de broederhand. Er is ja toch zoo veel, zoo veel wat ons bindt, de liefde voor onze schoone volkstaal, 't zij dan vlaamsch, 't zij dan friesch, onze afkeer van alle nieue hollandsche spraakdwang, onze begeestering voor alles wat volks-eigendom is! In der daad, zoo veel! en ook zekerlik nog veel meer, 't welk bij nader verkeer wel zal bliken, en nog veel meer bliken zou indien we elkander ook persoonlik eens in de trouwe oogen kosten blikken of in 't oprechte, eenvoudige herte kosten lezen! Dus laat ons de scheiding niet gedenken. Gij weet nu wat ik ben - - zie hier, eerweerde en hoog geschatte, op nieu m'n hand tot teeken van hertelike genegenheid.

Velen uwer uitstapjes in de warande had ik vroeger reeds, in d'oude jaargangen van R. d. H. met groot genoegen gelezen[4] Maar niet allen - omdat ik alle oude jaargangen van dat weekblad niet bezit. Met d'ontbrekenden maakte ik nu, met zoo veel te meer genoegen, in dezen uwen bundel, kennis. Ook daarvoor m'n besten dank!

En nu de nadere beantwoording van uwen brief: punt voor punt. Dat Gij, in mijn opstel "Friesland over de grenzen"[5] U juist voeldet aan-p3getrokken door wat ik daarin meedeelde aangaande de oorijzers[6] der Friesinnen, doet mij hoopen dat ik van U eenige nadere verklaringen zal vernemen aangaande de oorijzers in Vlaanderen[7] dat ik door uwe bemiddeling een zake op 't spoor zal komen, waarna ik reeds lange gezocht heb. -

De friesche kleederdracht in het algemeen, maar het oorijzer der Friesinnen in het bizonder heeft reeds sedert lange, ja reeds van mijn kindsche jaren af, sterk mijne opmerkzaamheid getrokken. De vruchten van mijn onderzoek in deze zaak verzamelde ik in een opstel dat ik schreef, en onder den titel: "Het oorijzer", plaatste in het tijdschrift "De oude tijd", jaargang van 1871[8] Geerne zond ik U een afdruk van dat opstel. Maar ik en heb geen een meer daar van. De vrouwen in mijne verwantschap en van mijne vrienden, allen Friesinnen met het oorijzer gekapt, waren er zoo fel op; ik heb ze allen moeten weg geven, - en dat ook geerne gedaan. Een ander opstel echter over de kleederdracht der Friesinnen, en dat niet uitsluitend over het oorijzer handelt, schreef ik nog later.[9] Een afdruk daarvan[10] met nog enkele andere overdrukjes[11] waarvan ik hoop dat ze U niet onwelkom zullen zijn, gaat hiernevens. Uit vriendeliker herten bied ik U 't een met 't ander aan.

Ge schreeft in uwen brief[12] van "de ooryzers der Sinte-kruusche, ja, der Brugsche vrouwen". Droegen de vrouwen van Sint-Kruus[13] (en van de andere noord- of zeeuwsch-vlaamsche dorpen?), en zelfs die van Brugge in uwe jeugd (hoe lange p4is dat geleden?) dan nog oorijzers? En hoe zagen die er uit? Welken vorm hadden ze? Waren ze van goud of van zilver, van koper of van ijzer? Zoudt Gij mij een beschriving van dat vlaamsche oorijzerkapsel kunnen geven? Door mij een antwoord op deze vragen te geven, zult Gij mij een bizonder groot genoegen doen. Ik heb de oorijzers niet verder kunnen vinden dan tot aan de Westerschelde - ja, ook nog bezuiden die rivier, in 't zoogenoemde Land van Axel[14] Maar dat men ze ook nog draagt of droeg in Vlaanderen bewesten de Braakman[15] en zelfs te Brugge, is voor mij hoogst belangrijk nieus.

Dat er onder de saksische kerels, die de voorouders der hedendaagsche West-Vlamingen waren, en die (door Karel den Grooten?) van de Weser[16] naar de Schelde, de IJser en de Leie verplaatst werden[17] ook Friezen geweest zijn, heb ik reeds lange bevroed[18] ook al om dat de geslachtsnaam De Vriese[19] en De Vreese zoo talrijk is in uw land. De stamvaders van hen, die heden ten dage in Vlaanderen den geslachtsnaam De Vriese, enz. dragen, waren zonder eenigen twijfel Friezen. En dus vloeit er ook in uwe aderen friesch bloed! Kon ik zelve eens gedurende eenigen tijd het westvlaamsche volk zien en spreken en in zijn eigenaardigheden bestudeeren, ik en twijfel geens zins of ik zou ook een "Friesland over de grenzen" vinden, zuidwestwaarts van hier over de Schelde. -

Zie hier, in afschrift wat ik plaatste in 't Korrespondenzblatt[20] Loquela betreffende: p5p2"Loquela (.) ist der Name einer neuen Monatsschrift, die der Erforschung der flämisch-niederdeutschen Sprache im Allgemeinen, der westflämischen Mundart im Besonderen, gewidmet ist. Die heutige Westflämische Volkssprache entstammt der alten, schönen und hochgebildeten Schriftsprache der mittelalterlichen Blütezeit Flanderns, als Brügge und Gent die ersten, die vornehmsten und reichsten Handels- und Industrie-Städte des nordwestlichen Europas waren. Sie hat noch fast ganz das alte Gepräge der mittelalterlichen Sprache Flanderns beibehalten und ist überreich an alten, sonst in den niederländischen Mundarten schon ausgestorbenen Wörtern. Auch ist sie unbedingt die schönste und wohlklingendste aller neuen niederländischen Mundarten. Um so belangreicher muss das Studium dieser westflämischen Mundart, deren Gebiet sich auch auf die äusserste nordwestliche Ecke Frankreichs, auf die Gegend von Dünkirch, Hasebroek, Rijssel und St-Omars erstreckt, dem niederdeutschen Sprachforscher sein. In den zehn[21] seit Mai 1881 erschienenen, je 8 Seiten umfassenden Blättern Loquelas sind denn auch schon viele interessante Sachen erörtert worden. Nach dem Muster der holländischen Zeitschrift De Navorscher und unseres Korrespondenzblattes ist in Loquela Gelegenheit gegeben, einschlagende Anfragen zu stellen und die gegebenen Antworten zu veröffentlichen.

"Die Redaction ist in den besten Händen, nämlich der Herren Guido Gezelle, des bekannten


(.) Nach dem Evangelium Sancti Matthaei, XXVI, 73: Loquela tua manifestum te facit.[22]p6 westflämischen Sprachforschers und Dichters; L. L. de Bo, des gelehrten Verfassers des "Westvlaamschen Idioticon"; Dr. Karel de Gheldere van Hondtswalle und Prof. Dr. Gustaaf Verriest.

Loquela erscheint monatlich im Verlag von Julius de Meester, zu Rousselaere, provinz West-Flandern, Belgien, und kostet jährlich nur 2 1/2 Frank. Die Adresse der Redaction ist: Loquela, In de Handboogstrate 19, zu Kortrijk, West-Flandern, Belgien.

Den Mitgliedern unseres Vereins sei Loquela bestens empfohlen.

Haarlem. Johan Winkler.

(Aldus in: Korrespondenzblatt des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung. Jahrgang VI. No 7. bladzijde 73.)[23]

Zoo Gij lid wenscht te worden van het niederdeutsche Sprachverein[24] kan ik U dat ten sterksten aanbevelen. Gij, als geleerde Vlaming, zult den medeleden allen op 't hertelikste welkom zijn. Het is een vereeniging van wetenschappelike, ernstige en deftige mannen die onze algemeene nederduitsche[25] of dietsche[26] moedertaal bevorderen. Gij hebt U met uwen wensch en uw adres slechts te wenden tot den heer Dr. W. H. Mielck, in de Dammtorstrasse. 27, te Hamburg. De heer Mielck is een mijner bizondere vrienden, in alle opzichten een deftig en achtbaar man. Het "Verein" beweegt zich uitsluitend op taalkundig gebied; alle geschillen van godsdienstigen of staatkundigen aard zijn geweerd. Het lidmaatschap kost U jaarliks slechts 5 Mark, dat is 6 Franken; daarvoor ontvangt Ge het Korrespondenzblatt (om de 4 of 6 weken een nummer van 8 of 16 bladzijden), jaarliks een groot "Jahrbuch"[27] met verschillende belangrijke p7taalgeleerde opstellen daarin; en verder alle jaren een middeleeusch, door ons genootschap heruitgegeven, in taalkundig opzicht belangrijk nederduitsch werk, of een woordenboek van de een of andere nederduitsche gouspraak[28] (dialect); alles franco per post. U toegezonden, en alles veel meer dan 6 frankskes weerd. Bovendien kunt Gij dan alle jaren vrijelik deelnemen aan onze jaarlijksche openbare bijeenkomsten, in de Pinksterweek, in de een of de andere stad van noordelik Duitschland, alle jaren verwisselende. -

Van Taco de Beer's Onze Volkstaal is nummer 1 reeds in 't licht gekomen[29] Onder ons gezeid: "het is niet veel bizonders! Integendeel! Het is een prul, naar mijne meening, een doodgeboren kindje, de kennismaking niet weerd. T. de B., een oprechte hollandsche Schoolmeester, van de stamme Judae, is geenszins bekwaam voor zulk een zake; de namen der hooggeleerde heeren professoren, enz. op den titel, zijn maar lokvinken. Ze zullen zich verder met T. d. B.'s werk wel niet bemoeien; - en ik ook niet.

Zoo! hebben mijne geernaarts[30] U deugd gedaan? Dat verheugt me. Ja, ik blive bij m'n meening, wat d'oorsprong dezer benaming van "geeren" betreft. Zoo er ooit eenig gedierte is, dat een gierende[31] beweging maakt, 't is onze geernaart, onverschillig of ze in zoet, dan wel in zout water zwemt en leeft. Ik heb, als knaap, honderde malen zoetwater-garnalen, levende, in een goudvischglas gehad. Ge hebt toch wel een krabbe (cancer) aan 't strand zien loopen, al gierende, met rukken, op zij uit en achterwaarts, zige-zage, zooals wij kinders zegden. Juist zoo, en nog sterker gierende, zwemt de garnaat. Eerst krabbelt hij wat met z'n pootjes in 't water langzaam voor uit, dan schiet hij op eens, met een plotselinge ruk, half links p8of half rechts, schuins naar boven of schuins naar beneden, voor- of achterwaarts voort. Als dat geen gieren is, dan versta ik m'n moeders tale niet meer. Van "garen" (filum[32]) en kan de naam geernaart niet komen. Waarom niet? "Filum" is in 't friesch jern, men spreekt uit jen, overeenkomende met het engelsche yarn; zoo 't vlaamsche geernaart van 't woord geren of garen kwam, dat woord moest in 't friesch jernaart zijn; niettemin is 't garnaat of garnaal, met een g als in 't vlaamsch. -

Dat de Gazette van Kortrijk[33] eenige regels uit mijn opstel over de garnaart uit R. d. H. had overgenomen, bleek me. Ik kreeg namelik met de post een nummer van dat blad toegezonden. Het adres was niet van uwe hand. Ware 't dat geweest, ik zou er U voor bedankt hebben.

Ik moet uwe vergiffenis inroepen voor dezen slordig geschrevenen brief. Het is in der haast gedaan, ik ben zoo overlast met werk.

Ontvang nu nog mijnen herhaalden dank nevens mijne hertelikste groete en de betuging mijner hoogachting.

Vergun me ook nog m'n wensch uit te spreken dat ik van U een antwoord op mijne vrage naar de vlaamsche oorijzers mag ontvangen.

Met een trouen handdruk
Uw
Johan Winkler.

Noten

[2] Gezelle stuurde Winkler: 1) Driemaal XXXIII kleengedichtjes mitsgaders een deel rijmreken, nageldeuntjes, sparkelingen en diergelijk gestrooi. Roeselare: J. De Meester, 1881. En 2) Uitstap in de warande. Roeselare: J. De Meester, 1882.
[3] ’Geus’ werd in de Lage Landen gebruikt als spotnaam voor een protestants persoon. De naam ontstond in de 16e eeuw en is afgeleid van het Franse scheldwoord ‘gueux‘ (armoedzaaiers, bedelaars) dat in die periode gebruikt werd om niet-Spaansgezinden aan te duiden. De niet-Spaansgezinden hebben zich het woord vervolgens toegeëigend en geherinterpreteerd als erenaam (’geuzennaam’) voor het verzet tegen de Katholieke Spanjaarden.
[4] Guido Gezelle schreef Uitstap in de Warande als een originele artikelenreeks voor Rond den Heerd in 1866-1867. Het ging telkens om een beschrijving van een dier of een plant rondom een illustratie. Vanaf 1882 werd de reeks ook afzonderlijk uitgegeven.
[5] J. Winkler, Friesland over de grenzen. In: De Tijdspiegel 39 (1882). In zijn opstel legt Winkler uit dat de naam ”Friesland” niet enkel van toepassing is op de provincie Friesland zelf, maar ook op andere gebieden in Nederland en Duitsland. Hij vertelt over de evolutie van dit verwantschap doorheen de geschiedenis. De overdruk is aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle (nr.: GGB 1065).
[6] Onderdeel van de vrouwelijke hoofdtooi in de noordelijke provincies van Nederland en Zeeland. Oorspronkelijk werd deze metalen beugel voor rond het hoofd gebruikt om mutsen of haar op de plaats te houden, maar uiteindelijk groeide het uit tot pronkstuk. Het kreeg de naam ’oorijzer’ doordat het vaak enkel zichtbaar was ter hoogte van de oren. In de 19e eeuw was het oorijzer een kenmerkend onderdeel van de Friese streekdracht. Ook in Vlaanderen werden oorijzers gedragen, doch bescheidener, waaronder in Brugge, waar Gezelle ze opmerkte.
[7] In zijn vorige brief (07/03/1882, Kortrijk) vertelde Gezelle over hoe hij als kind de oorijzers van de Brugse vrouwen bewonderde.
[8] J. Winkler, Het oorijzer. In: De oude tijd: 1871, p. 139-148. In dit opstel gaf Winkler aan niet zeker te weten of het oorijzer ook in Vlaanderen werd gedragen, maar hij achtte dit wel mogelijk op basis van de algemene vaststelling dat bewoners van de Vlaamse zeekust wel vaker uiterlijke kenmerken vertonen van hun (gemengd) Friese afkomst.
[9] J. Winkler, Eenige bijzonderheden aangaande de kleederdracht der Friesinnen. In: De Vrije Fries: (1881) p. 1-40. In dit opstel tracht Winkler aan de hand van enkele uiterlijke kenmerken, waaronder het oorijzer, te wijzen op de eenheid van het Friese volk in de Nederlandse en Duitse gebieden.
[10] De overdruk is nu nog aanwezig in Gezelles handbibliotheek in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge (GGB 1059).
[11] Er zitten nu nog een dertigtal werken van Winkler in Gezelles handbibliotheek waaronder een groot aantal overdrukken.
[13] Sint-Kruis is een plaats in West-Vlaanderen, gelegen ten oosten van de historische binnenstad van Brugge. Sinds 1971 is het een officiële Brugse deelgemeente.
[14] Het Land van Axel is een deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. Het omvat de plaatsen Axel, Zaamslag, Terneuzen en Hoek. Door de ligging op het eiland en de gebeurtenissen tijdens de Tachtigjarige Oorlog heeft het Land van Axel een andere geschiedenis en cultuur dan de rest van Zeeuws-Vlaanderen, wat onder andere zichtbaar is aan de specifieke traditionele klederdracht: vleugels boven de schouders, kanten trekmuts, spiraalvormige gouden krullen met strik, etc. Deze klederdracht wordt intussen alleen nog gedragen door folkloregroepen.
[15] Voormalige zeearm van de Westerschelde die lang een natuurlijke barrière vormde tussen West- en Oost-Zeeuws-Vlaanderen.
[16] De grootste rivier die in Duitsland begint en eindigt.
[17] Karel De Grote gebruikte regelmatig deze tactiek om opstandige volkeren te straffen. Door hen te deporteren naar een andere regio binnen zijn rijk, zorgde hij ervoor dat deze volkeren niet meer in opstand konden komen.
[18] vermoeden
[19] In zijn laatste brief (07/03/1882, Kortrijk) vermeldde Gezelle dat zijn moeder de familienaam ”Devriese” had.
[20] In zijn laatste brief (07/03/1882, Kortrijk) bedankte Gezelle Winkler voor de aanbevelingen van Loquela in De Navorscher en in het Korrespondenzblatt des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung. Hij ging ervan uit de Navorscher wel ergens te kunnen vinden, maar betwijfelde of hij aan het Korrespondenzblatt zou kunnen geraken.
[21] In de oorspronkelijke publicatie schreef Winkler ’sechs’, het aantal nummers van Loquela dat toen verschenen was.
[22] De zinspreuk van Loquela: ”uwe spraak maakt u openbaar”
[23] J. Winkler, Loquela. In: Korrespondenzblatt des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung: 6 (1881) 7, p.73-74
[24] In zijn laatste brief (07/03/1881, Kortrijk) toonde Gezelle interesse om lid te worden: ”wist ik hoeveel gekost en hoe ingeschreven, ik en zou ze voortaan, noch kunnen noch willen missen”. Uiteindelijk wijst echter niets erop dat Gezelle lid was van deze vereniging.
[25] Nederduits is een verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse dialecten die niet onderhevig waren aan de Hoogduitse klankverschuiving (tweede Germaanse klankverschuiving die plaatsvond tussen de 3e eeuw en 9e eeuw) en die in het noorden van Duitsland en in Nederland gesproken werden.
[26] Diets is de overkoepelende benaming voor de Middelnederlandse regio-talen die geschreven en gedrukt werden tussen ca. 1200 en ca. 1550
[27] Het Jaarboek van de Verein für niederduitsche Sprachforschung verscheen voor de eerste keer in 1875 als wetenschappelijk publicatieorgaan van de vereniging. Het heeft als voornaamste onderwerpen middeleeuwse en moderne literatuur, historisch taalkundig onderzoek en moderne taalkunde.
[28] een ’gouw’ is een landstreek
[29] In zijn laatste brief (07/03/1882, Kortrijk) vroeg Gezelle zich af wat er zou komen van de Beers ”Onze Volkstaal”: ”Zou 't gemeend en recht gemeend zyn, 't gene zy beloven, die Heeren, en zouden wy, eindelyk, als meêgerechtigd in den dietschen taaleigendom komen te gelden?”
[30] J. Winkler, Taalkunde van de Vlaamsche, Hollandsche en Friesche vischmarkt. In: Rond den Heerd: 17 (22 januari 1882) 9, p. 65-67. Dit was een reactie op een opstel uit de vorige jaargang: D., Geernare en garnaal. In: Rond den Heerd: 16 (6 november 1881) 50, p. 397. In zijn opstel verklaarde Winkler dat het Vlaamse geernare, het Hollandse garnaal en het Friese garnaat allen afkomstig zijn van hetzelfde oorspronkelijke woord: geernaart of garnaart.
[31] heen-en-weerschommelende
[32] draad
[33] Gezelle publiceerde de passage waarin Winkler uithaalt tegen de Vlamingen die zich naar het Hollands richten in de Gazette van Kortrijk van 25/02/1882, in het artikel ”Iets over Westvlaamsch”.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamDe Beer, Taco Hajo; Taco
Datums° Maarseveen, 18/11/1838 - ✝ s Gravenhage, 12/09/1923
GeslachtMannelijk
Beroepredacteur; schrijver; leraar; vertaler
VerblijfplaatsNederland
BioTaco Hajo de Beer schreef tussen 1855 en 1867 onder het pseudoniem ‘Taco’ voor verschillende bladen, novellen, studiën en kritieken, en sinds 1877 was hij leraar aan de Hogeburgerschool te Amsterdam. Hij publiceerde verschillende bloemlezingen en was ook vertaler. De Beer was ook stichter van verscheidene tijdschriften, waaronder “Noord en Zuid” (1876) en "De Amsterdammer” (1878). Vanaf 1882 tot 1890 was hij hoofdredacteur van “Onze Volkstaal: Tijdschrift gewijd aan de Studie der Nederlandsche Tongvallen”, met als doel om een wetenschappelijk verantwoorde dialectstudie op te zetten om een algemeen Nederlands idioticon te bekomen. Het tijdschrift verscheen echter zeer onregelmatig: in 1882, in 1885 en de laatste keer in 1890. In 1902 werd de Beer buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor de Taal- en Letterkunde.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamDe Bo, Leonard Lodewijk
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/071873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenBriefwisseling Engelsen
NaamDe Gheldere, Karel
Datums° Torhout, 18/08/1838 - ✝ Koekelare, 17/07/1913
GeslachtMannelijk
Beroeparts; dichter
BioKarel De Gheldere was een oud-leerling van Gezelle te Roeselare (poësis 1858-1859). Gezelle schreef een aantal gedichten voor hem waaronder 'Tranen' en ‘Zoo welkom als de bie’ (1859). Na zijn retorica (1859-augustus 1860) volgde De Gheldere een korte periode filosofie aan het kleinseminarie in het schooljaar 1860-1861 met het oog op het priesterschap. Hij verzaakte evenwel aan een priesterroeping en studeerde vanaf januari 1861 geneeskunde te Leuven, waar hij in 1865 met onderscheiding afstudeerde. Hij vestigde zich als arts in Koekelare. Hij was een levenslange vriend van Gezelle, die een aantal van zijn gedichten aan hem heeft opgedragen. Zelf publiceerde hij de dichtbundels Jongelingsgedichten (1861), Landliederen (1883) en Rozeliederen (1893). In de Landliederen komt een wisselgedicht met Gezelle op de nachtegaal voor. Hij was corresponderend (1889) en werkend lid (1892) van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; zanter (WDT); lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; gedichten
BronnenH. Verriest, Twintig Vlaamsche koppen. Leuven, 19234, p.30-49; R. Seys, De dichter van de rozen. Koekelare. 1958 R. Seys, Dr. Karel de Gheldere. Wat land- en rozeliederen. In: VWS-Cahiers: 2 (1967) 8.
NaamDe Meester, Jules
Datums° Roeselare, 04/01/1857 - ✝ Wetteren, 06/02/1933
GeslachtMannelijk
Beroepdrukker; uitgever
BioJules De Meester was de zoon van een schoenmaker. Hij vestigde zich in 1877 als boekhandelaar en later ook als uitgever in de Zuidstraat te Roeselare, vlakbij het kleinseminarie. Katholiek en Vlaams was zijn handelsmerk. Hij werd een belangrijke drukker van Guido Gezelle. Samen met de Leuvense boekhandelaar en drukker Karel Fonteyn gaf hij in 1878-1880 vier delen uit van het Verzameld Dichtwerk van Gezelle, en een tweede uitgave van het verzameld werk in 1892-1893. Hij was ook de uitgever van het taalkundige tijdschrift Loquela.
Relatie tot Gezellecorrespondent; drukker werk Gezelle
Bronnen http://users.skynet.be/sb176943/AndriesVandenAbeele/druk_gezelle.htm ;
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVerriest, Gustaaf
Datums° Deerlijk, 19/05/1843 - ✝ St. Cloud, Parijs, 25/06/1918
GeslachtMannelijk
Beroeparts
BioGustaaf Verriest was pas 10 jaar oud toen hij ingeschreven werd in het pensionaat van het kleinseminarie te Roeselare. Hij was dan ook de jongste van Gezelles poësisklas in het schooljaar 1858-1859. De levenslang aangehouden briefwisseling en de talrijke gedichten van Gezelle voor Gustaaf getuigen van een bijzonder nauwe band tussen de jonge, nog wat kinderlijke leerling en zijn leraar. Ook de familie Verriest had een grote genegenheid voor Gezelle, die nog met de oudste zoon Adolf gestudeerd had. Hoe licht is toch die sparke vier (07/08/1858) is geschreven naar aanleiding van een nachtmerrie van Gustaaf, maar tevens opgedragen aan zijn oudere broer Hugo Verriest en Eugeen Van Oye. Waarom en kunnen wij niet (04/01/1859) Brief (12/01/1859), O vriend wat schaadt of baat het ons, (02/02/1859) en Nu of nooit! (02/02/1859) zijn persoonlijk gericht aan Gustaaf Verriest. Gezelle wou hiermee de jongen steunen die een mogelijke priesterroeping ernstig nam en naar aanleiding daarvan worstelde met een sterk besef van zwakte en zondigheid. Uiteindelijk besloot Verriest geneeskunde te studeren, eerst in Leuven en later in Wenen. Hij was dokter in Wervik van 1869 tot 1873 en trok daarna naar Duitsland om er verder te studeren. Vanaf 1876 werd hij professor aan de K.U. Leuven tot 1911. Na Gezelles dood ging hij op zoek naar een wetenschappelijke verklaring voor het dichterlijke genie van zijn oud-leraar.
Relatie tot Gezellecorrespondent; gelegenheidsgedichten; oud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity
BronnenBriefwisseling Engelsen
NaamWinkler, Andries J.
Datums° Leeuwarden, 03/02/1866 - ✝ Haarlem, 06/08/1914
GeslachtMannelijk
Beroepsecretaris-penningmeester
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioAndries Winkler werd geboren als de zoon van arts en dialectoloog Johan Winkler en Andrieske Tjallings Römer. Zijn moeder stierf enkele dagen na zijn geboorte op 10 februari 1866 op 27-jarige leeftijd. Andries Winkler was Secretaris-Penningmeester te Haarlem. Hij trouwde met Alida van Blaarden op 19 juli 1897 en ze kregen samen vier kinderen: Johan Winkler (6 oktober 1898), Hendrik Winkler, (13 mei 1903), Andries Laurens Winkler (18 januari 1905) en Gerrit Willem Winkler (27 mei 1907). Andries Winkler beroofde zichzelf van het leven in 1914.
Relatie tot Gezellecorrespondent
Bronnen https://www.openarch.nl/frl:922bef2f-2441-7167-4a1e-a72d41550152
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamDe Grote, Karel
Datums° 02/04/747 (of 748) - ✝ Aken, 28/01/814
GeslachtMannelijk
Beroepkoning der Franken; keizer van het Roomse Rijk
BioKarel de Grote, afkomstig uit het geslacht der Karolingen, werd als zoon van Pepijn de Korte en kleinzoon van Karel Martel geboren op 2 april 747 of 748. Hij volgde zijn vader op als koning der Franken bij diens dood in 768, en aan het einde van het jaar 800 werd hij keizer van het Roomse Rijk. Karel de Grote staat sinds de middeleeuwen bekend als een van de belangrijkste heersers van West-Europa. Het Frankische Rijk kende onder zijn bestuur haar grootste omvang, met een gebied dat zich uitstrekte van Noord-Duitsland tot Zuid-Italië en van Bretagne tot het huidige Oostenrijk. Zijn bewind wordt verder gekenmerkt door een grote aandacht voor cultuur, in deze context spreekt men vaak over de Karolingische Renaissance. Ook op andere vlakken zette hij een vernieuwende stempel, zoals de rechtspraak, de economie en de relatie tussen Kerk en Staat. Zowel Duitsland als Frankrijk beschouwen de heerschappij van Karel de Grote als het begin van hun nationale geschiedenis. De Keizer stierf op 28 januari 814 in Aken.
Links[wikipedia]
NaamMielck, Wilhelm Hildermar
Datums° Hamburg, 17/10/1840 - ✝ Hamburg, 16/03/1896
GeslachtMannelijk
Beroepapotheker; taalkundige
VerblijfplaatsDuitsland
BioDe Duitse Wilhelm Hildemar Mielck was een apotheker en taalkundige. Hij was een van de oprichters van het Verein für niederdeutsche Sprachforschung (VndS) in 1874 en was vanaf 1875 tot aan zijn dood redacteur van het “Korrespondenzblatt des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung”. Hij focuste zich onder meer op het Hamburgse dialect en de studie van volksliederen.
Links[wikipedia]

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamDuinkerke
NaamGent
GemeenteGent
NaamHazebroek (Hazebrouck)
NaamKortrijk
GemeenteKortrijk
NaamRijsel (Lille)
NaamRoeselare
GemeenteRoeselare
NaamSint-Kruis
GemeenteBrugge
NaamHaarlem
NaamHamburg
NaamSaint-Omer

Naam - instituut/vereniging

NaamVerein für niederdeutsche Sprachverein
BeschrijvingHet Verein für niederdeutsche Sprachforschung (VndS) werd in 1874 in Hamburg opgericht als een van de eerste taalverenigingen in Duitsland. Deze periode werd gekenmerkt door een opkomende algemene belangstelling voor taalkundig en taalhistorisch onderzoek, waarin ook de dialectologie steeds meer aandacht kreeg. Het doel van de vereniging was om de Nederduitse taal uit het verleden en het heden in al zijn taalkundige en culturele diversiteit te onderzoeken. De vereniging werkte vanaf het begin samen met de Hansischen Geschichtsverein die werd opgericht in 1870 en waarmee zij, met uitzondering van enkele jaren in de periode van WO II en nadien de Koude Oorlog tot 2007, gezamenlijke jaarvergaderingen hield, traditioneel rond Pinksteren.
Datering1874-

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelKleengedichtjes
Links[gezelle.be]
TitelUitstap in de warande
Links[gezelle.be]
TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]
TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelWestvlaamsch idioticon
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk
Datum1873
PlaatsBrugge
UitgeverGailliard
TitelEenige bijzonderheden aangaande de kleederdracht der Friesinnen
AuteurWinkler, Johan
Datum[s.d.]
Plaats[S.l.]
Uitgever[s.n.]
TitelFriesland over de grenzen
AuteurWinkler, Johan
Datum[s.d.]
Plaats[S.l.]
Uitgever[s.n.]
TitelGazette van Kortrijk (periodiek)
AuteurGezelle, G; Soenen, E.
Datum1876-1918
PlaatsKortrijk
UitgeverBeyaert
Links[odis]
TitelDe Navorscher. Tijdschrift, Een middel tot gedachtewisseling en letterkundig verkeer tusschen allen die iets weten, iets te vragen hebben, of iets kunnen oplossen (periodiek)
AuteurLeendertz, P.; e.a.; Winkler, Johan (medewerker)
Datum1851-1960
PlaatsAmsterdam
UitgeverFrederik Muller
TitelKorrespondenzblatt des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung (periodiek)
AuteurWinkler, Johan (medewerker)
Datum1876-
PlaatsHamburg
UitgeverDer Verein
TitelOnze volkstaal, tijdschrift gewijd aan de studie der Nederlandsche tongvallen
Auteurde beer, Tacco H.
Datum1882-1890
PlaatsBlom & Olivierse
UitgeverKuilenburg
TitelDe oude tijd (periodiek)
AuteurTer Gouw, J.
Datum1869-1874
PlaatsA.C. Kruseman
UitgeverHaarlem
TitelJarbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung
AuteurVerein für niederdeutsche Sprachforschung
Datum1875-2021
PlaatsNeumünster
UitgeverK. Wachholtz Verlag

Titel[08]/03/1882, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurSofie Meneve; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2022
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[08]/03/1882
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieDag gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie ; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.44-50
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen, 206x131
wit
papiersoort: 8 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.); idem in het midden bijgeschreven tussen plaats en maand: 8; idem rechts na het jaartal: 3 (potlood)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5234
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11536
Inhoud
IncipitVoor uwen grooten, vriendeliken, my
Tekstsoortbrief
TalenNederlands; Duits
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.