<Resultaat 379 van 1594

>

p1
Hoog geachte Heer en Vriend!

Reeds voorloopig, terstond na d'ontvangst van uwe welkome zende lichtprinten[1] en aangenamen brief[2] heb ik U daarvoor, voorloopig bij postkaarte[3] bedankt. Thans kom ik U nog eens voor een en ander mijn hertgrondigen dank betugen.

Wat schoone lichtprenten hebt Gij mij gezonden! En hoe goed, hoe echt-nederlandsch ook, zien die brugsche vroukens uit! Inderdaad, d'oude kenspreuke "gaudet Bruga formosis puellis"[4] is nog volkomen waar, als voor jaarhonderden.

Juk[5] en emmers (friesch: juk end amers, juk met hoogduitsche u of fransche ou) van 't brugsche melkmeiske[6] zijn in hun form zuiver friesch, en als zoodanig niet aleen in Friesland, maar ook evenzeer in alle zuiver- of gemengd-friesche gewesten van Noord-Nederland, in volle, dagelijksche gebruik. Zulke houten emmers gelden in Friesland reeds voor ouderwetsch; men gebruikt meer rood-koperen emmers (friesch p2earen amers), met platte deksels, juist zoo als afgebeeld staat op de groote print van een friesch melkmeiske, die Gij mij toezondt. Die teekening is uiterst nauwkeurig, vooral ook wat het kapsel met oorijzer[7] aanbelangt. Slechts behooren haar tasch met zilveren beugel, en haar zilveren schoengespen niet tot haar alledaagsch werkgewaad; die draagt ons boerinneke aleen des zondags of op feesttijden. Ook moest haar juk niet met touwen, maar met gladgeschuurde ijzeren, of ook geel-koperen kettingen met een haak beneden, voorzien zijn. Overigens is alles uiterst nauwkeurig en zóó als een melkmeiske in Friesland "lebt ǔnd leibt."[8] Ik zend U die print, onder dankbetuging voor 't kijkje, terug. Gij kunt er meer wille van hebben als ik, als het in uwe omgeving over friesche oorijzers mocht te sprake komen.

En wat uw vlaamsche geernaartvisscher betreft, Ge zoudt onder dat printje even zoo wel hollandsche garnaalvisscher, of "frîske garnaatfisker" schrijven mogen. De gelijkenis tot in den vorm van de mande aan zijnen arm, kortom in alles, kleeding en gereedschap, is volkomen. Ook zijn voorkomen, als man, is zuiver friesch, z'n gelaatstrekken, ja tot den vorm waarin hij z'n beerd geschoren heeft,p3alles. Trouwens, de visschersbevolking langs onze noodzee-stranden, van Vlissingen tot Delfzijl, van de Schelde tot de Eems[9] is overal zuiver en typisch-friesch; en evenzeer verder oostwaarts op, aan de monden van Weser[10] en Elve[11] en Eider[12] tot aan 't deensche Jutland toe, zijn de noord-zee visscherlui oprechte Friezen. Het en zal, van de Knocke tot Grevelingen of tot Kales, ook wel niet anders zijn.

Ik verlange zeer om de Vlamingen eens met eigen oogen te zien, en hope van herten dat dit in den volgenden zomer het geval zal mogen wezen[13] Gij weet, drie zaken zijn onbedongen noodig om te reizen: gezondheid, tijd en geld. No 1 heb ik in ruim voldoende mate, 't zij met groote dankbaarheid vermeld. Van no 2 en 3 heb ik niet te veel. - Dat ik dan U, en de eerweerde heeren Duclos en de Bo ook zal zien en spreken en de vriendenhand drukken, trekt mijn hart zoo veel te sterker Vlaanderwaart.

Ja, ik heb, met groote voldoening, gezien dat Gij en andere welgezinde Vlamingen uwe afkeuring niet hebt verzwegen, toen men (een "eingefleischte"[14] hollandsche schoolmeester, dien alle ander nederlandsch, 't welk geen hollandsch en is, een gruwel is), mij zoop4 onweerdig bejegende in "noord en zuid."[15] Hertelik dank ik U voor dit blijk uwer vrindschap en uwer instemming met mijn werk. Voor die onredelike lieden van Noord & Zuid en is er geen ander heil dan in middelpuntzoeking, voor de nederlandsche taal. Voor hen moet alle nederlandsch volkomen opgaan in 't hollandsch, en dan nog wel in hun leelik, stijf, wanluidend boeken-hollandsch. Alles wat vlaamsche of friesche, brabantsche of geldersche eigenaard verraadt of vertoont, wekt hun onredeliken toorn[16] als bij den stier een roode lap. Maar, lijk gij gezien hebt, men heeft mij voldoening gegeven, en 't onrecht ingezien. Hoe dit in z'n werk is gegaan? Wel! ik ben een groot vijand van alle twistgeschrijf in nieusbladen en tijdschriften - 't welk doorgaans de lieden, die 't niet eens zijn, hoe langer hoe verder uit een ander brengt, en hen tot toorn prikkelt en fellen haat. Ook ben ik zachtmoedig en vredelievend van inborst ('t zij hier in nederigheid en zonder eigenwaan vermeld!), en zoo heb ik niet tegen die onheusche bejegening, niet tegen die domme aantijging mij willen warm maken, noch daar tegen inschrijven. De lieden geven mij ook wel eer en lof voor mijn werk - o! veel meer dan ik verdien! - zoo en moet ik ook smaad en schelding wachten, die mij van groot nutp5p2kunnen wezen, om voor hoogmoed mij te bewaren. Maar ik ben naar den heer de Beer, naar den bestierder van Noord & Zuid gegaan, en heb van monde te monde met hem gesproken, en hem, in zachtmoedigheid, van dwaling overtuigd. En voor mijn eenvoudig spreken en dudelik uitleggen moest zijn vooroordeel en hollandsche overmoed zwichten. En zoo is mij rechtveerdiging geschied. -

Ook dank ik U dat Gij mij nog enkele zaken aangaande 't oorijzer in Vlaanderen meldt. Ik wensch nog wat meer studie te maken over "de Friesen in Vlaanderland", ten einde beter beslagen ten ijs te komen, voor en aleer ik daarover opentlik schrijve.[17] Ook is het mij zeer wenschelik dat ik vooraf zelf een reis in Vlaanderen kome, ten einde met eigen oogen te zien, met eigen ooren te hooren. En dit en kan niet wel geschieden vóor den zomer van 't volgende jaar. Tot zoo lange, tot na dien tijd wil ik dus wachten, met over dat, mij zeer belangrike onderwerp, te schrijven. Dan hoop ik ook, in uwe handen, dat vlaamsche oorijzer met gouden knoppen te zien[18] waar Gij van schrijft dat men 't U beloofd heeft. Het mij hier heen te zenden, zou nog al bezwaren ontmoeten, peis ik. Intusschen, nu de oude oorijzers zoo zeldzaam zijn geworden in Vlaanderen, zou p6het wel degelik zaak zijn, te zorgen dat de weinigen, die men nog opsporen kan, bewaard bleven uit den smeltkroes, waarin winzucht en minachting voor de vaderlandsche oudheden hen werpt, en in een gewestelik museum van oudheden (zulk een inrichting zal er ja te Brugge zijn?) ten toon gesteld[19] In het friesch museum te Leeuwarden zijn oorijzers in ijzer, koper, zilver, goud, in alle vormen, van de vroegste eeuen tot in dezen tegenwoordigen tijd, zorgvuldig naar tijdsorde gerangschikt, uitgestald.

Wat Gij aan den Hoogleeraar Kern te Leiden, in zake taalkunde, te vragen hebt, kunt Gij hem gerustelik doen toekomen. Deze groote geleerde, waarop Nederland te recht fier mag zijn, is een edelaardig, liberaal man, zonder vooroordeelen. Aan uw vlaamsch en zal hij zich niet ergeren, integendeel! zich eerder daarin verheugen. Ook is hij ja geen Hollander, maar een Gelderschen man van sassischen bloede, uit Groenlo, een stedeke aan de geldersch-pruissische grens. Zoo hij kan, en ook tijd heeft, zal hij U gewis antwoorden. Daarvan houde ik mij overtuugd. Is 't aangaande leef brood, dat Gij hem iets te vragen hebt, ei! houd mij mijn ongevraagden raad te goede, maar zend hem dan het nummer van Loquela[20] waarin dat meesterlike opstel over leef brood[21] voorkomt, er bij. Zoo mag hij dan zien, wie het is, die hem aanschrijft.p7Dat de kuste van Vlaanderen oulings den naam van litus saxonicum[22] heeft gedragen, of liever dat die kuste eens onder dien naam beschreven geworden is, en kan mij niet beletten te gelooven dat die zelfde kuste van ouds her door Friesen bewoond was; en niet slechts het strand en duin, maar evenzeer de vlade[23] de veenbodem, tot aan de gastgronden, hooge zandrug, die, meen ik, dwars door 't midden van West. Vlaanderen loopt, zich strekkende van zuidwest tot noordoost; is 't niet? En ik houd het er voor dat 't westvlaamsche volk, voor een groot gedeelte immers, rechtstreeks van die oude Friesen afstamt. Ik heb nog een spoor gevonden dat men, laat in de middeleeuen, ik meen in de 14de eeu, in Holland nog aan eenen Vlaming den naam van Fries gaf. Ik heb deze zake nog niet genoeg onderzocht, om er U zekerheid van te geven. Ik hoop dit later te doen.

Zulk een "aard" als Gij mij beschrijft, noemt men hier in Holland een werf, ook erf, in sommige boeren-tongvallen ook wurf en urf. In Friesland noemt men hem gewoonlik upslach, opslag aan 't water, ook wel, als hij klein is: opstap; en eveneens stoep, stoep aan 't wetter. Oudtijds was echter de naam weert ook wel in gebruik. Zeker, uw westvlaamsch aard is een en het zelfde woord met waard, ward, waarder, warder, weert, wert, wird, wierde, woerde, worth, würth, enz. enz. dat in geheel Noord-p8Nederland en Noordwestelik Duitschland, zoo verre maar Friesen en Sassen wonen, in volle gebruik is, en tallooze malen in plaatsnamen voorkomt. In de frankische streken van Nederland, langs onze groote rivieren, en ook in de frankische streken van Duitschland (Rijn-Pruissen) luidt dit zelfde woord oord, orth, ort, en komt ook tallooze malen in plaatsnamen voor; 't werd oulings ook oirde geschreven; men schrijft nog wel Goidschalkxoirde voor Godschalksoord, een polder bij het dorp Heinenoord in Zuid-Holland. -

Mijn weerde en lieve Vrind! Hiermede heb ik uwen brief beantwoord, en van mij zelven en heb ik niet meer daar bij te voegen. Gaarne zal ik eens zien hoe mijn friesch in lovensch[24] dutsch veranderd word. Ik denk, mijne friesche reken[25] waren voor eenen niet-Fries, wel zeer gemakkelik om doorschouen en vatten. Daarom voeg ik hier nog wat bij; het is wel friesch uit de zeventiende eeu (laatste helft), maar daarom toch nog evenzeer hedendaagsch friesch ook. Zie eens, wat Gij hier van maken kunt, uit aardigheid.

En nu vaarwel, mijn Vriend! Ontvang deze in den besten welstand en met de hertelikste groeten van
Uwen zeer toegenegenen
Johan Winkler.
p9
De Lofzang van Simeon[26] in ’t friesch.
't Lof-gesjong fen de âde Symeon, fen[27]
Lucas beskreauwne yn 't oarde Capittel.

_

Nu lit I, Heer! yn free
Ion Tjienner d'ierdske stee
Forlitte, ney jon sizzen:
Nu, oermits myn blier eag
Jon silligheyt oanseag
IJn myn klimme earmen lizzen.
_
Dy I, for tyd in stuwn
Beskaet habbe in myld juwn
For al 't folck om op 't eagjen;
Ien hymmel-liedend stjer
For'e heyd'nen heyn in fier,
Ien Isr'els glanz-opdeagjen.
_

Fen Gysbert Japicx,

Scoallemaster to

Bolswart.

Dit zult Gij nog gemakkelik ontraadselen, wijl d'inhoud U bekend is. Maar 't volgende:p10

De alde man sprekt:

Heart de wrald de reame? o Sot!
End de dreage molke God?
God de strûk, de wrald de blomme?
Jonge tzierl, dat kin net komme.
'T wier by alds en oar menear,
'T earst, det God joeg, joe-me weer.
Lit ûs yette, nei dy wise,
God fenn' jeugd oan tjienje end prise;
Lit, as oar ljue ûs misdwaen,
Herre ut ljeafde det forjaen.
Lit ûs op ûs steardei tinse,
Lit ûs d'earmen neaddrift skinse,
Lit ûs, al ûs libben lang,
Halde ûs kwea bijearte yn thwang;
Ier end let nei d'Hymmel trachtsje,
End om 't ieuich 't ierdsk forachtsje;
Den scil God ûs, nei diss' tîd,
Ieuich silich meitsje end blîd.[28]

Gysbert Japicx.

Noten

[1] Vermoedelijk zitten nog 2 foto’s in het Guido Gezellearchief te Brugge (nr. 9143 F en 9144 F). Nr. 9143 F: Brugs melkmeisje met juk en houten emmers, met op de achtergrond het Belfort. Op verso van de foto staat in het handschrift van Johan Winkler: N°1 Eene melkvrou uit Brugge. 1880. Nr. 9144 F: Brugse kantwerkster. Op verso van de foto staat in het handschrift van Johan Winkler: N°3 Eene kantwerkster uit Brugge. 1880
[2] De brief is niet aanwezig in het Guido Gezellearchief in Brugge.
[4] Deze uitspraak komt uit een oud Latijns vers dat in geleerde kringen indertijd vaak geciteerd werd, en waarin voor enkele Vlaamse steden de dingen benoemd werden waar ze bekend voor stonden. Voor Brugge was dit de schoonheid van de vrouwen:

“Nobilibus Bruxella viris, Antverpia nummis,
Gandavum laqueis, formosis Bruga puellis,
Lovanum doctis, gaudet Mechlinia stultis.”

Bron: F. Vermeulen, Veelzijdig gelaat: Hoe schrijvers Brugge hebben gezien. In: West-Vlaanderen: 1 (1952), p. 149.

Vertaling Paul Thoen (Latijn):

Brussel verheugt zich in zijn edellieden, Antwerpen in zijn geld(stukken),

Gent in zijn stroppen(dragers), Brugge in zijn mooie meisjes,

Leuven in zijn geleerden, Mechelen in zijn zotten

[5] Een juk is een houten balk die vroeger, veelal door boerinnen of dienstmeiden, op de schouders werd gedragen en die diende om een last te verplaatsen. Aan de haak of inkeping aan beide uiteindes van het juk kon men een touw of ketting bevestigen, om zo, bijvoorbeeld, twee emmers te kunnen dragen. Melkmeisjes droegen typisch een juk om hun kannen met melk aan huis te brengen.
[6] Omdat er nog geen doeltreffende manier was om melk te steriliseren, werd die tot de jaren 30 van de 20e eeuw vers aan huis verkocht door zogenaamde “melkmeisjes”. Naast het beroep zelf stond ’het melkmeisje’ symbool voor het idyllische platteland, waardoor het een populair onderwerp werd van de fotografie en andere kunsten. Hoewel het beroep in vele landen bestond, wordt ’het melkmeisje’ typisch geassocieerd met Vlaanderen.
[7] Onderdeel van de vrouwelijke hoofdtooi in de noordelijke provincies van Nederland en Zeeland. Oorspronkelijk werd deze metalen beugel voor rond het hoofd gebruikt om mutsen of haar op de plaats te houden, maar uiteindelijk groeide het uit tot pronkstuk. Het kreeg de naam ’oorijzer’ doordat het vaak enkel zichtbaar was ter hoogte van de oren. In de 19e eeuw was het oorijzer een kenmerkend onderdeel van de Friese streekdracht. Ook in Vlaanderen werden oorijzers gedragen, doch bescheidener, waaronder in Brugge, waar Gezelle ze opmerkte. Winkler had deze hoofdtooi al uitvoerig onderzocht, maar gaf in zijn brief van 08/03/1882 aan niet op de hoogte te zijn van het gebruik van oorijzers in Vlaanderen. Sindsdien apprecieerde hij alle informatie die Gezelle hem hierover kon bezorgen en is het een geliefd onderwerp in hun correspondentie.
[8] Vertaling (Duitse) uitdrukking: leibt und lebt: helemaal, ten voeten uit.
[9] Een rivier die door het noordwesten van Duitsland stroomt en waarvan de monding grenst aan Friesland.
[10] De grootste rivier die in Duitsland begint en eindigt.
[11] De oude naam voor de Elbe, een van de belangrijkste rivieren van Midden-Europa.
[12] De langste rivier van de noordelijkste Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein.
[13] Winkler ging Gezelle inderdaad bezoeken in Kortrijk.
[14] Vertaling (Duits): diep ingeworteld, vleesgeworden, hier gebruikt in pejoratieve betekenis: onverbeterlijk, verstokt.
[15] Onder Sprokkelingen door T.v.L. in: Noord en Zuid: 5 (1882) 3, p.155-157 beschuldigde T. Van Lingen Winkler ervan zijn taal te beschimpen door het woord ’geernaart’ te gebruiken in de plaats van het Hollandse woord ’garnaal’. Winkler had in zijn artikel Taalkunde van de Vlaamsche, Hollandsche en Friesche vischmarkt in: Rond den Heerd: 17 (22 januari 1882) 9, p.65-67 verklaard dat het Vlaamse geernare, het Hollandse garnaal en het Friese garnaat allen afkomstig zijn van hetzelfde oorspronkelijke woord: geernaart of garnaart. Het artikel van Van Lingen in Noord en Zuid kreeg heftige tegenkanting van Van Vriesendonck in Rond den Heerd: 17 (17 september 1882) 43, p.341-341.
[16] kwaadheid
[17] Winkler bezocht Vlaanderen in 1883 en schreef uiteindelijk over de gelijkenissen en verschillen tussen West-Vlaanderen, Frans-Vlaanderen en Friesland onder de rubriek Staatskunde en geschiedenis van het tijdschrift De Tijdspiegel: J. Winkler, Land, volk en taal in West-Vlaanderen. In: De Tijdspiegel: 41 (1884), p.1-26 en p.157-190. In zijn opstel bespreekt Winkler onder andere de vaststelling dat Vlamingen zich in het openbaar schamen voor hun taal als gevolg van de Franse opvoeding op school, en dat de West-Vlaamse taal zich van haar talrijke Franse invloeden zou moeten ontdoen om haar kracht terug te winnen. Winkler had een bijzondere tactiek om dergelijke zaken te ontdekken: hij weigerde gedurende zijn reis steevast om Frans te spreken waardoor zijn gesprekspartners gedwongen waren om hem in het Nederlands aan te spreken. Een herdruk van Winklers tekst is aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle (nr.: GGB 1071).
[18] In een artikel naar aanleiding van Gezelles overlijden bevestigt Winkler dit Vlaamse oorijzer gezien te hebben tijdens een van zijn bezoeken: J. Winkler, Guido Gezelle en de Friezen. In: Dietsche Warande en Belfort: 1 (1900) p.132.
[19] Gezelle plaatste het oorijzer uiteindelijk in het Museum van Oudheden te Kortrijk, waar het helaas later gestolen werd en verdween.
Bron: J. Winkler, Guido Gezelle en de Friezen. In: Dietsche Warande en Belfort: 1 (1900) p.132.
[20] Loquela: 2 (Meimaand 1882) 1
[21] Winkler verwijst hier naar het artikel Verloren Vlaamsch in Loquela: 2 (Meimaand 1882) 1, p.1-8, waarin Gezelle zich afvraagt of er ooit een Vlaams woord bestond voor een geheel brood, zoals je in het Engels ”a loaf of bread” hebt. In het Vlaams zou dit volgens Gezelle als ”een leef (van) brood” klinken. Vervolgens verwijst hij expliciet naar een oude Vlaamse bijbelvertaling van Willem Gaillaerdt uit 1578 en integreert het citaat van Oudemans uit deze Bijbel: "Ende liet hem des daechs- een leefbroot gheven". Gezelle vraagt zich af of er oorspronkelijk een spatie tussen ”leef” en ”broot” stond.
[22] Vertaling (Latijn): Saksische kust
[23] het zich wijd uitstrekkende
[24] Leuvens
[25] Bij een vorige brief (06/06/1882) voegde Winkler, op aanvraag van Gezelle, een stukje tekst in het Fries. Gezelle stuurde zijn vertaling aan Winkler op en publiceerde het Friese fragment samen met zijn Vlaamse vertaling in: Van den Friesche tale in Loquela: 2 (Alderheiligen 1882) 7, p.53.
[26] De Lofzang van Simeon, ofwel het Nunc dimittis, is een Bijbelse hymne die Simeon uitsprak toen hij Jezus en zijn ouders in de tempel ontmoette. De tekst staat in het evangelie van Lucas 2,29-32.
[27] Deze Friese vertaling van de Lofzang van Simeon staat op p.127 van Japicx, Friesche rymlerye: yn trye delen forschaet. Bôalsert: Samuel fen Haringhouk, 1668, dl.1
[28] Dit vers staat op p.55 van Japicx’ ”Friesche rymlerye; yn trye delen forschaet” uit 1668.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamDe Beer, Taco Hajo; Taco
Datums° Maarseveen, 18/11/1838 - ✝ s Gravenhage, 12/09/1923
GeslachtMannelijk
Beroepredacteur; schrijver; leraar; vertaler
VerblijfplaatsNederland
BioTaco Hajo de Beer schreef tussen 1855 en 1867 onder het pseudoniem ‘Taco’ voor verschillende bladen, novellen, studiën en kritieken, en sinds 1877 was hij leraar aan de Hogeburgerschool te Amsterdam. Hij publiceerde verschillende bloemlezingen en was ook vertaler. De Beer was ook stichter van verscheidene tijdschriften, waaronder “Noord en Zuid” (1876) en "De Amsterdammer” (1878). Vanaf 1882 tot 1890 was hij hoofdredacteur van “Onze Volkstaal: Tijdschrift gewijd aan de Studie der Nederlandsche Tongvallen”, met als doel om een wetenschappelijk verantwoorde dialectstudie op te zetten om een algemeen Nederlands idioticon te bekomen. Het tijdschrift verscheen echter zeer onregelmatig: in 1882, in 1885 en de laatste keer in 1890. In 1902 werd de Beer buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor de Taal- en Letterkunde.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamDe Bo, Leonard Lodewijk
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/071873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenBriefwisseling Engelsen
NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de “Gazette van Brugge”, werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent, medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamKern, Johan Hendrik Caspar
Datums° Purworejo, 06/04/1833 - ✝ Utrecht, 04/07/1917
GeslachtMannelijk
Beroeptaalkundige; oriëntalist
VerblijfplaatsNederland; Java
BioKern was leraar Grieks in Maastricht (1858-1862), hoogleraar Sanskriet (1863-1865) in Benares (Noord-India) en vanaf 1865 in Leiden. Zijn initiële aandacht voor Indo-Europese talen (van Germaans tot Sanskriet) breidde zich uit naar Oud-Perzisch. Hij hanteerde de 'Wörter und Sachen'-methode: het taalonderzoek niet louter tot (de studie van) de klankwetten beperken, maar de woordbetekenis daarin integreren. Kern deed onderzoek naar verwantschap van talen via de benamingen van dieren en voorwerpen. Ander baanbrekend werk van hem was: "Die Glossen in der Lex Salica und die Sprache der Salischen Franken" (’s-Gravenhage, 1869). Gezelle vroeg hem in een brief naar de oorsprong van de stadsnaam Harelbeke. Kern drukte in zijn antwoord zijn bewondering uit voor de poëzie van Gezelle, vooral omdat die zoveel mooie oude woorden gebruikte. In "Loquela" wordt prof. Kern veelvuldig geciteerd door Gezelle.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamJapicx, Gysbert; Jacobs; Japiks; Gysbert-om; Gysbertom
Datums° Bolsward, 1603 - ✝ Bolsward, 21/08/1666
GeslachtMannelijk
Beroeponderwijzer; dichter; schrijver; voorzanger
VerblijfplaatsNederland
BioGysbert Japicx was de bekendste renaissanceschrijver uit Friesland. Hij wordt eveneens beschouwd als grondlegger van het Fries als geschreven taal. Hij groeide op in het begin van de 17e eeuw, toen het Fries enkel een spreektaal of boerentaal was en de elite Nederlands sprak.
Links[wikipedia], [dbnl]

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamGrevelingen (Gravelines)
NaamKnokke
GemeenteKnokke-Heist
NaamHaarlem
NaamLeeuwarden
NaamLeiden
NaamGroenlo (Grol)
NaamGeldern
NaamVlissingen
NaamGoidschalxoord
NaamDelfzijl
NaamBolsward
NaamCalais

Naam - instituut/vereniging

NaamOudheidkundig Museum Brugge
BeschrijvingIn 1864-1865 besloten enkele historici en oudheidkenners om een Oudheidkundig Museum op te richten in Brugge, met het oog op het bijeenbrengen van voorwerpen die betrekking hebben met de geschiedenis van het graafschap Vlaanderen, in het bijzonder met het verleden van de stad Brugge. Het Oudheidkundig Genootschap van Brugge werd in 1865 opgericht door twaalf vooraanstaande Bruggelingen uit het culturele veld, waaronder Guido Gezelle, Hugo Verriest en James Weale. Het Oudheidkundig Museum werd ingericht op de eerste verdieping van het Belfort en werd geopend op zondag 6 mei 1866 met honderdenvijftig voorwerpen. De snelle uitbreiding van de museumcollectie zorgde voor plaatsgebrek, en in 1874 ging het Brugse Gemeentebestuur akkoord met de aankoop van het oude hotel “Gruuthuse” ten dienste van het Oudheidkundig Museum. De financiële toestand van het Oudheidkundig Genootschap werd uiteindelijk onhoudbaar, waardoor de stad Brugge het Gruuthusemuseum in 1954 overnam als stedelijk museum.
Datering1866-1954
Links[wikipedia]
NaamFries Museum
BeschrijvingHet Fries museum werd in 1881 officieel geopend in het Eysingahuis te Leeuwarden, een achttiende-eeuws herenhuis in Lodewijk XVI-stijl. In 1879 werd dit pand van de familie Eysinga overgekocht door het Provinciaal Friesch Genootschap ter Beoefening van Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde. In 2013 verhuisde het Fries Museum naar een nieuw pand aan het Wilhelminaplein. De rijke collectie van het museum bevat allerlei objecten die de samenleving en geschiedenis van Friesland illustreren. Met ruim 200.000 voorwerpen is het de grootste provinciale collectie van Nederland.
Datering13/04/1881-
Links[wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelNoord en Zuid. Taalkundig Tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van Onderwijzers, vooral van hen, die zich voor eenig examen voorbereiden (periodiek)
AuteurDe Beer, T.H.
Datum1877-
PlaatsKuilenburg
UitgeverBlom & Olivierse
GGBGGB 0882

Titel20/10/1882, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurSofie Meneve; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2022
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum20/10/1882
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inTijdkrans II, p.204 (vermelding); De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.75-82
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen en enkel vel, 205x130
wit
papiersoort: 10 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5283
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11587
Inhoud
IncipitReeds voorloopig, terstond na d'
Tekstsoortbrief
TalenNederlands; fry
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.