<Resultaat 586 van 2052

>

p1
Eerweerde Heer en lieve Vriend!

Hoe druk is onze briefwisseling tegenwoordig! Maar dat kan niet anders! Dat wij beiden gelijkelik begeesterd zijn voor een en de zelfde zake, een zake bovendien, die zóo weinig bemind wordt, schier door niemand dan door ons beiden - dat moet onze herten tot elkander brengen. En ik meen, behalve dat, dat wij ook buitendien in menig opzicht moeten samen stemmen. Dat zal nog meer blijken als ik U eens van aangezicht tot aangezicht zal zien, en de vriendenhand zal kunnen drukken.[1] Hoe zingt onze Vondel?

"D'eenzedige zijn naerder bloed dan magen."[2]

Ik dank U van herten voor de verrassing die Gij mij bereid hebt met uw krachtig en schoon gedicht "De vl. zonen"[3] mij toe te wijden. Voor uwe goede meening, voor uwe vriendelike gezindheid in dezen, hertelik dank. Lîkwel! mijn vriend! Gij schat mij in der daad te hoog, en Gij doet mij te groote eere. Ik verdien dat niet! Ik zou liefst in stilte arbeiden, zonder eenigen ophef. Op 't goed gelukken van mijn arbeid stel ik groote weerde - mijn persoon mag dan op den achtergrond blijven. De lof-trompet beschaamt mij. Gedenke dus, dat mijn hert in nederigheid en ootmoed behagen vindt. -p2En nu ik toch een woordeken in gemoedeliken zin tot U richte, laat mij meteen opmerken dat het mij toeschijnt, uit uwen laatsten brief[4] als of de zinsnede in mijnen vorigen, rakende "d'ergernis aan uw priesterlik herte"[5] door U eenigszins anders is opgevat als mijne bedoeling, al schrijvende, geweest is. Ik ben overtuigd van het groote onderscheid, dat er tusschen U en mij bestaat, wat onze zienswijze en ons gevoelen op staatkundig en godsdienstig of kerkelik gebied aangaat (Of zou am Ende[6] dat onderscheid ook niet gaar[7] zoo groot wegen?) Vele zaken die eerbied en liefde wekken, ook die als heilig beschoud worden door U en door zoo velen welke ik hooge achting en groote genegenheid toedrage, en die mijne lieve ouders[8] ook in dien geest mij leerden beschouen - zijn mij, minst genomen, volmaakt onverschillig. Maar schaam en schande over mij, zoo ik die zaken nu zou bespotten, of zoo ik ergerde, griefde en beleedigde wie daarin anders gevoelen dan ik! Zie, ik heb nooit in mijn leven ook maar één woord met eenen roomschen geestelike gewisseld, om d'eenvoudige reden dat ik er nooit toe in de gelegenheid ben geweest. Toch heb ik mij steeds in 't volle volksleven bewogen, in verschillende kriten[9] steden en dorpen van mijn vaderland, en ook veel daar buiten, onder allerlei standen, hoog en laag. Nu meen ik echter dat gij liên[10] roomschen, en vooral gij liên roomsche geesteliken teder zijt in uw gemoed aangaande de zaken van uwen godsdienst, en ten einde dus die tederheid te ontzien en niet te kwetsen, daarom schreef ik de gewraakte zinsnede[11] in mijn vorigen brief. Ik was bang U te grieven. Wees verzekerd, mijn vriend! dat ik niets liever wil dan in eendracht en vrede en goede verstandhouding te leven met alle lieden; hoe p3veel te meer met hen op wier vriendschap ik mij beroeme! -

Met mijne friesche vertaling van de Bulla ineffabilis[12] die ik in der tijd voor den vorigen Paus van Romen bewerkte, kunt Gij doen wat Gij wilt. Wilt Gij haar in 't vlaamsch vertalen? Dat begrijp ik niet recht! Als taal-merkweerdigheid? En dan die geheele bulle? Daar zijn genoeg andere stukken in 't friesch geschreven, waaruit de eigenaardigheden mijner moedertaal beter kunnen blijken dan uit dit stuk, dat slechts boeketaal, geen volks-spreektaal bevat. En moest Gij die vertaling van den heer Jules Claerhout ontvangen? Had Gij er dan geen? Ik heb er U ja eene gezonden, voor vijf jaren reeds, gelijktijdig met die aan de Heeren Duclos en de Bo. Zoudt Gij am Ende[13] mijn Dialecticon ook niet in eigendom bezitten? Laat mij dit toch eens weten. Van niemand anders moogt Gij een friesche vertaling der Bulla en een Dialecticon ontvangen, dan juist van mij, den schrijver, uw vriend.[14] Daar hecht ik grooteliks aan. De nieuwe Schetsboek van Max Rooses is hier op 't Leesmuseum; ik ga dien boek zoo spoedig mogelik lezen, en meld U dan later mijn gevoelen aangaende de gedeelten waarin hij (Max Rooses) daarin van U en uw werk spreekt.[15]

Met veel genoegen heb ik uwe aanprijzing van Gailliard's Glossarium in R. d. H.[16] gelezen. Heil Vlaanderen! dat het zulke iverige mannen onder zijne zonen telt. met genoegen, en om uwentwille, zal ik trachten dat opstel in eenig tijdschrift alhier een plaats te bezorgen; in den Nederlandsche Spectator[17] denk ik. Verwacht ook wel dat het mij zal gelukken. Dat stukp4is zoo door en door vlaamsch, zoo typisch-vlaamsch, dat ik het bejammeren moet dat Gij daarin de lompe en onredelike hollandsche spelling met aa en uu volgt, in plaats van d'oude, schoone en aleen goede met ae en ue[18] Mag ik dat veranderen? Ik moet het stuk dan toch uit Rond den Heerd afschrijven!

Wat mij zelven aangaat, jammer! jammer! moet ik roepen dat zoo schoonen, weerdigen boek in 't fransch geschreven is. Dat ontneemt daar aan, voor mij, alle weerde. En waarom deed de heer Gailliard zoo dom en dwaas en onvaderlandsch[19] (in mijn oog altijd)? Ik kan daar voor geen enkele reden vinden; ik begrijp het niet. Voor mij is die boek nu volkomen onbruikbaar; en voor velen met mij hier in 't noorden. Hoe kan een Vlaming, die nog veel gevoel heeft voor uwe heerlike vlaamsche oudheid, die ook de schoone oud-vlaamsche taal bemint, toch zóó franschgezind zijn in hert en nieren? Gailliard mag zich schamen voor iederen Vlaming, voor iederen Nederlander! De Duitschers zullen hem erom verachten, en de Franschen, om wier wille hij zich zóó ergerlik verlaagd, moeten er hem achterrugs om uit lachen, zóó ze al ooit eenige kennis nemen van zijn werk. Hoe jammer! En hoe ergerlik!! - Zie, mijn vriend! daar staan wij nu ook in taalkundig opzicht eens lijnrecht tegen elkander over -

Zoethout, Radix Liquiritiae der apotheken, hiet in Friesland Swiethout (friesch swiet = zoet); en de ruwe, onbeschaafde leeden ten platten lande zeggen ook swiete prikke (friesch prikke = dun stokje). Hetp5p2/ingekookte afkooksel daarvan, in de gedaante van zwarte, droog-harde of vochtig-taaie cilinders, (extractum liquiritiae der apothekers) heet in Holland drop, en in Friesland sop. (Friesch sop = sap in 't algemeen, b.v. beiesop = bessensap; maar dit is het sop als bij uitnemendheid[20]). Oude lien zeggen ook wel swietsop (zoet sap) en swartsop. In Groningerland echter, ook een deel van 't oude Friesland, namelik van ouds Friesland tusschen Lauers[21] en Eems[22] geheeten, draagt dit zoethoutextracht den naam van Lakris, lakkris, lakkeris, de stemzate[23] op kris. Dit is natuurlik een verbastering van liquiritia, maar 't volk meent dat het zoo heet omdat het zoo lekker is. In Noordwestelik Duitschland heet het eveneens "Lakritzen saft." - Voor een unster[24] en ken ik geen ander woord in geheel Noord-Nederland Dat weegtuug is hier bij 't volk vrij onbekend; ik zag door 't volk nooit een unster gebruiken.[25]

Ik dank U voor uwen uitleg van de v. en de f in vrank en frank[26] Dat onderscheid en is hier niet bekend. Onze tonge en kan de letterverbinding vr onmogelik uutspreken, zoo min als b.v. lr, of mr.

En nu vaarwel, mijn hooggeschatte heer! Met een hertelike groete,
Uw Vriend
Johan Winkler.

Noten

[1] Winkler bezocht Gezelle in 1883.
[2] Dit citaat is niet van Vondel maar van P.C. Hooft uit het gedicht ”Zeededichten”: ”D’eenzeedighe zijn naeder bloedt als maeghen”.
Uit: Hooft, P. C, and Pieter Leendertz. Gedichten Van P. C. Hooft. 1e volledige uitgave Amsterdam: Van Kampen, 1871, p. 270.
[3] Gezelle droeg het gedicht De Vlaamsche Zonen (21/10/1882) op ”aan Joh. Winkler, den vrijen Fries”. Aanleiding hiervoor is de brief van Winkler van 20/10/1882, waarin hij zijn bezoek aan Vlaanderen meldt voor de volgende zomer.
[5] In zijn vorige brief (25/10/1882) aan Gezelle gaf Winkler een vriendelijke waarschuwing bij de tweede strofe van een bijgevoegd gedicht van Gysbert Japicx: ”Laet het tweede vers uw priesterlik herte niet ergeren! - Ik wensch niemand te grieven, en Gy zult niet kleingeestig zijn, en stooten U hier aen.” De strofe waar hij op doelde was de volgende:
“'T heele lân fen Waes is ûsers,
Romm', Ketûsers,
Jesuwiten, Moeints end Paep!
'T altîd griene Hulst. Nu torret
In forsorret,
Spaenjen's bloed-rie, Romen's kaep”

Vertaald door Winkler in dezelfde brief als:
“'T (ge)heele land van Waas is onzes (het onze)!
Ruimt, Karthuizers,
Jesuiten, monnik en paap
'T altijd groene Hulst. Nu (ver)dort
En verdroogt
Spanje's bloedraad, Rome's kaap
[6] uiteindelijk
[7] helemaal, totaal
[8] Laurens Winkler en Trientje Spoelstra.
[9] streke
[10] lieden
[11] ”Laet het tweede vers uw priesterlik herte niet ergeren”
[12] Op 8 december 1854 vaardigde paus Pius IX deze pauselijke bul uit ter bevestiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
[13] uiteindelijk
[14] Er zijn een duizendtal boeken van Gezelles oorspronkelijke bibliotheek bewaard in het Guido Gezellearchief. Uit de brief van Winkler aan Gezelle van 05/11/1882 blijkt dat Winkler het Dialecticon en de Bulla aan Gezelle bezorgde, maar deze exemplaren zijn niet meer aanwezig in de restanten van de handbibliotheek.
[15] Rooses uit hier zijn kritiek t.o.v. het West-Vlaamse taalparticularisme van Guido Gezelle: ”Dat men de gewestelijke spraakvormen en zegswijzen in de algemeene taal eene matige plaats inruime, om deze meer lokale kleur te geven, is te wettigen; maar dat men uit liefde tot zijne engere geboortestreek zich buiten den wijderen kring der taalverwanten sluit en stelselmatig liever het woord gebruikt, waarvan één man zich bedient, dan datgene, welk door tien verstaan wordt, is eene dwaze niet te rechtvaardigen liefhebberij.” (p.260-261) Daarnaast gaf hij als vrijzinnige en sterke aanhanger van het Vlaamse realisme aan de ”mystieke verzuchtingen” in Gezelles werk niet te kunnen waarderen.
[16] Rond den Heerd: 17 (29 October 1882) 49, p.385-387. Gezelle schreef hier vol lof over de Glossaire Flamand van Edward Gailliard.
[17] Van deze aanprijzing van Gezelle is uiteindelijk nooit een afschrift in dit tijdschrift verschenen.
[18] Doorheen de correspondentie gebruikt Winkler afwisselend beide schrijfwijzen (‘aa‘ en ‘ae‘). De verbeteringen die hij vaak nog moest doorvoeren tijdens het schrijven tonen aan dat het voor hem in de praktijk een hele aanpassing was om de oude spelling te hanteren.
[19] Uit de volgende brief van Gezelle (04/11/1882, Kortrijk) en zijn correspondentie met Gailliard blijkt dat het gebruik van het Frans voor de Glossaire flamand niet te wijten was aan een ”onvaderlandsch” gevoel, maar aan een te gebrekkige kennis van het Nederlands.
[20] bij uitstek
[21] De Lauwers is een kleine rivier die voor een deel de grens vormt tussen de Nederlandse provincies Friesland en Groningen.
[22] De Eems is een rivier die stroomt door het noordwesten van Duitsland en bij haar monding aan het noordoosten van Nederland grenst.
[23] klemtoon
[24] Unsters verschenen voor het eerst op markten in de eerste eeuw v.C. Dit type weegschaal bestaat uit twee armen van ongelijke lengte, waarvan aan de kortste arm de te wegen handelswaar wordt gehangen, en aan de langste een gewicht dat vrij kan bewegen over die arm. Verscheen in: in Loquela: (Bamesse.1882) 6 p.43: Unster (st = ss, s) unsser, unser (r — l) unsel, ursel = insel, knipwage.
[25] Het is niet duidelijk naar aanleiding waarvan Winkler hier over ’zoethout’ en ’unster’ schrijft. Vermoedelijk is dit een antwoord op een ontbrekend gedeelte van de laatste brief van Gezelle (geschreven tussen 29/10/1882 en 03/11/1882, Kortrijk). Het woord ”unster” komt wel voor in: Loquela: (Bamesse 1882) 6 p.43: Unster (st = ss, s) unsser, unser (r — l) unsel, ursel = insel, knipwage.
[26] In zijn vorige brief (29/10/1882 t.p.q.- 03/11/1882 t.a.q., Kortrijk) legde Gezelle uit dat de West-Vlamingen van nature niet Frankrijk zeggen, maar Vrankrijk. Dit in tegenstelling tot de Nederlanders, Friezen, Engelsen, Duitsers, enz. die dit woord met een f laten beginnen. Aansluitend beschreef hij het betekenisverschil tussen de uitspraken ’vrank’ (vrijheid, vrijmoedigheid) en ’frank’ (onbeschofte botheid).

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamClaerhout, Juliaan
Datums° Wielsbeke, 09/12/1859 - ✝ Kaster, 12 /02/1929
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; bestuurder scholen; pastoor; auteur
BioJuliaan Claerhout, zoon van Constant Claerhout, landbouwer, en Amelia De Volder, werd op 22/12/1883 tot priester gewijd te Brugge. Hij werd leraar aan het college te Tielt (18/09/1884) en aan de normaalschool te Torhout (10/09/1887). Vervolgens was hij onderpastoor te Sint-Denijs (23/09/1889), bestuurder van de scholen te Pittem (24/11/1894) en pastoor te Kaster (17/02/1911). Claerhout werd bekend door zijn archeologische opgravingen in Pittem en Dentergem. Hij schreef o.m. verschillende artikels in het tijdschrift Belfort en was nauw betrokken bij Gezelles tijdschrift Biekorf.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); adressenlijst Cordelia Van De Wiele; Biekorf
NaamDe Bo, Leonard Lodewijk
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/071873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de “Gazette van Brugge”, werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent, medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamGailliard, Edward Louis
Datums° Brugge, 04/07/1841 - ✝ Brugge, 29/07/1922
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar-uitgever; archivaris; historicus; taalkundige
BioGailliard ging naar het Sint-Lodewijkscollege (Brugge) en het kleinseminarie te Roeselare, waar hij les kreeg van Guido Gezelle. Toen zijn vader in 1864 stierf, nam hij diens drukkerij-boekbinderij over. Bij hem verschenen Rond den Heerd, La Flandre, De Halletoren en vele andere tijdschriften en boeken. Hij schreef samen met Gilliodts een Table analytique en een Glossaire Flamand. In december 1884 werd hij rijksarchivaris te Brugge. Hij was stichtend lid van de Koninklijke Academie voor Vlaamse Taal- en Letterkunde (08/07/1886) en secretaris van haar Bestendige Commissie voor Middelnederlandse Letterkunde. Van 1894 tot 1905 werkte hij aan De Keure van Hazebroek (5 delen).
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; oud-leerling van Gezelle; uitgever van Rond den Heerd
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamPius IX (Paus); Mastai-Ferretti, Giovanni Maria
Datums° Senigallia, 13/05/1792 - ✝ Rome, 07/02/1878
GeslachtMannelijk
Beroeppaus
VerblijfplaatsItalië
BioPius IX was paus van 1846 tot 1878, en was na Petrus (35 jaar) de langstzittende paus. Onder Pius IX kwam een einde aan de wereldlijke macht van de paus.
Links[wikipedia]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamRooses, Max; Petrus Comestor
Datums° Antwerpen, 10/02/1839 - ✝ Antwerpen, 15/07/1914
GeslachtMannelijk
Beroepconservator; leraar; schrijver; journalist
BioMax Rooses studeerde filosofie en letteren te Luik en hij behaalde zijn doctoraat in 1863. Hij werd leraar in Namen en Gent. Nadien was hij conservator van het museum Plantin-Moretus in Antwerpen. Hij publiceerde veel over Rubens en Jordaens en over het museum Plantin-Moretus. Naast zijn schrijverschap, waarbij hij pleitte voor het goed recht van de Vlaamse taal, speelde hij als vrijzinnig flamingant een belangrijke rol in de Vlaamse Beweging. Hij was werkzaam als literair criticus en als journalist (Vlaamse Gids, De Nieuwe Rotterdamsche Courant, De Kleine Gazet, De Nieuwe Gazet). Hij was één van de oprichters van de Koninklijke Vlaamse Academie.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
Bronnen http://theater.ua.ac.be/nevb/html/Rooses,%20Max.html
NaamVondel, Joost
Datums° Keulen, 17/11/1587 - ✝ Amsterdam, 05/02/1679
GeslachtMannelijk
Beroepauteur
VerblijfplaatsDuitsland; Nederland
BioJoost van den Vondel wordt algemeen gezien als een van de belangrijkste schrijvers uit de Nederlandse geschiedenis. In Amsterdam trouwde hij met Mayke De Wolff (1586-1635), waarmee hij vijf kinderen kreeg Ondanks een protestantse opvoeding bekeerde hij zich in 1641 tot het rooms-katholieke geloof. Vondel staat voornamelijk bekend voor zijn toneelspelen en poëzie. Zijn bekendste toneelstukken zijn “Gijsbrecht van Aemstel” (1637), “Lucifer” (1654), “Adam in ballingschap” (1664) en “Noah” (1667), waarvan de laatste drie een trilogie over de zondeval vormen. In al zijn toneelstukken probeerde Vondel een klassieke tragedie te schrijven. Als dichter schreef hij tussen 1625 en 1632 onder meer een dertig hekeldichten, en later ook religieuze poëzie.
Links[wikipedia]

Naam - plaats

NaamHaarlem
NaamGroningen

Naam - instituut/vereniging

NaamHet Haarlemse Leesmuseum
BeschrijvingHet Haarlemse Leesmuseum werd in 1861 opgericht als een soort particuliere bibliotheek voor de burgerij en werkte via een betalend lidmaatschap. Leden konden democratisch mee bepalen over wat moest worden aangeschaft en wat niet. In de praktijk waren deze leesmusea vrij exclusief door het hoge lidmaatschapsgeld. Bijzonder aan het Haarlemse Leesmuseum is haar archief: de uitleenregisters van 1868 tot en met 1914 zijn bewaard gebleven.
Datering1861

Titel - gedicht van Guido Gezelle

TitelDe Vlaamsche Zonen zingen vrij
PublicatieTijdkrans (Verzameld dichtwerk, deel III), p. 420

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelGlossaire flamand de l'inventaire des archives de Bruges (section première, première série)
AuteurGilliodts-Van Severen, L.; Gailliard, E.
Datum1879-1882
PlaatsBruges
UitgeverGailliard
GGBGGB 1175
TitelDe Nederlansche spectator (periodiek)
AuteurLindo, P.
Datum1856-1908
PlaatsArnhem
UitgeverThieme
TitelAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon
AuteurWinkler, Johan
Datum1874
Plaatss-Gravenhage
UitgeverMartinus Nijhoff
TitelNieuw Schetsenboek
AuteurRooses, Max
Datum1882
PlaatsGent
UitgeverHoste
TitelBulla "Ineffabilis" in de Nederlandsche en Vriesche talen, benevens de bepaling van het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis in de talen der Oost- en West-Indische koloniën en in de voornaamste Noord-Nederlandsche dialekten
Auteurpaus Pius X; Alberdingk Thijm, J.A.; Winkler, Johan
Datum1878
PlaatsAmsterdam
Uitgevervan Langenhuysen

Titel[01-03]/11/1882, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurSofie Meneve; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[01-03]/11/1882
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieDag gereconstrueerd op basis van de brief van Guido Gezelle aan Winkler van 04/11/1882 (nr. 8840): deze brief is ervoor geschreven in november 1882; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.96-100
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel en enkel vel, 206x133
wit
papiersoort: 5 zijden beschreven En nu ik toch een woordeken in gemoedeliken zin {<-met><+tot>} U richte, laat mij meteen opmerken dat het mij toeschijnt, uit uwen laatsten brief, als of de zinsnede in mijnen vorigen, rakende "d'ergernis aan uw priesterlik herte"300, door U eenigszins anders is opgevat als mijne bedoeling, al schrijvende, geweest is. Ik ben overtuigd van het groote onderscheid, dat er tusschen U en mij bestaat, wat onze zienswijze en ons gevoelen op staatkundig en godsdienstig of kerkelik gebied aangaat (Of zou am Ende dat onderscheid ook niet gaar zoo groot wegen?) Vele zaken die eerbied en liefde wekken, ook die als heilig beschoud worden door U en door zoo velen welke ik hooge achting en groote genegenheid toedrage, en die mijne lieve ouders ook in dien geest mij leerden beschouen - zijn mij, minst genomen, volmaakt onverschillig. Maar schaam en schande over mij, zoo ik die zaken nu zou bespotten, of zoo ik ergerde, griefde en beleedigde wie daarin anders gevoelen dan ik! Zie, ik heb nooit in mijn leven ook maar één woord met eenen roomschen geestelike gewisseld, om d'eenvoudige reden dat ik er nooit toe in de gelegenheid ben geweest. Toch heb ik mij steeds in 't volle volksleven bewogen, in verschillende kriten, steden en dorpen van mijn vaderland, en ook veel daar buiten, onder allerlei standen, hoog en laag. Nu meen ik echter dat gij liên roomschen, en vooral gij liên roomsche geesteliken teder zijt in uw gemoed aangaande de zaken van uwen godsdienst, en ten einde dus die tederheid te ontzien en niet te kwetsen, daarom schreef ik de gewraakte zinsnede in mijn vorigen brief. Ik was bang U te grieven. Wees verzekerd, mijn vriend! dat ik niets liever wil dan in eendracht en vrede en goede verstandhouding te leven met alle lieden; hoe veel te meer met hen op wier vriendschap ik mij beroeme! - Met mijne {<=fr.>[=friesche]} vertaling van de Bulla ineffabilis, die ik in der tijd voor den vorigen Paus van Romen bewerkte, kunt Gij doen wat Gij wilt. Wilt Gij haar in 't vlaamsch vertalen? Dat begrijp ik niet recht! Als taal-merkweerdigheid? En dan die geheele bulle? Daar zijn genoeg andere stukken in 't {<=fr.>[=friesch]} geschreven, waaruit de eigenaardigheden mijner moedertaal beter kunnen blijken dan uit dit stuk, dat slechts boeketaal, geen volks-spreektaal bevat. En moest Gij die vertaling van den heer Jules Claerhout ontvangen? Had Gij er dan geen? Ik heb er U ja eene gezonden, voor vijf jaren reeds, gelijktijdig met die aan de H.H. Duclos en de Bo. Zoudt Gij am Ende mijn Dialecticon ook niet in eigendom bezitten? Laat mij dit toch eens weten. Van niemand anders moogt Gij een {<=fr.>[=friesche]} vertaling der Bulla en een Dialecticon ontvangen, dan juist van mij, den schrijver, uw vriend. Daar hecht ik grooteliks aan. De nieuwe Schetsboek van Max Rooses is hier op 't Leesmuseum; ik ga dien boek zoo spoedig mogelik lezen, en meld U dan later mijn gevoelen aangaende de gedeelten waarin hij ({<=M.R.>[=Max Rooses]}) daarin van U en uw werk spreekt. Met veel genoegen heb ik uwe aanprijzing van Gailliard's Glossarium in R. d. H. gelezen. Heil Vlaanderen! dat het zulke iverige mannen onder zijne zonen telt. met genoegen, en om uwentwille, zal ik trachten dat opstel in eenig tijdschrift alhier een plaats te bezorgen; in den {<=Nederl.>[=Nederlandsche] Spectator, denk ik. Verwacht ook wel dat het mij zal gelukken. Dat stuk is zoo door en door vlaamsch, zoo typisch-vlaamsch, dat ik het bejammeren moet dat Gij daarin de lompe en onredelike hollandsche spelling met aa en uu volgt, in plaats van d'oude, schoone en aleen goede met ae en ue. Mag ik dat veranderen? Ik moet het stuk dan toch uit {<=R. d. H.>[=Rond den Heerd]} afschrijven! Wat mij zelven aangaat, jammer! jammer! moet ik roepen dat zoo schoonen, weerdigen boek in 't fransch geschreven is. Dat ontneemt daar aan, voor mij, alle weerde. En waarom deed de heer Gailliard zoo dom en dwaas en onvaderlandsch310 (in mijn oog altijd)? Ik kan daar voor geen enkele reden vinden; ik begrijp het niet. Voor mij is die boek nu volkomen onbruikbaar; en voor velen met mij hier in 't noorden. Hoe kan een Vlaming, die nog veel gevoel heeft voor uwe heerlike vlaamsche oudheid, die ook de schoone oud-{<=vl.>[=vlaamsche]} taal bemint, toch zóó franschgezind zijn in hert en nieren? Gailliard mag zich schamen voor iederen Vlaming, voor iederen Nederlander! De {<-d><+D>}uitschers zullen hem erom verachten, en de Franschen, om wier wille hij zich zóó ergerlik verlaagd, moeten er hem acht{<-t><+e>}rrugs om uit lachen, zóó ze al ooit eenige kennis nemen van zijn werk. Hoe jammer! En hoe ergerlik!! - Zie, mijn vriend! daar staan wij nu ook in taalkundig opzicht eens lijnrecht tegen elkander over - Zoethout, Radix Liquiritiae der apotheken, hiet in Friesland Swiethout ({<=fr.>[=friesch]} swiet = zoet); en de ruwe, onbeschaafde leeden ten platten lande zeggen ook swiete prikke ({<=fr.>[=friesch]} prikke = dun stokje). Het ingekookte afkooksel daarvan, in de gedaante van zwarte, droog-harde of vochtig-taaie cilinders, <-heet> (extractum liquiritiae der apothekers) heet in Holland drop, en in Friesland sop. ({<=Fr:>[=Friesch]} sop = sap in 't algemeen, b.v. beiesop = bessensap; maar dit is het sop als bij uitnemendheid). Oude lien zeggen ook wel swietsop (zoet sap) en swartsop. In Groningerland echter, ook een deel van 't oude Friesland, namelik van ouds Friesland tusschen Lauers en Eems geheeten, draagt dit zoethoutextracht den naam van Lakris, lakkris, lakkeris, de stemzate op <-la> kris. Dit is natuurlik een verbastering van liquiritia, maar 't volk meent dat het zoo heet omdat het zoo lekker is. In Noordwestelik Duitschland heet het eveneens "Lakritzen saft." - Voor een unster en ken ik geen ander woord in geheel {<=Nrd>[=Noord]}-{<=Nederl.>[=Nederland]} Dat weegtuug is hier bij 't volk vrij onbekend; ik zag door 't volk nooit een unster gebruiken. Ik dank U voor uwen uitleg van de v. en de f in vrank en frank. Dat onderscheid en is hier niet bekend. Onze tonge en kan de letterverbinding vr onmogelik uutspreken, zoo min als b.v. lr, of mr. En nu vaarwel, mijn hooggeschatte heer! Met een hertelike groete, Uw Vriend Johan Winkler., inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle; idem midden bijgeschreven boven plaats en datum: [begin] (inkt, beide hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5289
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11595
Inhoud
IncipitHoe druk is onze briefwisseling tegen-
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.