<Resultaat 586 van 2036

>

p1
Eerweerde Heer en Vriend!

Reeds deed ik U, bij briefkaarte[1] mijn voorloopigen dank toekomen voor uw geschenk. Thans herhaal ik nog eens, uit 's herten grond, dien dank voor die vier bondels[2] schoone gedichten. Ik heb ze, vast allen, met het grootste genoegen gelezen, en genoten ('t welk een is). Al is mij de gave der dichtkunst onthouden, zoo is toch mijn hert geenzins ongevoelig voor het schoon der poëzij. Menig vers uit uwen bondel heeft mijn ziel geroerd, en bij het meesterlik schoone, dat zijn dichter zal doen eeren zoo lang er Vlamingen zijn, perelden mij herhaaldelik de stille tranen van medegevoel in d'oogen. O! dat is uit der mate schoon! En welk een dankbaar gebruik kondet Gij daar bij maken van al de poëzij die uw roomsche godsdienst en kerkgebaar U zoo ruimschoots aan de hand deed. Ik ben daar zeer gevoelig voor. - Ik vond in uwe gedichten veel dat mij grooteliks behaagde, veel te veel om 't hier op te noemen. Ik zat 's avonds stil met mijn huisgezin neder in het woonvertrek, en las uwe gedichten. Uw brief lag boven, in mijn boek- en schrijfvertrek. Al lezendep2 teekende ik de bladzijde aan van sommige gedichten die mij bijzonder bevielen. Des anderen morgens vergeleek ik mijne aanteekeningen met de opgaven in uwen brief[3] Ze stemden bijna volkomen overeen, behalve dat mijn lijstje een veel grooter getal aanwijzingen bevatte. Uwe vertaling van the song of Hiawatha[4] leverde mij ook groot genoegen op. En hoe aardig is dat tafereeltje in de kerke van Meirelbeke waar de pastor zoo schoone zong aan den auter. Ik kan bij wijlen in uw herte lezen, mijn vriend!

'T is waar, onze geesten moeten in veel opzichten, als op een leest zijn geslagen. Want zoo vele zaken die uw herte bewegen zijn juist de zelfden die mijne ziele ontroeren. Ik ben benieud of die zonderlinge overeenstemming ook nog meer zal blijken, waneer we elkander van aangezicht tot aangezicht zullen zien. -

Ik heb in uwe gedichten oneindig veel schoons gevonden, en ik moet den maker daar voor loven en roemen. Die looft lijkwel, behoeft niet te schroomen[5] om te laken[6] Bovendien, ik ben uw vriend, en dat geeft mij de vrijheid U ook te zeggen, dat er ook hier en daar wel veel in uwe gedichten was, dat mij verwonderde, ergerde, bedroefde; b.v. 't gene op bl. 116 staat van uwen 3d bundel.[7] En nu niet meer hier van!

Uwe beoordeeling van G.'s Glossaire komt morgen reeds, denk ik, in de Nederlandsche Spectator. Ik heb er althans reeds een drukproeve van ontvangen, ter verbeteringe.[8] En mijne beoordeeling van p3dat zelfde werk verschijnt eerstdaags ook in een onzer beste weekbladen[9] Van beide stukken zal ik U en den Heer G. een afdruk zenden. Ook sprak ik dezer dagen alhier, op een wandeling waar hij mij ontmoette, den heer Tadema, een landsman van me (z'n geslachtsnaam op a verraadt dat reeds), en, met zekeren Heer Bohn, de boekdrukkers- en uitgevers-firma Bohn & Co alhier vertegenwoordigende. Hij zei mij, nooit een brief van U te hebben ontvangen, met een vraag of zeker taalkundig tijdschrift, vroeger door hem uitgegeven, nog in leven was. Had hij een brief met die vraag van U ontvangen, hij zou dien bepaald zeker hebben beantwoord, zei hij mij - en dat vertrou ik ook ten volle. Die brief moet dus verloren zijn gegaan. Overigens deelde hij mij mee dat hij reeds geruimen tijd geen tijdschrift van taalkundigen aard, meer uitgaf.

Ik ontving deze week een brief van den heer van Biervliet te Brussel (Sax), met een afdruk van zijn werk "Het Boomke", 't welk hij mij vereerde. Hij schreef me daar toe door U te zijn opgewekt.[10] Ik dank U dus ten vriendeliksten daar voor. De heer van Biervliet schijnt een voliverige Vlaming te zijn, bezield met lust en liefde voor onze moedersprake. Zijn "Boomke" verheerlikt het stille en eenvoudige, maar werkzame en deugdzame leven der burgers van den oud-nederlandschen stempel. De opsteller heeft in dat opzicht mijn volle instemming.

Wat nu J. Hendrik v. B. en zijn "Album" aangaat, p4daar van kan ik U weinig of niets meedeelen. De heer van Balen is iemand, die eerst pas het tooneel der nederlandsche letterkunde betreedt. Ik weet geen kwaad van hem, en evenmin goed. Hij schijnt mij een zeer jong mensch te zijn, die wat heel veel hooi op zijn vork neemt (verstaat Gij die uitdrukking?) Wat ik van hem zag en hoorde, had mijne instemming gaar[11] niet. Mag ik U een raad geven - kijk dan eerst eens de kat uit den boom, en zie welke koers dat Album-scheepke neemt. Voorzichtigheid beveel ik U in dezen bijzonder aan.

Voor uwe voorbeelden van verwisselingen[12] tusschen m en n dank ik U. Tadinga en Tadema hebben een verwante bediedenis, maar beteekenen niet het zelfde. Ieder Tadema is een Tadinga, maar ieder Tadinga behoeft daar om geen Tadema te zijn. Tadema en Tadena is te zeggen zoon van Tade, Tadinga is afstammeling van Tade, kan dus een zoon, ja maar ook een kleinzoon, een achter-kleinzoon, een naneef van Tade zijn.

Uw "ik bave, nen baaf, ik trambooie, travooie, lambooie”[13] en heeft in Friesland geen weerga. Ik zou die woorden niet verstaan. Te Leeuwarden komt de geslachtsnaam "Lambooy" voor, die mij onverklaarbaar is; 't is een onfriesch geslacht. -

En nu nog: "voor 't lest, 't best," namelik om U mijn vriendeliksten dank te brengen voor de groote welwillendheid waar mede Gij mij een genoegen hebt willen bereiden door mij een overzetting[14] mede te deelen van wat in 't Antiquarisk Tidskrift vermeld wordt aangaande eenp5volkplanting van Friesen op de Faeroer[15] Dat is merkweerdig, niet waar? - Het was mij bekend; het antiquarisk Tidskrift vindt in Friesland vele lezers, naardien er vele Friesen zijn die de noorsche talen verstaan. Men kan de Friesen beschouwen als een verbindings-schalm[16] formende tusschen de eigenlike Germanen, de Teutonen[17] en de Skandinaviers. En zoo is de verhouding in der daad. Van ouds her waren de Friesen steeds met vele banden aan Noren, Denen en Zweden gehecht, en omgekeerd. De hedendaagsche Friesen, onze kooplieden en zeelieden, onderhouden steeds vele verbindingen met Skandinavien. Vele Friesen, vooral uit Harlingen, Groningen en Emden varen jaarlijks in den zomer wel 3 of 4 maal heen en weer naar Denemarken en Noorwegen en Zweden, en dezen doen van hun kant even zoo. In onze havens liggen steeds noorsche schepen, en geen skandinavische haven van eenig belang waar men geen friesche schepen en zeelui zal vinden. Verstaat Gij zelve ook noorsch, of hebt Ge daar in Kortrijk een Noorman?

In dat Antiquarisk Tidskrift, dezelfde jaargang waarin dit oude stuk aangaande de Friesen op Färör voorkomt, vindt men ook een oud volkslied, waarin even eens 't verblijf van Friesen op Faror[18] vermeld wordt. Dat is een schoon gedicht - Gij zult er genoegen in vinden. 'T Refrein er van is zoo:

"Frisar lögdu árar i sjó,
So vildu teir fra landi ró',
Jomfru gràt og hendur sló:
Làtið meg ei à Frisaland fordervast!”[19]

p6O! dat is een schoon, zangrijk lied, en vol echt dichterlik gevoel. De geleerde de Haan Hettema heeft dat faeroiske[20] lied in 't oudfriesch vertaald, en doen afdrukken in 't friesche volks-jaarboekje Iduna, 1852. De vier aangehaalde regels luiden in 't oudfriesch:

"Frisan leiden reman în sé,
Sa weldon se ther fon londe rodia,
Junkfrowe gretade and în tha henda slôch:
Let mi naut în Frîslonde forderva."

Verstaat Gij dat? Zoo 't U behaagt, schrijf ik U geerne dat vers af, 't oud-faeroiske, en 't oud-frîske, en een nederlandsche overzetting daar bij. Meld het mij maar eens.

Ik zie zoo even dat mijne aankondiging van 't Glossaire flamand (hoe kunt Gij zoó de Glossaire gebruiken?[21]) reeds geplaatst is. Morgen of overmorgen zend ik U een afdruk of een nummer van 't weekblad "De Amsterdammer", waar 't in staat.

"Napoliom" zegt 't volk ook hier, en tevens in geheel Duitschland. Men kent in Friesland een volksdeuntje in nedersaksischer tonge, dat vangt zoo aan:

"Wat krupt den daar in 't bosk herom?
Ik glöve 't is Napoleom!"

En nu niet meer, voor deze keer.-

Ontvang mijn hertelikste groete en een oud-nederlandsche handdruk op troue en vrindskepe
Van uwen
Johan Winkler.

Noten

[2] Winkler gebruikt hier het Friese woord ”bondel” voor bundel.
[3] Deze brief is niet aanwezig in het Guido Gezellearchief in Brugge.
[4] Gezelles vertaling van The Song of Hiawatha werd pas in 1886 uitgegeven. In deze brief verwijst Winkler naar de vertaling van de vijfde zang die Gezelle reeds onder de titel ”Mondamin” publiceerde in zijn bundel ”Dichtoefeningen“.
[5] vrezen
[6] afkeuren, kritiek geven
[7] Winkler nam als protestant waarschijnlijk aanstoot aan het stuk:
“Daer zijnder nog die, Hem getrouw
En Hem ter liefden, gaen
Den weg van ’t edel boetberouw,
Zijn koninglijke baen;
Die gaen alwaer ge uw stappen niet
En zet, ontaerde hoop
Van lastervolle dwazen, die ’t
Aenbidden houdt te koop! -”
[8] De beoordeling is uiteindelijk nooit in de Nederlandsche Spectator verschenen. De verontschuldigingen van Winkler voor het niet verschijnen van het stuk volgen in de brief van 23/01/1883.
[9] Winklers beoordeling van de Glossaire Flamand verscheen in het tijdschrift De Amsterdammer: (19 november 1882) 282, p.4. Het eerste deel van deze beoordeling werd daarna ook gepubliceerd onder de rubriek ”Van hier en van elders” in Rond den Heerd: 18 (3 december 1882) 1, p.6-7.
[10] Emile Van Biervliet correspondeerde met Guido Gezelle en Adolf Duclos.
[11] helemaal, totaal
[12] Vermoedelijk verwijst Winkler hier naar een vorige brief van Gezelle die niet aanwezig is in het Guido Gezellearchief in Brugge.
[13] Vermoedelijk verwijst Winkler hier naar een vorige brief van Gezelle die niet aanwezig is in het Guido Gezellearchief in Brugge.
[14] Vermoedelijk verwijst Winkler hier naar een vorige brief van Gezelle die niet aanwezig is in het Guido Gezellearchief in Brugge.
[15] De Faeröer is een eilandengroep in de noordelijke Atlantische Oceaan in de driehoek Schotland-Noorwegen-IJsland.
[16] metalen ring van een ketting
[17] Een Germaanse stam die oorspronkelijk waarschijnlijk uit het Deense Waddengebied, Jutland of zuidelijk Scandinavië stamde
[18] De a en de o zijn schuin doorstreept. Het Faeröers wordt geschreven met het Latijnse alfabet, waaraan verschillende tekens zijn toegevoegd waaronder bv Ø.
[19] Frísa Vísa. In: Antiquarisk Tidsskrift: (1849-1851), p.95-96.
[20] Faeröers is een Noord-Germaanse taal gesproken in de Faeröer, Denemarken, Groenland
[21] Winkler spreekt in zijn aankondiging over ’het’ Glossaire Flamand, terwijl Gezelle ’de’ Glossaire Flamand schrijft.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamGailliard, Edward Louis
Datums° Brugge, 04/07/1841 - ✝ Brugge, 29/07/1922
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar-uitgever; archivaris; historicus; taalkundige
BioGailliard ging naar het Sint-Lodewijkscollege (Brugge) en het kleinseminarie te Roeselare, waar hij les kreeg van Guido Gezelle. Toen zijn vader in 1864 stierf, nam hij diens drukkerij-boekbinderij over. Bij hem verschenen Rond den Heerd, La Flandre, De Halletoren en vele andere tijdschriften en boeken. Hij schreef samen met Gilliodts een Table analytique en een Glossaire Flamand. In december 1884 werd hij rijksarchivaris te Brugge. Hij was stichtend lid van de Koninklijke Academie voor Vlaamse Taal- en Letterkunde (08/07/1886) en secretaris van haar Bestendige Commissie voor Middelnederlandse Letterkunde. Van 1894 tot 1905 werkte hij aan De Keure van Hazebroek (5 delen).
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; oud-leerling van Gezelle; uitgever van Rond den Heerd
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamVan Balen, J. Hendrik; Kapitein Hendrik Verveen; Elsje van Houweningen; Koen van Dam
Datums° Kralingen, 08/09/1851 - ✝ Arnhem, 04/11/1915
GeslachtMannelijk
Beroepambtenaar; schrijver; redacteur
VerblijfplaatsNederland
BioJohan Hendrik van Balen was een schrijver van historische romans, jeugdromans en reisverhalen. Daarnaast schreef hij ook over zoogdieren en vogels. Van Balen was medewerker, oprichter en redacteur van meer dan zestien tijdschriften, waaronder het geïllusteerde kunsttijdschrift "Het Album" dat enkel in 1883 verscheen.
Links[dbnl]
BronnenGevaert, Dries, Guido Gezelle, en Johan Winkler. De Briefwisseling Tussen Guido Gezelle En Johan Winkler. 1984, dl. III, p.445; http://www.biografischportaal.nl/persoon/38464353
NaamVan Biervliet, Emile Florimond Herman; Sax
Datums° Brugge, 07/04/1851 - ✝ Mortsel, 10/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepschrijver; toneelschrijver; leraar
BioEmile Van Biervliet was de zoon van Marie Van Biervliet, een ongehuwde naaister. Hij maakte als kind kennis met Gezelle op de parochie en had zelf ook literaire ambities. Onder het pseudoniem Sax werkte hij mee aan "Burgerwelzijn" en "Rond den Heerd" tussen 1879 en 1883. Zijn literaire publicaties omvatten prozaverhalen, toneelstukken, liederen en poëzie. Hij stichtte de Taalbond, een bovenpartijdige Vlaamse sociaal geïnspireerde vereniging die niet veel succes kende. Uit de correspondentie met Adolf Duclos blijkt zijn penibele financiële situatie. Hij vertrok om onduidelijke redenen naar Brussel. Daarna kende hij een zwervend leven als leraar, journalist en boekhouder, dat hem naar Leuven, Brugge, Rotterdam en Amsterdam leidde. Hij stierf ongehuwd in het Sint-Amadeusgesticht te Mortsel.
Relatie tot Gezellecorrespondent; Rond den Heerd
Bronnen https://www.archiefbankbrugge.be/Archiefbank
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamTadema, Jelte Karel
Datums° Nijkerk, 12/03/1842 - ✝ Ahrweiler, 30/07/1899
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; uitgever
VerblijfplaatsNederland
BioJelte Karel Tadema trok, na zijn jeugd in Friesland, naar Haarlem om in de leer te gaan bij een boekhandelaar. Daar belandde hij in de boekhandel van de vader van een jeugdvriend, tot hij in 1867 in dienst trad bij de uitgeverij ‘De Erven F. Bohn’ van Pieter François Bohn. In 1869 trouwde hij met Cornelia Dorothea ter Hoffsteede, met wie hij twee kinderen (Jan Cornelis en Johannes Leendert) kreeg. Na het overlijden van Bohn in 1872 zette Tadema de uitgeverij verder en legde deze zich meer toe op het uitgeven, waardoor de boekhandel uiteindelijk werd stopgezet. Daarnaast was Tadema onder meer actief in het veld als oprichter en eerste voorzitter van de Nederlandse Uitgeversbond in 1880. Zijn beide zoons namen de zaak over na zijn dood.
Bronnen http://www.biografischportaal.nl/persoon/94556112
NaamBohn, Pieter François
Datums° Haarlem, 09/03/1800 - ✝ Haarlem, 01/03/1872
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; uitgever
VerblijfplaatsNederland
BioPieter François Bohn kwam na het overlijden van zijn vader (François Bohn) in 1820 aan het hoofd van diens uitgeverij te staan, die vanaf dat moment ‘De Erven F. Bohn’ zou heten. Tussen 1820 en 1872, het jaar waarin Bohn overleed, publiceerde de uitgeverij meer dan 500 manuscripten, met grote betrokkenheid van Bohn zelf. In 1835 trouwde hij met Dorothea Petronella Beets, die later in 1864 overleed en waarmee hij vijf kinderen kreeg. In 1867 begon de succesvolle samenwerking met de jonge Jelte Karel Tadema, die dan vennoot werd van de uitgeverij en deze ook verderzette na Bohns dood.
Links[dbnl]
BronnenChantel Keijsper, Vier generaties Bohn actief van 1752 tot 1900. In: Deugdelijke arrebeid vordert lang bepeinzen : jubileumboek uitgegeven ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan van uitgeverij Bohn, 1752-2002. Houten : Bohn Stafleu Van Loghum, 2002, p.19 ev. ; http://www.biografischportaal.nl/persoon/39914753
Naamde Haan Hettema, Montanus
Datums° Bolsword, 28/01/1796 - ✝ Leeuwarden, 18/12/1873
GeslachtMannelijk
Beroeptaalkundige; advocaat; rechter
VerblijfplaatsNederland
BioHet geslacht de Haan Hettema is afkomstig uit Friesland en behoort sinds 1815 tot de Nederlandse en later ook tot de Belgische adel. Montanus de Haan Hettema groeide op in een kinderrijk winkeliersgezin als zoon van de katholiek en patriot Hans Hettema. Na enkele Latijnse scholen te hebben bezocht, studeerde Montanus rechten in Groningen. Hierna werd hij advocaat bij de rechtbank aldaar en later, vanaf 1838, ook arrondissementsrechter. Als taalkundige pleitte hij voor het naleven van de Oudfriese spelling, waar hij meerdere publicaties aan wijdde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Bronnen http://www.biografischportaal.nl/persoon/49655003

Naam - plaats

NaamBrussel
GemeenteBrussel
NaamKortrijk
GemeenteKortrijk
NaamHaarlem
NaamLeeuwarden
NaamHarlingen
NaamGroningen
NaamEmden

Naam - instituut/vereniging

NaamUitgeverij Bohn
BeschrijvingOp 7 november 1752 liet Christoph Henrich Bohn zich in Haarlem in het gildenboek als boekhandelaar inschrijven. De firma bestond uit een kleine drukkerij annex uitgeverij en boekhandel; het was toen, voornamelijk bij familiebedrijven, gebruikelijk om al deze disciplines onder één dak uit te oefenen. In 1820 veranderde kleinzoon Pieter François Bohn de naam naar 'de Erven F. Bohn', en groeide de firma uit tot een belangrijke literaire uitgeverij. Vanaf het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde Bohn zich steeds meer tot een wetenschappelijke uitgeverij, zoals ze vandaag voort bestaat onder 'Bohn Stafleu van Loghum'.
Datering1752-heden

Titel - gedicht van Guido Gezelle

TitelMondamin (Amerikaansch verdichtsel over den oorsprong van het mais ofte liet Indisch kooren)
PublicatieDichtoefeningen (Verzameld dichtwerk, deel I), p. 174
TitelTe Merelbeke
PublicatieLiederen, Eerdichten et Reliqua (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 383
TitelWeerom de vrije klok
PublicatieGedichten, Gezangen en Gebeden (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 133

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelVerzamelde werken. Leuven-Roeselare: Fonteyne-De Meester, 1878-1880

Titel - ander werk

TitelGlossaire flamand de l'inventaire des archives de Bruges (section première, première série)
AuteurGilliodts-Van Severen, L.; Gailliard, E.
Datum1879-1882
PlaatsBruges
UitgeverGailliard
GGBGGB 1175
TitelDe Nederlansche spectator (periodiek)
AuteurLindo, P.
Datum1856-1908
PlaatsArnhem
UitgeverThieme
TitelHet Boompje
AuteurVan Biervliet, Emile
Datum1882
PlaatsBrugge
UitgeverJ. Fockenier & Zoon
TitelAntiquarisk tidsskrift (periodiek)
Datum1843-1864
PlaatsKopenhagen
UitgeverKongelige Nordiske Oldskrift-Selskab
TitelIduna : Fryske rym end unrym (periodiek)
AuteurSytstra, H.S.; Selskip foär fríske tael end skriftenkennisse
Datum1845-1870
PlaatsFrentser (Franeker)
UitgeverJ. F. Jongs
TitelDe Amsterdammer (periodiek)
AuteurDe Koo, Johannes (red.)
Datum1877-
PlaatsAmsterdam
UitgeverEllerman, Harms & Co
TitelThe Song of Hiawatha
AuteurLongfellow,Henry Wadsworth
Datum1855
PlaatsBoston
UitgeverTicknor and Fields
TitelTaalkundige bijdragen (2 dln.) (periodiek)
AuteurCosijn, Peter Jacob; Kern, H.
Datum1877 - 1879
PlaatsHaarlem
UitgeverBohn
TitelHet Album. Geïllustreerd tijdschrift aan letteren en kunst gewijd voor Nederland, België een Noord-Duitschland. (periodiek)
AuteurVan Balen, J. Hendrik
Datum1883
PlaatsNijmegen
UitgeverH. C. A. Thieme

Titel17/11/1882, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurSofie Meneve; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum17/11/1882
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieBriefversie van datering: 17 November 1882 (Begonnen 17 Nov. // Voleindt [sic] 19 ,, ) // ; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.109-114; Fragment in: De Friesche Nieuwjaarswens van Guido Gezelle een mystificatie in miniatuur / door Hesseline de Bos typoscript, p.8
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel en enkel vel, 206x133
wit
papiersoort: 6 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5299
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11603
Inhoud
IncipitReeds deed ik U, by briefkaarte,
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.