<Resultaat 723 van 2155

>

p1
Mon cher Mr. labbé

Jai eu le plaisir de vous adresser hier un paquet de livres par l'entremise de Mr Ch. Beke - Je ne sais s'ils auront le merite de vous plaire, dans le cas contraire veuillez au moins tenir compte de ma bonne volonté - Depuis notre entrevue de Fletre je suis allé à Paris ou j'ai travaillé, mais je nai decouvert aucun document flamand nouveau - Je joins ci contre celui que j ai eu le plaisir de vous signaler . vous en ferez lusage que vous voudrez - Jai vu le sieur Vanneufville imprimeur qui veut bien se charger de la distribution en de la perception du journal Loquela Veuillez je vous prie me faire savoir quand vous nous adresserez les premiers Nos et les conditions de labonnement. Toujours a votre disposition si je puis vous etre utile.

Entre temps
p2
Veuillez Croire mon cher Mr. l abbé a mes meilleurs sentiments
Ignace de Coussemaker
adjoint au maire
Bailleul 15 Juin 84.
p3

Bibliothèque nationale de Paris, fonds latin. Manuscrit n° 9920 cartulari de labbaye de Bourbourg vol. in 4 parchemin seconde moitié du XIIIe siecle folio LXII verso -

"Hec sunt (nomina) eorum qui spectant ad advocatiam ecclesie Broburgensis[1]

In Ruscled:

Emma de Atrio

Grieta filia Emme (Marguerite)

Stephania filia Emme

Stephania filia Grite

Beatrisa filia Grete

Willelmus filius Heilewidis filii domine de Atrio.

Mortua — Hyldebard soror Grete de Atrio

Grieta filia Hyldegard

Stephania filia eius.

Lisa filia Stephanie (Elise)

Mortua — Margareta soror eius

Heila soror eius

Mortuus — Arnoud frater eius in Gandavo

Willelmus frater eius

Treseken soror eius (petite Therese)

Mabin filia Margrete (Mathilde)

Rikild filius Mabin

Margareta filia Mabin

Gerrard filius Mabin

Mortua — Ava de Pismalvelde filia Ave de Atrio (Eva)[2]

Ava de Varneka filia eius

Margareta soror eius

Ava filia eius Margareta

Margareta soror eius Ave

Willelmus frater eius. Clais frater eius (Nicolas)

Margareta filia de Varneka

Soikin frater eius Margreta (petit Francois)

Baudwin frater eius. Willelmus frater eius.

Mortua — Ida filia Ave de Pismasveldep4 Gertrud filia eius (Gertrude)

Grieta soror Gertrud

Lisa filia Griete

Willelmus frater eius

Walterus frater eius

Grieta filia Gertrud Longe

Heilekin filia eius.

In Harseele (Hersele-Nord)

Gysala filia Emme filia Heilewit

Wittin filius Gysale (Louis)

Willelmus frater eius.

Adalisa de Scoudebroek.

Ysentrudis filia eius

Lisa filia Ysentrud

Stephania filia Ysentrud

Oliverus frater eius

Arnoud frater eius Brugensis

Margareta filia Ysentrud

Beatrisa filia Ysentrud

Adelisa filia Beatrise

Heta soror eius (Henriette)

Mortua — Gertrud soror Ysentrud

Henric filius Gertrud in Lo (pres Dixmude)

Neta soror Ysentrud (Henriette ou Antoinette)

Lisa filia Nete

Gertrud soror eius

Yinsote soror eius

Ysentrud soror eius.

Greta soror eius

Nete filia Lise filia Nete

Lisa soror Nete filia Lise

Gerard frater eius Lise } in Brugis

Clais frater eius (Nicolas) }

Willelmus filius Yinsote filia Nete

Margareta filia Ysentrud

In Katinghem (Pas de Calais)[3]

Heila filia Grete

Greta soror eius

Heta soror eius

Heta filia Heilep6 Ava de Broborg

Agatha filia eius

Hannin filius eius Agathe

Gerard frater eius.

Godelief soror eius (Godelieve)

Grieta filia Godelief

Arnoud frater eius

Arnoud filius Agathe.

Nota - L'orthographe est scrupuleuse tous les mots entre parentheses ne figurent pas dans le texte - a cette epoque on m'employait pas le j - on disait eius = ejus.

Comme vous le voyez il y a quelques prenoms dont je n'ai pu trouver le nom moderne J'espere que vous serez plus heureux que moi -

Noten

[1] Ignace de Coussemaker bezorgde een uitgave in drie delen (Rijsel, 1882-1891) van het cartularium van de benedictinessenabdij ‘der Edele Dames van Broekburg’ in het Franse Département du Nord: Un cartulaire de l’abbaye de N.-D. de Bourbourg. De tekst hier is te vinden in Tome T, pp. 224-6, als ‘CCXXII: S. D. (1250-1300) - Noms de ceux qui dépendent de l’avouerie advocatio de l’église de Bourbourg’. Het voorafgaande en korte document op p. 224 is ‘CCXXI: S. D. (1250-1300) - Revenus de l’abbaye de Bourbourg à Crombeke’. Bij de naam Jan die erin voorkomt, staat een voetnoot die ook betrekking heeft op CCXXII, de briefbijlage hier: ‘La langue flamande affecte de maintenir dans les noms propres le radical en le dépouillant de ses accessoires ou de l’élément euphonique; les voyelles. Il faut ajouter aussi que nos ancêtres comme le peuple de nos jours, aimaient les prénoms monosyllabiques. De là cette multitude de personnes qui s’appelaient Jan ou Jos; de là encore cette réduction de prénoms composés de plus d’une syllabe, où l’on ne conservait habituellement que la syllable principale tonique: Clais pour Nicolas. Dans les noms féminins: Grieta pour Marguerite, Lisa pour Elise, Tresekin, petite Thérèse, et ainsi de suite.’
De afsluitende namenrij uit de noot is samengeraapt uit CCXXII en in de Gezelle toegestuurde transcriptie van CCXXII heeft de Coussemaker naast enkele van die korte Vlaamse namen tussen haakjes de langere vorm genoteerd. Blijkbaar is dit het punt dat de Coussemaker én Gezelle interesseerde en wellicht is de noot bij CCXXI vanuit die gedeelde belangstelling ontstaan.
De vergelijking van de aan Gezelle toegezonden transcriptie met de Rijselse publicatie levert nog een drietal interessante gegevens op. Eerst wat betreft de drie plaatsnamen: twee ervan worden herzien in de Errata op het einde van Tome III (p. 96). ‘Ruscled = Ruseled (auj. Ruysselede, arr. De Thielt, Flandre Occidentale)’ - ‘Katinghem = Tatinghem? (nous en faisons Teteghem, canton de Dunkerque-Est, où l’abbaye de Bourbourg avait des propriétés’. De consultatie van het oorspronkelijke handschrift (Bibliothèque Nationale, Manuscrit latin 9920, ff. 62v-63r) helpt al een heel stuk vooruit betreffende die toponiemen: daar zijn te vinden ‘ruseled’, ‘harsele’ en ‘kaninghem’. Dit wordt bevestigd door de Russische academicus Pavel Sh. Gabdrakhmanov. Deze onderzoeker in het domein van de ‘History of private and everday life’ had reeds gewezen op het belang van de namenlijst van CCXXII in zijn bijdrage ‘Comportements anthroponimiques dans les familles de sainteurs (Flandre, fin XIIe - début XIIIe siècle’ in Monique Bourin - Pascal Chareille (ed.), Genèse médiévale de l’anthroponymie moderne V-1 (Université de Tours, 2002) p. 180 (§ 24). In een Russisch artikel uit 2014 gaat hij daar verder op in en geeft hij duidelijk te kennen dat de drie plaatsnamen wel degelijk de aaneensluitende dorpen Ruiselede, Aarsele en Kanegem zijn (op het net: zie de tabellen op pp. 49-50). Een tweede gegeven: in de gedrukte versie zijn enkele onnauwkeurigheden geslopen. Zo zijn in het origineel enkele namen meer te vinden, o.m. staat onder Ruiselede tussen de nrs. 37 en 38 van de hierna volgende vertaling ‘Anna soror eius (Anna, haar zus)’. En die ‘Anna’ leidt naar een derde punt: in de gepubliceerde tekst is ‘Ava’ overal door ‘Anna’ vervangen, ondanks het feit dat de Coussemaker zelf in één van zijn toevoegingen bij de transcriptie de eerste ‘Ava’ nog gelijkstelde met ‘Eva’. (Voetnoot van Paul Thoen)

Vertaling Paul Thoen (Latijn) (met een poging tot genealogische indeling):
Dit zijn de namen van de personen die afhangen van de voogdij van de kerk van Broekburg.

In Ruiselede:

Emma de Atrio (1) / Grieta, dochter van Emma (2) / Stephania, dochter van Emma (3) / Stephania, dochter van Grita (4) / Beatrisa, dochter van Grete (5) / Willelmus, zoon van Heilewid (6-7), zoon van mevrouw de Atrio (= 1) –

Hyldebard (overleden), zus van Greta de Atrio (8-9) / Grieta, dochter van Hyldegard (10) / Stephania, haar dochter (11) / Lisa, dochter van Stephania (12) / Margareta (overleden), haar zus (13) / Heila, haar zus (14) / Arnoud (overleden), haar broer, te Gent (15) / Willem, haar broer (16) / Treseken, haar zus (17) –

Mabin, dochter van Margreta (= 13) (18) / Rikild, zoon van Mabin (19) / Margareta, dochter van Mabin (20) / Gerrard, zoon van Mabin (21) –

Ava de Pismalvelde (overleden), dochter van Ava de Atrio (22-23) / Ava de Varneka, haar dochter (24) / Margarita, haar zus (25) / Ava, dochter van die Margarita (26) / Margareta, zus van die Ava (27) / Willelmus, haar broer (28) / Clais, haar broer (29) –

Margareta, dochter van de Varneka (= 24) (30) / Soikin, broer van die Margreta (31) / Baudwin, zijn broer (32) / Willelmus, zijn broer (33) –

Ida (overleden), dochter van Ava de Pismasvelde (= 22) (34) / Gertrud, haar dochter (35) / Grieta, zus van Gertrud (36) / Lisa, dochter van Grieta (37) / Willelmus, haar broer (38) / Walterus, haar broer (39) –

Grieta, dochter van Gertrud Longe (40-41) / Heilekin, haar dochter (42)

In Herzeele:

Gysala, dochter van Emma (= 1 uit Ruiselede?), dochter van Heilewit (1-3) / Wittin, zoon van Gysala (4) / Willelmus, zijn broer (5) –

Adalisa de Scoudebroek (6) / Ysentrudis, haar dochter (7) / Lisa, dochter van Ysentrud (8) / Stephania, dochter van Ysentrud (9) / Oliverus, haar broer (10) / Arnoud, haar broer (11), uit Brugge / Margareta, dochter van Ysentrud (12) / Beatrisa, dochter van Ysentrud (13) / Adelisa, dochter van Beatrisa (14) / Heta, haar zus (15) / Gertrud (overleden), zus van Ysentrud (16) / Henric, zoon van Gertrud, te Lo (17) / Neta, zus van Ysentrud (18) / Lisa, dochter van Neta (19) / Gertud, haar zus (20) / Yinsote, haar zus (21) / Ysentrud, haar zus (22) / Greta, haar zus (23) / Neta, dochter van Lisa (= 19), dochter van Neta (= 18) (24) / Lisa, zus van Neta (= 24), dochter van Lisa (= 19) (25) / Gerard, broer van die Lisa, te Brugge (26) / Clais, zijn broer, te Brugge (27) / Willelmus, zoon van Yinsote (= 21), dochter van Neta (= 18) (28) / Margareta, dochter van Ysentrud (= 22) (29)

In Téteghem / Katinghem (?):

Heila, dochter van Greta (= Herzeele 23?) (1-2) / Greta, haar zus (3) / Heta, haar zus (4) / Heta, dochter van Heila (5) –

Ava de Broborg (6) / Agatha, haar dochter (7) / Hannin, zoon van die Agatha (8) / Gerard, zijn broer (9) / Godelief, zijn zus (10) / Grieta, dochter van Godelief (11) / Arnoud, haar broer (12) / Arnoud, zoon van Agatha (13)

[2] In de uitgave vervangt de Coussemaker Ava overal door Anna maar hier stelt hij het overal gelijk met Eva.
[3] Fleurbaix (seigneurie de Catinghem) ligt in de Pas-de-Calais.

Register

Correspondenten

NaamDe Coussemaker, Ignace; De Coussemaeker
Datums° Bailleul, 17/03/1842 - ✝ Bailleul, 15/01/1890
GeslachtMannelijk
Beroepschepen; auteur
VerblijfplaatsFrankrijk (Frans-Vlaanderen)
BioIgnace De Coussemaker was de zoon van Edmond De Coussemaeker, eerste president van het Comité Flamand de France. Zelf werd hij in 1862 lid en na de dood van zijn vader werd hij een van de twee vicepresidenten van genoemd comité. Hij behoorde tot de Frans-Vlaamse vriendenkring van Guido Gezelle. Hij was schepen in Bailleul (Belle), had een uitgesproken historische interesse, en steunde volop de regionale beweging. Hij publiceerde vele studies over de regionale geschiedenis van Belle (Bailleul) en omstreken. Hij was lid van de Commission historique du Nord en de Société d'émulation de Bruges. Op aansturen van Gezelle werd hij op 16 november 1887 verkozen tot buitenlands corresponderend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (KB van 13/12/1887). Gezelle schreef een zeer uitvoerig In Memoriam bij zijn overlijden in 1890 (Jaarboek van de K.V.A. voor Taal- en Letterkunde, 5 (1891), p.127-148). Een restant van zijn bibliotheek berust in de bibliotheek van de abdij van Zevenkerken te Brugge.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele, Comité Flamand de France; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenWilly, Muylaert, Frans-Vlaanderen. In: Reizen in den Geest, 1999; Christine Decoo, De brieven van elf vooraanstaande Frans-Vlamingen aan Guido Gezelle (1884-1899). Gent: RUG. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Vakgroep Germaanse filologie, 1981
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamDe Coussemaker, Ignace; De Coussemaeker
Datums° Bailleul, 17/03/1842 - ✝ Bailleul, 15/01/1890
GeslachtMannelijk
Beroepschepen; auteur
VerblijfplaatsFrankrijk (Frans-Vlaanderen)
BioIgnace De Coussemaker was de zoon van Edmond De Coussemaeker, eerste president van het Comité Flamand de France. Zelf werd hij in 1862 lid en na de dood van zijn vader werd hij een van de twee vicepresidenten van genoemd comité. Hij behoorde tot de Frans-Vlaamse vriendenkring van Guido Gezelle. Hij was schepen in Bailleul (Belle), had een uitgesproken historische interesse, en steunde volop de regionale beweging. Hij publiceerde vele studies over de regionale geschiedenis van Belle (Bailleul) en omstreken. Hij was lid van de Commission historique du Nord en de Société d'émulation de Bruges. Op aansturen van Gezelle werd hij op 16 november 1887 verkozen tot buitenlands corresponderend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (KB van 13/12/1887). Gezelle schreef een zeer uitvoerig In Memoriam bij zijn overlijden in 1890 (Jaarboek van de K.V.A. voor Taal- en Letterkunde, 5 (1891), p.127-148). Een restant van zijn bibliotheek berust in de bibliotheek van de abdij van Zevenkerken te Brugge.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele, Comité Flamand de France; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenWilly, Muylaert, Frans-Vlaanderen. In: Reizen in den Geest, 1999; Christine Decoo, De brieven van elf vooraanstaande Frans-Vlamingen aan Guido Gezelle (1884-1899). Gent: RUG. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Vakgroep Germaanse filologie, 1981

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamBailleul

Naam - persoon

NaamBeke, Karel; Beke, Julien Charles
Datums° Wervicq, 27/08/1837 - ✝ Kortrijk, 10/08/1912
GeslachtMannelijk
Beroepindustrieel
VerblijfplaatsFrankrijk
BioJulien Charles Beke was de zoon van Jean Louis Joseph Beke, afkomstig uit Wervik en Marie Thérèse Breyne, afkomstig uit Elverdinge. Julien Charles was linnenhandelaar in Kortrijk en trouwde in 1866 met Emma Crombet, waarmee hij vijf dochters had. Het echtpaar speelde een belangrijke rol in het katholieke leven op de Onze-Lieve-Vrouweparochie te Kortrijk en had nauw contact met Gezelle. Gezelle was biechtvader van Emma Crombet en schreef gelegenheidsgedichten voor de kinderen. De familie introduceerde hem ook bij hun neef François van Costenoble, pastoor van Vleteren. François bracht Gezelle in contact met het Comité Flamand de France, waarvan hij ondervoorzitter was. Julien Charles Beke was ondervoorzitter van het Syndicaat van reizigers, bedienden en bazen van Kortrijk, lid van de kerkfabriek van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk, en drager van het ereteken van het Romeinsch order der advocaten van Sint-Petrus. Hij was een weldoener van de Paulinen. De tante van Emma Crombet, Catherine Crombet (Rijsel, 1792 - Kortrijk, 1859), was een van de medestichtsters van het klooster. Het echtpaar Beke-Crombet ligt begraven op het stedelijk kerkhof van Kortrijk langs de Meensesteenweg.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Kortrijk
Bronnen https://search.arch.be/nl/ ; https://nl.geneanet.org/; Necrologie van Julien Charles Beke in de Gazette van Kortrijk van 18 augustus 1912 en in het Nieuws van Kortrijk van 18 augustus 1912. Online registers burgerlijke stand van Kortrijk via Beeldbank Kortrijk J. De Muelenaere, De Leiegouw 14, 1972, p. 341 e.v.
NaamDe Coussemaker, Ignace; De Coussemaeker
Datums° Bailleul, 17/03/1842 - ✝ Bailleul, 15/01/1890
GeslachtMannelijk
Beroepschepen; auteur
VerblijfplaatsFrankrijk (Frans-Vlaanderen)
BioIgnace De Coussemaker was de zoon van Edmond De Coussemaeker, eerste president van het Comité Flamand de France. Zelf werd hij in 1862 lid en na de dood van zijn vader werd hij een van de twee vicepresidenten van genoemd comité. Hij behoorde tot de Frans-Vlaamse vriendenkring van Guido Gezelle. Hij was schepen in Bailleul (Belle), had een uitgesproken historische interesse, en steunde volop de regionale beweging. Hij publiceerde vele studies over de regionale geschiedenis van Belle (Bailleul) en omstreken. Hij was lid van de Commission historique du Nord en de Société d'émulation de Bruges. Op aansturen van Gezelle werd hij op 16 november 1887 verkozen tot buitenlands corresponderend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (KB van 13/12/1887). Gezelle schreef een zeer uitvoerig In Memoriam bij zijn overlijden in 1890 (Jaarboek van de K.V.A. voor Taal- en Letterkunde, 5 (1891), p.127-148). Een restant van zijn bibliotheek berust in de bibliotheek van de abdij van Zevenkerken te Brugge.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele, Comité Flamand de France; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenWilly, Muylaert, Frans-Vlaanderen. In: Reizen in den Geest, 1999; Christine Decoo, De brieven van elf vooraanstaande Frans-Vlamingen aan Guido Gezelle (1884-1899). Gent: RUG. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Vakgroep Germaanse filologie, 1981
NaamVanneufville, J.
GeslachtMannelijk
Beroepdrukker; boekhandelaar
VerblijfplaatsFrankrijk (Frans-Vlaanderen)
BioJ. Vanneufville was een drukker uit Baillieul. Hij was verantwoordelijk voor de eerste proefdrukken van "Ons Oud Vlaemsch". Er waren vijf proefdrukken, vanaf de derde proefdruk werd J. Vanneufville vervangen door zijn stadsgenoot J. Ficheroulle.

Naam - plaats

NaamBailleul
NaamVleteren (Flêtre)
NaamParijs

Naam - instituut/vereniging

NaamBibliothèque nationale de France
BeschrijvingDe Nationale Bibliotheek van Frankrijk te Parijs werd opgericht onder Lodewijk XI en kende grote uitbreidingen in 1537 (dépôt légal) en daarna onder Lodewijk XIV en in de Franse revolutie (met in beslag genomen verzamelingen van kerkelijke instellingen en edellieden). De expantie werd voortgezet en resulteerde in 1996 tot een nieuw gebouw aan de Quai François Mauriac.
Datering1461-heden
Links[wikipedia]
NaamAbdij Notre-Dame de Bourbourg
BeschrijvingDe abdij Notre-Dame de Bourbourg is een benedictinessenabdij voor adellijke dames. De abdij ressorteerde direct onder de Heilige Stoel. De abdij verhuisde in 1566 naar Sint-Omaars en werd door conflicten verjaagd naar Ieper (1644), Rijsel (1645) en Faumont (1649). De abdij werd opgeheven in 1782.
Datering1103-1782
Links[wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Indextermen

Briefontvanger

Gezelle, Guido

Briefschrijver

De Coussemaker, Ignace

Correspondenten

De Coussemaker, Ignace
Gezelle, Guido

Naam - instituut/vereniging

Bibliothèque nationale de France
Abdij Notre-Dame de Bourbourg

Naam - persoon

Beke, Karel
De Coussemaker, Ignace
Vanneufville, J.

Naam - plaats

Bailleul
Vleteren (Flêtre)
Parijs

Plaats van verzending

Bailleul

Titel - werk van Guido Gezelle

Loquela

Titel15/06/1884, Bailleul, Ignace De Coussemaker aan [Guido Gezelle]
EditeurRik Van Gorp; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderDe Coussemaker, Ignace
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum15/06/1884
VerzendingsplaatsBailleul
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe brieven van elf vooraanstaande Frans-Vlamingen aan Guido Gezelle (1884-1899) / door Christine Decoo. - ongepubliceerde licentiaatsverhandeling Gent, 1984, dl.1, p.127-130
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen, 211x135; 209x132
wit
papiersoort: 5 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle; idem rechts: 15/6 1884 (inkt, beide hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5406
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11719
Inhoud
IncipitJ'ai eu le plaisir de vous adresser
Tekstsoortbrief
TalenFrans; Latijn
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.