<Resultaat 788 van 2044

>

p1+
Eerw. Heer ende Meester,

't Is lange, al te lange, dat ik u geschreven hebben en 'k ben der waarlijk kleene van dat ik nu dan nog niets anders en doe dan antwoorden op uwen brief.

'k Danke u voor uwe bemerkingen over Beyaert's brief[1] waar ik de proefdruksels van verbeterd hebbe. Schoon gij zegt dat oplossen 't beste is, zoudt gij zeker al gelijk wel zeggen: scheikundige, ontleedkundige?[2]

k En kan niet peizen hoe ontledigen in dien brief gebleven zij.

Vorige is eene drukfaute, evenals mogelijke is. Zou klein in Holland of in Oost-vlaamsch-Brabant niet gebezigd worden? Ik peize van ja.

Frankrijk heeft zekerlijk ingediend geweest onder de gedaante van Vrankrijk, 't zijn de letterzetters die dat veranderd hebben. Dat woord aleen hebben zij mij ten minste al 10 keeren verminkt.

Ja, waarlijk, gij krijgt ervan[3] en ongelukkiglijk veel te vele, dat Ruitebrekersboekske van Zondag gaat alle palen te buiten. En, opdat gij alles zoudet weten, zal ik zeggen dat er zelfs nog al tegen die woorden uwer redevoeringe[4] gesproken wordt, tot onder uwe beste en genegenste vrienden toe, maar p2natuurlijk op eenen anderen, zelfs geheel betamelijken, toon. Men heeft bijzonderlijk misnoegd geweest omdat gij dezelfste woorden, in Loquela gedrukt hebt[5]

Zou ik u nu eens mijn gedacht mogen zeggen in aller vriendscepe en zonder den minsten erg?

Het spijt mij uit der mate voor u en voor de vlaamsche zake dat gij die woorden alzoo uitgesproken hebt. Zekerlijk mocht gij wel iets zeggen van deze die al te geweldig zijn, maar zoovele niet, dunkt mij, en gij moestet 't zeggen op eenen anderen toon. Verdienden de deze iets, de fransquillions verdienden toch wel duizend keeren meer en zij hebben veel min gehad en gezegepraald in eene vergadering waar zij aleenlijk hun aangezichte niet en hadden mogen toonen. Ook, 't is mijne innige overtuiginge: uwe kernachtige beeldsprake heeft u meer doen zeggen dan gij wildet zeggen. 'k Wete zelfs uit de betrekkingen die ik met u gehad hebbe dat de woorden die men aanvalt uw eigen gedacht niet uit en drukken.

Ziehier hoe ik de zake versta: de vlaamsche beweging heeft twee koorden aan haren boge, twee slag van mannen die haar moeten vooruithelpen: 1°) Deze die het vlaamsch ophelpen en in eere brengen door hune gewrochten. Gij doet dat met uwe gedichten en met uwe taalstudiën. Mr. Debo heeft dat gedaan met zijn Idioticon, zijne kruidkunde…, Mr. De Carne met zijnen Heliand[6] die ongelukkiglijk in 't dak[7] blijft, andere en andere, gelijk Mr. VDDriessche van Eeghem met p3zijne spaarkassen[8] enz enz.… Die mannen hebben wij noodig, doodnoodig en zij bewijzen de grootste diensten. Doch iedereen, op verre naar, en kan dat niet. En zoo moeten wij nog eene andere klasse Vlamingen hebben.

2°) 't Zijn deze die in openbare vergaderingen, door boeken of door vluchtschriften het vlaamsch verspreiden en anderen vlaamschgezind maken, die vlaamsche bonden stichten, de vlaamsche rechten verdedigen, smeekschriften zenden naar de overheid, die eischen dat er ons overal recht gedaan worde, enz.

Dit tweede slag is er noodig en zeker wel zoo noodig als het eerste; anders zou de vlaamsche tale eene zuivere liefhebberij zijn en niets anders, nooit en zou zij hare rechten hebben.

En nog eens gezeid, vele vlaamschgezinden en kunnen maar op die tweede wijze aleen diensten bewijzen.

Nu, het algemeen gedacht is dat gij te weinig maakt van dit tweede slag van volk. Ik wete dat het anders is, maar 'k moete bekennen dat uwe redevoering dat vermoeden schijnt te bevestigen. 'k wete wel, gij en wilt maar spreken van de overdrevendste van dit tweede slag, maar nu past het zoo dat net deze die deuregaan voor de overdrevendste, inderdaad ook de beste zijn en deze die geheel het kamp bestieren en alzoo valt het op allen. En ook 't viel noodzakelijk op de schrijvers der Vlagge, waarvan eén wel iets maar toch nog zoovele niet en verdiende, dunkt mij. En wat de zake nog verergerde is 't gene gij zegt over 't vlaamsch onder 't burgondisch, spaansch… tijdvak. Daaruit volgt natuurlijk dat het vlaamsch taai is, doch niet, dunkt mij, dat wij p4weinig of niets te verliezen hebben te midden zulke omstandigheden. Ware binst al die vreemde bestieren de geleerdheid zoo verspreid geweest als nu, ik peize dat het eerbiedweerdig vlaamsche volk verre zou te zoeken zijn. Het volk ook van Fransch-Vlaanderen is aan de ongeleerdheid het bewaren verschuldigd zijner tale. Maar laat de fransche Republiek nog 20, 30 jaar te werken gaan gelijk nu, en wij zullen iets zien. De kinders zullen van 2, 3 jaar moeten naar schole gaan om de tale te ontleeren die zij maar met rooi en verstaan en zij zullen gelijk bij de Vlamingen van Parijs de fransche tale aleene spreken of ten hoogste eene soorte van half fransch -half vlaamsch dat verre van 't oud zuiver vlaamsch te zijn, bijna onverstaanbaar zal geworden zijn.

En, wordt er in ons Vlaanderen ook niet hard tegengevrocht, wij zullen staan zien. Kent de hooge klasse nu nog vlaamsch? Wie kent er van ons zelve? 't en zij hij het bijzonder gestudeerd heeft? Wij zijn allen reeds verbasterd, 't en zij gij en andere die van 't vlaamsch hunne studie gemaakt hebben.

En 't en kan niet anders zijn: men houdt er te vele aan fransch te spreken en 't vlaamsch dat men tegenwoordig leert is 't vlaamsch! der is dit groot verschil bij eertijds, dat iedereennu naar schole gaat en eertijds bijna niemand, zoodat de eigenste en dezelfste tale zonder verbastering van geslachte tot geslachte kon overgaan nu en doet zij niets dan verbasteren of wordt meer en meer vervangen door de fransche tale.

Der is dan meer dan ooit eene krachtige beweginge noodig opdat wij een waar eerbiedweerdig vlaamsch volk krijgen. Want waar moeten wij dat volk nu p5gaan zoeken 't en zij bij de eenvoudige, ongeleerde menschen?, al de andere zijn dikwijls verre van eerbiedweerdig te zijn volgens den zin dien gij aan dat woord hecht, 't zijn eenvoudiglijk eerbiedweerdige fransquillions of bastaards en dat volk groeit dagelijks aan en met het onderwijs en allerhande betrekkingen die gedurig toenemen zal hun voorbeeld, van hooge komende, maar al te veel navolgers vinden en tusschen hier en 20 jaar zal dat vlaamsche volk nogmaals versmolten zijn.

De vlaamse beweging is er dan noodig. Welnu in iedere beweging zijn er natuurlijk mannen die, de eene wat geweldiger zijn dan de andere en men moet vele vergeven bijzonderlijk wanneer men zoo weinig toegeeft daar waar het recht en de waarheid zoo klaar zijn.

Zelfs, wij hebben die geweldigaards noodig! ten zijn maar de die die iets bekomen, al de andere geven gedurig toe waar er niets meer toe te geven en is; en daar zij dikwijls maar eene halve overtuiginge en hebben, gaan zij achteruit van 't minste dat zij eenige moeilijkheid tegenkomen. Ook, ware het volgens mijn inzien, onmogelijk al de Vlamingen in die kalme overtuiginge te houden; als er geen vier en vlamme bij en is, zal hunne liefde allichte zoodanig verkoelen dat zij koud zullen worden als ijsbrokken en niets meer en zullen verrichten.

Dat al zegge ik u vrij en vrank, omdat ik peize dat p6gij mij in 't begin de toelatinge gegeven hebt. 'k Ben zeker dat gij omtrent in alles van 't zelfste gedacht zijt, maar 'k hebbe het gezeid om te toonen hoe men uwe redevoering opgevat heeft.

'k Durve verhopen dat het eerste geweld allichte zal over zijn en dat men bekennen zal dat men te verre gegaan is. Nu, 't zijn jongheden.

Wat mij bijzonderlijk tegengaat, 't is dat men zeggen zou dat gij dankbaarheid verschuldigd zijt aan deze die uwe dichten gelezen heeft, alsof gij ons en het geheel het vlaamsche land geene diensten en zoudt bewezen hebben waarvooren wij u dankbaar zijn moeten en wij alleen. Nu, genoeg daarover.

Hebt gij het woord bedelaar gehoord in den volgenden zin? “Is 't wel zeker dat de vrouwe dood is?” “Maar, ja het, den bedelaar heeft hier al overal rond geweest.”. dat wilt zeggen de man die de menschen uitnoodigt de uitveert bij te wonen. Gehoord Beveren-Ardoye.

'k Hebbe beginnen rond gaan voor Mr Debo's zuster. 'k zal altijd wel rond de 15 fr. krijgen en 'k zal allen jare weregaan.

Mr. De Principaal heeft mij de 20 fr gegeven die hij aan EH Baes beloofd had.

Mr VSteenkiste zegt dat hij den boek gekocht en betaald heeft en Karel Beyaert gevraagd hem rechtuit naar Mr. Slosse te zenden: dat was over 14 dagen.

Vele groetenissen van Mr. Craeynest.

Groete u vriendelijk en eerbiedig
Edw Van Robays
Brugge, 17/11/85

Noten

[1] Edward Van Robays richtte in 1885 samen met Karel Beyaert en priester Tahon een landbouwersbond op te Brugge. De oprichting was nodig toen een nieuwe kunstmest op de markt verscheen (Chilisalpeter of Chilinitraat), die voor de boeren vrij duur was. De meeste boeren hadden het al moeilijk met de betaling van hun maandelijkse pacht. Karel Beyaert deed een beroep op Edward Van Robays om de landeigenaars persoonlijk aan te schrijven. Edward stelde een brief op die in West-Vlaanderen verspreid werd. (zie: Bijvoegsel aan de Gazette van Brugge van Zaterdag 8 Augusti 1885. Lanbouwersbond.)
[2] Zie de reeks: J.D.L; E.V.R; G.G. e.a., Vervlaamschingen der Kunsteigene bewoordingen die Blanchet gebruikte in zijne meetkundige lessen. In: Rond den Heerd: 19 (1884) 26-49, p.207, 214, 227, 238, 246, 254, 262, 269, 285, 342, 359, 371, 383. In de jaren 1880 wilde Gezelle samen met een groep collegeleraars een Vlaamse wetenschappelijke vaktaal tot stand brengen. Startende vanuit de Franse termen in de handboeken was het een werk van taalschepping. Edward Van Robays was de grote bezieler. Gedurende een drietal jaren schreef en verzamelde hij bijdragen over het onderwerp in Rond den Heerd (1884-1887). De andere medewerkers waren: Julius De Lorge, leraar te Roeselare en Aloys De Visschere, leraar te Torhout. Ook L.L. De Bo was een medewerker.
[3] Gezelle had sterk uitgehaald tegen het flamingantisme van de West-Vlaamse studentenbeweging in zijn redevoering op de gedenkdag van L.L. De Bo. De West-Vlaamse studenten reageerden met een scherp pamflet waarin ze Gezelle als verrader zagen.
[4] Redevoering van Guido Gezelle op de gedenkdag L.L. De Bo Pittem op 30/9/18850 georganiseerd door de Tieltse afdeling van het Davidsfonds. In de redevoering haalde hij scherp uit tegen taalflamingantisme van de West-Vlaamse studentenbeweging. Hij beschouwde ze als een nutteloze beweging als ”naamloos guitenwerk en verwaande ruitebrekerije van machtelooze kinders".
[5] Brieven Tegenkomsten. Loquela: (Bamesse 1885) 6, p.47
[6] De Carne werkte zeer intensief aan de vertaling van Heliand maar kon dit afwerken omdat hij kwam te overlijden.
[7] De West-Vlaamse uitdrukking in ’t dak blijven betekent: in de vergeethoek geraken.
[8] Henri Vandendriessche was pastoor in Izegem van 1871 tot 1878 en toen begon hij er al een spaarkas met het liefdadigheidsgenootschap het Aartsbroederschap van Sint-Franciscus Xaverius. In 1878 wordt Vandendriessche overgeplaatst naar Egem waar hij in 1882 opnieuw met een spaarkas begon.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVan Robays, Edward; Van Roobeke, Edward
Datums° Egem, 2 of 3/02/1855 - ✝ Barhamur, 30/05/1906
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; priester; missionaris; pater jezuïet
VerblijfplaatsIndië
BioEdward Van Robays, zoon van Leonardus, timmerman, en Rosalia Fraeye, werd tot priester gewijd te Brugge op 22/05/1880. Hij studeerde pedagogie te Leuven. Hij werd leraar wiskunde aan het Sint-Lodewijkscollege op 04/10/1881. Hij zette zich in voor de vernederlandsing van wiskundige termen en schreef diverse bijdragen hierover in Rond den Heerd. Hij was één van de stichters van het tijdschrift Biekorf. Op 24/09/1892 trad hij toe tot de jezuïeten en hij vertrok op 31/10/1894 naar West-Bengalen.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrrespondent; medewerker Rond den heerd; medestichter van Biekorf
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Briefschrijver

NaamVan Robays, Edward; Van Roobeke, Edward
Datums° Egem, 2 of 3/02/1855 - ✝ Barhamur, 30/05/1906
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; priester; missionaris; pater jezuïet
VerblijfplaatsIndië
BioEdward Van Robays, zoon van Leonardus, timmerman, en Rosalia Fraeye, werd tot priester gewijd te Brugge op 22/05/1880. Hij studeerde pedagogie te Leuven. Hij werd leraar wiskunde aan het Sint-Lodewijkscollege op 04/10/1881. Hij zette zich in voor de vernederlandsing van wiskundige termen en schreef diverse bijdragen hierover in Rond den Heerd. Hij was één van de stichters van het tijdschrift Biekorf. Op 24/09/1892 trad hij toe tot de jezuïeten en hij vertrok op 31/10/1894 naar West-Bengalen.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrrespondent; medewerker Rond den heerd; medestichter van Biekorf
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamBrugge
GemeenteBrugge

Naam - persoon

NaamBaes, Pieter Petrus
Datums° Elverdinge, 29/04/1848 - ✝ Izegem, 21/07/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar, schooldirecteur; schoolopziener; auteur
BioPieter Baes was de zoon van Boudewijn Baes, herbergier, en Joanna Ligneel. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en kreeg zijn priesterwijding op 21 december 1872, maar hij was al leraar vanaf september 1872 aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, voor de lessen in koophandel en wiskunde. In november 1873 riep Adolf Duclos Pieter Baes en andere bekenden bijeen om een ‘opstelraad’ voor Rond den Heerd samen te stellen. Baes maakte de stichting mee van de Gilde van Sint-Luitgaarde op 13 februari 1874 en hij bleef tot 1883 secretaris. Op 23 april 1879 kreeg hij een opdracht als docent aan de Staatsnormaalschool voor jongens in Brugge, maar hij werd hetzelfde jaar nog geschorst ingevolge de wet Van Humbeek. Vanaf 17 september 1879 werd hij principaal van het Izegemse Sint-Jozefsgesticht alsook van de vrije lagere school. In 1895 werd hij diocesaan inspecteur. Baes zette zich in voor goede schoolboeken en publicaties voor het onderwijs waaronder "De Taalsleutel of Vlaamsche Spraakregels, Tafelwijze geschikt" en het onderwijskundige tijdschrift "Sint-Canisiusblad".
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
NaamBeyaert-Storie, Karel
Datums° Brugge, 19/08/1848 - ✝ Brugge, 22/02/1922
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; uitgever
BioKarel Beyaert was de zoon van Louis Beyaert-Defoort, een Brugse boekhandelaar en boekbinder. Hij studeerde aan het Sint-Lodewijkscollege van Brugge waar hij les kreeg van L.L. De Bo. Karel volgde zijn vader op en woonde in de Mariastraat in Brugge. Hij gaf veel werk uit van West-Vlaamse prominenten als De Bo, Huys, Duclos, enz. Hij was gehuwd met Marie Virginie Storie. Hij was een van de stichters van de Brugse Eigenaars- en Landbouwersbond en lid van de Confrérie de Saint-Michel die tot doel had de secularisatie terug te dringen.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamCraeynest, Jan; Craeye
Datums° Oostrozebeke, 01/03/1858 - ✝ Sint-Michiels, 23/04/1929
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; pastoor; auteur
BioJan Craeynest liep lagere school in Oostrozebeke, waarna hij naar het Sint-Jozefscollege in Tielt trok. Hij werd er beïnvloed door de Blauwvoeterie die vanuit Roeselare was overgeslagen. Als poësis-leerling werd Craeynest lid van de in 1875 opgerichte afdeling van het Davidsfonds in Tielt. Vervolgens trok hij naar het kleinseminarie voor één jaar, en in oktober 1878 begon hij aan het grootseminarie in Brugge. In 1881 startte hij aan de universiteit van Leuven, waar hij in twee academiejaren het diploma in de filologische en taalkundige wetenschappen behaalde. In augustus 1882 ontving hij zijn priesterwijding. In september 1883 werd hij retoricaleraar in het Sint-Lodewijkscollege van Brugge. Hij bleef er leraar tot 12 augustus 1892. Ondertussen publiceerde hij in De Vlaamsche Vlagge (onder de schuilnaam ‘Craye’) en in Rond den Heerd. Hij was betrokken bij de oprichting van het tijdschrift Het Belfort (1886) waarin hij taalkundige bijdragen leverde. Ook voor Loquela bezorgde hij uitdrukkingen en woorden. In 1887 was Craeynest medestichter van de Biehalle. Craeynest nam deel aan de eerste literaire prijsvraag van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. De wedstrijd kwam er op 18 februari 1887 en betrof het opstellen van een alfabetische lijst van bastaardwoorden. In de redactie van Biekorf zette hij zich in vanaf het eerste nummer in 1890. Hij bleef een ijverige medewerker en publiceerde er heel wat artikels. Vanaf 1898 hielp Craeynest Gezelle bij de vertaling van Goddelijke Beschouwingen. Eén jaar na de dood van Gezelle werd hij benoemd tot aalmoezenier van de gevangenis in Brugge. Hij werd aangepord om de vertaling van die Meditationes Theologicae af te werken. Hij zette dit werk verder waar Gezelle gestopt was. De vertaling bleef echter onvoltooid. In 1904 werd Craeynest benoemd tot pastoor van de Sint-Michielsparochie in Brugge. Dat jaar publiceerde hij ook Woordkunst van Guido Gezelle. In 1907 verscheen het woordenboek Loquela, alfabetisch geordend door de karmeliet Hyacinthus. Caesar Gezelle hielp hem daarbij. Jan Craeynest werd gevraagd om het ‘voorbericht’ te schrijven waardoor hij ook verder het woordenboek ging samenstellen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); adressenlijst Cordelia Van De Wiele; medewerker Rond den Heerd en Loquela; medestichter van Biekorf
NaamDe Bo, Leonard Lodewijk
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/071873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamDe Bo, Maria; De Bo, Marie
Datums° Beveren-Leie, 14/08/1828
GeslachtVrouwelijk
BioMaria De Bo is de zus van Leonard Lodewijk De Bo. Ze kwam na zijn dood in financiële problemen door de schulden die hij achterliet. Ze moest op zoek naar een nieuw onderkomen. Er werden oplossingen gezocht om haar te helpen. Aanvankelijk kon zij in Ruiselede verblijven, in een voorlopige woonst dankzij de deken, maar daar moest ze ook weer weg. Zij ontving ondertussen geldelijke steun van Guido Gezelle en Pieter Baes en anderen die een soort noodfonds voor haar financierden en alle schulden van Leonard De Bo afbetaalden, dankzij de heruitgave van zijn Idioticon. Het aanbod van een kleinere woning in Ruiselede werd door haar afgewezen, tot ergernis van Pieter Baes. Uit het adressenboekje dat Cordelia Van De Wiele voor Guido Gezelle bijhield bleek dat ze uiteindelijk in het begijnhof van Kortrijk een onderkomen vond.
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamDe Carne, Alexis
Datums° Stavele, 11/12/1848 - ✝ Roeselare, 16/12/1883
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; dichter; leraar
BioAlexis De Carne, zoon van Ivo De Carne, herbergier en landsman, en Marie-Thérèse Butaye, was achtereenvolgens leerling in het college van Veurne (1862-1868), volgde filosofie aan het kleinseminarie (1868-1869) en theologie aan het grootseminarie (1869-1872). Hij werd onderdiaken (23/12/1871), diaken (25/05/1872) en priester (21/12/1872). Op 27/09/1872 werd hij leraar aan het kleinseminarie van Roeselare. Hij gaf er les aan de Koophandelsschool van het kleinseminarie en was er leraar Duits in de hogere klassen. Hij werd op 12/04/1882 onderpastoor van de St.-Michielsparochie te Roeselare en bestuurder van de jongelingencongregatie. Hij schreef een verhandeling over de taal van de Heliand en werkte aan de vertaling ervan. Hij vertaalde opera's, schreef verschillende gedichten en liederen. Hij was medewerker aan De Vlaamsche Vlagge, aan De Bo's Idioticon en aan Gezelles Loquela en Rond den Heerd.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamRommel, Hendrik
Datums° Rumbeke, 08/06/1847 - ✝ Brugge, 16/07/1915
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; schooldirecteur; inspecteur
BioHendrik Rommel, zoon van Ivo Rommel, uurwerkmaker en schepen,te Rumbeke en Carolina Bossaert, studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare (studeerde af in 1867). Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 23/12/1871. Hij studeerde verder aan de universiteit van Leuven. In oktober 1873 werd hij huisleraar bij de familie van Caloen en in september 1874 leraar aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge. In september 1883 werd hij principaal van het Sint-Lodewijkscollege tot 26/09/1896. Hij was betrokken bij de inrichting van de collegekapel. Hij liet ook een nieuwe studiezaal bouwen. Hij vroeg Gezelle geregeld om gelegenheidsgedichten voor festiviteiten in het Sint-Lodewijkscollege. Hij werkte mee aan Rond den Heerd en Biekorf. Op 14/03/1892 werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal. Hij was lid (1895-1915) en voorzitter van de Bibliotheekcommissie van de Stad Brugge. Op 26/09/1896 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges en hij stichtte de “revue pratique de l’enseignement” voor de scholen in het bisdom Brugge (1896). Hij kreeg de titel doctor honoris causa aan de universiteit Leuven en hij werd titulair kanunnik van de Brugse kathedraal (26/03/1908).
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde; aanvrager gelegenheidsgedichten
NaamSlosse, Leopold; Omicron
Datums° Marke, 02/11/1842 - ✝ Rumbeke, 31/03/1920
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor
BioLeopold Slosse, zoon van Jan Slosse en Ursula Vandaele, ontving zijn priesterwijding te Brugge op 15/06/1867. Hij werd leraar en hulpbewaker aan de Sint-Aloysiusschool te Kortrijk (30/03/1867) en leraar aan het college te Diksmuide (15/06/1867). Vervolgens was hij vanaf 09/10/1868 onderpastoor te Sint-Kruis (Brugge), te Izegem (06/03/1872) en daarna pastoor te Kooigem (02/04/1891) en te Rumbeke (15/07/1896). Hij was een heemkundige en verzamelaar van o.m. bidprentjes. Zijn belangrijkste werk is Rond Kortryk of Schetsen over de prochien van het oud bisdom van Doornyk liggende in de voormalige dekenijen van Helkyn, Kortryk en Wervick, een geschiedenis van 61 alfabetisch gerangschikte gemeenten.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
NaamVandendriessche, Henri
Datums° Otegem, 24/08/1839 - ✝ Aalbeke, 01/02/1904
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; coadjutor; onderpastoor; pastoor
BioHenri Vandendriessche, zoon van Carolus-Ludovicus Vandendriessche, landsman, en Rosalia Vervaingne, spinster, liep school aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij trok als pauselijk zoeaaf naar Italië. Hij werd tot priester gewijd op 22/12/1866 door bisschop Faict. Hij was coadjutor te Ettelgem (27/03/1867), onderpastoor te Vladslo (02/04/1868), te Izegem (25/10/1871) en te Egem (02/01/1878). Vervolgens was hij pastoor te Varsenare (25/11/1891), te Oostkerke (14/09/1893) en te Sint-Kruis (15/03/1899). Hij nam ontslag op 6 februari 1902 en verbleef verder te Aalbeke bij zijn schoonbroer, onderwijzer Henri Van Oosthuyse, waar hij ook overleed. Hij was de stichter van verschillende parochiale gilden.
Links[odis]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
NaamVan Robays, Edward; Van Roobeke, Edward
Datums° Egem, 2 of 3/02/1855 - ✝ Barhamur, 30/05/1906
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; priester; missionaris; pater jezuïet
VerblijfplaatsIndië
BioEdward Van Robays, zoon van Leonardus, timmerman, en Rosalia Fraeye, werd tot priester gewijd te Brugge op 22/05/1880. Hij studeerde pedagogie te Leuven. Hij werd leraar wiskunde aan het Sint-Lodewijkscollege op 04/10/1881. Hij zette zich in voor de vernederlandsing van wiskundige termen en schreef diverse bijdragen hierover in Rond den Heerd. Hij was één van de stichters van het tijdschrift Biekorf. Op 24/09/1892 trad hij toe tot de jezuïeten en hij vertrok op 31/10/1894 naar West-Bengalen.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrrespondent; medewerker Rond den heerd; medestichter van Biekorf
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamVan Steenkiste, Eugeen Karel
Datums° Brugge, 27/08/1841 - ✝ Brugge, 17/02/1914
GeslachtMannelijk
Beroepzoeaaf; arts; gemeenteraadslid
BioEugeen Van Steenkiste was een Brugs geneesheer. Hij deed zijn middelbare studies in Brugge en Kortrijk en studeerde af in 1859. Hij werd student geneeskunde aan de Katholieke Universiteit Leuven (afgestudeerd in 1866). Na zijn studies deed hij vrijwilligerswerk bij de pauselijke zoeaven, en bouwde hij een medische carrière uit in Brugge. Hij werd geneesheer aan het Sint-Janshospitaal te Brugge (1880) en werd er hoofdarts in 1899. Hij engageerde zich zeer sterk in het katholieke Vlaamsgezinde verenigingsleven. Hij was medestichter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde (1874) en de Brugse Davidsfondsafdeling (1875). Bovendien was hij erg actief in de Vlaamse Broederbond en de Breidelcommissie en betrokken bij de oprichting van het tijdschrift Biekorf (1889). Hij verwierf faam als voorzitter van de Katholieke Burgersgilde en zette zich in voor de vernederlandsing van het culturele leven. Hij was erg strijdbaar en schuwde ook de meer radicale strekkingen niet. Zo was hij was nauw betrokken bij de studentenstrijd en steunde hij ook een tijd lang de democratisch gezinde katholieken. Vanaf 1878 was hij actief als gemeenteraadslid, waar hij het opnam voor de vernederlandsing van de stedelijke administratie.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde; medestichter van Biekorf

Naam - plaats

NaamArdooie
GemeenteArdooie
NaamBeveren
GemeenteRoeselare
NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamEgem
GemeentePittem

Naam - gebeurtenis Guido Gezelle

GebeurtenisRuitebrekersrede Tielt
Periode30/09/1885
BeschrijvingGezelle houdt een rede te Tielt, bij de herdenking van L.L. De Bo, waarin hij zich scherp afzet tegen ‘tuimelperten' en 'verwaande ruitebrekerije van machtelooze kinders', meer bepaald de actie van de Vlaamse studenten te Leuven.

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelWestvlaamsch idioticon
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk
Datum1873
PlaatsBrugge
UitgeverGailliard
TitelDe Vlaamsche Vlagge (periodiek)
Datum1875-1933
PlaatsBrugge
UitgeverDelplace
TitelHeliand
Datumca 825
TitelDe ruitenbrekers
Auteur[De Visschere, Emile; e.a.]
Datum[1885]
PlaatsAntwerpen
UitgeverKennes

Titel17/11/1885, Brugge, Edward Van Robays aan [Guido Gezelle]
EditeurEls Depuydt; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderVan Robays, Edward
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum17/11/1885
VerzendingsplaatsBrugge (Brugge)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en enkele leden van de Dietsche Biehalle en Biekorf. Deel 2: Brieven / door Ina Galle. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1984-1985), p.142-147
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel en enkel vel, 211x134
wit, vierkant geruit
papiersoort: 6 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G.Gezelle (inkt, hand P.A.); idem rechts: 17 <Febr.>>-11-> 85 (inkt); op zijde 6 stukken tekst met blauw potlood doorgehaald
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5555
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11866
Inhoud
Incipit't Is lange, al te lange, dat ik u geschreven
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.