<Resultaat 1214 van 2647

>

p1+Geloofd zy Jesus Christus! amen.
Eerweerde Heer Gezelle,

Dyssendag aanstaande, 12 October, is het te Ruddervoorde ten mynen huize vergâring van den "Swighenden Ede". Het ware het jong gezelschap, bestaande uit Hugo Verriest, Vanhee en Consoorten, aller aangenaamst, wildet gy de vergâring met uwe tegenwoordigheid vereeren. Vergadering begint ten 1 1/4 uren, zoodat gy met het konvooi van rond den Elven schoone kunt landen. Dr Lauwers is ook van den hoop. Het wachtwoord[1] is: "Elc were sich en slepe de ē"[2]

Eerbiedig gegroet.
Karel Blancke
p2

Noten

[1] De werking van de Swighenden Eede was geheim, vermoedelijk als voorzorg tegen kerkelijk toezicht op de studentenbeweging.
[2] De zaak van de ‘slepende e’ is een onderwerp dat vaak aan bod kwam. De ‘slepende e’ verwijst naar een toegevoegde e, zwak, dof uitgesproken (/ə/). Deze wordt veelal toegevoegd in dialectwoorden vb ‘zevene’ i.p.v. ‘zeven’. In een brief van G. Gezelle aan G. Van Mullem schrijft Gezelle: “Het woord "slepende e" is een dwaas uitvindsel”. Volgens hem hoef je je niet druk te maken over die toegevoegde ‘e’. Of het nu 'roede' of 'zevene' is, die eind-e klinkt altijd al zacht en slepend. Het is geen grote uitzondering of afwijking.
Vette/nat = rotenat G. Gezelle, Zantekoorn. Rotenat. In Loquela: 6 (Wiedmaand 1886) 2, p. 14: “ROTENAT = Zoo nat als 't vlasch dat versch uit de rote, uit den rootput komt. - Hij kwam thuis rotenat. Geh. Paschendaele.”zijpende nat lekend natCortemark G. Gezelle, Zantekoorn. Rotenat. In Loquela: 6 (Wiedmaand 1886) 2, p. 14: “ROTENAT = Zoo nat als 't vlasch dat versch uit de rote, uit den rootput komt. - Hij kwam thuis rotenat. Geh. Paschendaele.”spugers zijn bluverskinders die spuigen blijven gemeenelijk levenP. Roelens Pieter Roelens stuurde de spreuk op naar Gezelle in een briefkaart van 31/07/1886.rijm blijvenspreuken Onderstrepingen van Guido Gezelle in blauw potlood. Pieter Roelens stuurde de spreuk op naar Gezelle in een briefkaart van 31/07/1886. Onderstrepingen van Guido Gezelle in blauw potlood.

Register

Correspondenten - personen

NaamBlancke, Karel; leukos
Datums° Wingene, 30/06/1849 - ✝ Handzame, 18/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; dichter; onderpastoor; pastoor
BioKarel Blancke werd geboren te Wingene op 30 juni 1849 als zoon van Louis, bakker, en Seraphina Vanderschaeghe. Zijn humaniorastudies volgde hij aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als poësisleraar had en in de retoricaklas een tijdgenoot was van Zeger Maelfait. Als leerling engageerde hij zich in de lettergilde en trad er op als voorzitter, waarbij hij opriep tot deelname aan de Vlaamse strijd. Samen met Maelfait vervolgde hij zijn opleiding aan het grootseminarie in Brugge, waar hij Amaat Vyncke leerde kennen. Reeds als kapelaan verleende hij zijn medewerking aan de “Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen” en aan “De Vlaamsche Vlagge”. In “De Vlaamsche Vlagge” publiceerde Blancke vooral religieus en moraliserend werk, maar ook stukken waarin hij de Vlaamse taal en cultuur verdedigde. Hij spoorde jongeren aan het vreemde juk af te werpen en mee te bouwen aan een sterk katholiek Vlaanderen, vaak onder het pseudoniem Legio. Daarnaast leverde hij bijdragen aan “Rond den Heerd” en aan het Leuvense studentenblad “De Tassche”. Samen met zijn broer August was hij in 1880 betrokken bij de oprichting van de volksalmanak “’t Manneke uit de Mane”. Hij was ook lid van ‘De Swighenden Eede’, een geheim eedverbond van priesters en leken dat aan de basis lag van het studententijdschrift “De Vlaamsche Vlagge”, en correspondeerde hierover onder meer met Guido Gezelle. Tot 1925 bleef hij meewerken aan “De Vlaamsche Vlagge”, maar na de bisschoppelijke veroordeling van het Vlaams-nationalisme legde hij zijn functie in de redactie neer. Blancke werd op 30 mei 1874 in Brugge priester gewijd en op 10 juli van datzelfde jaar benoemd tot onderpastoor in Ruddervoorde. Op 26 maart 1897 volgde zijn aanstelling als pastoor in Zuidschote, op 22 februari 1901 werd hij pastoor in Wijtschate en vanaf 25 mei 1908 vervulde hij die functie in Kortemark. In Kortemark werd hij bovendien een van de steunpilaren van de katholieke partij. Na zijn ontslag op 20 november 1933 vestigde hij zich in het rustoord van Handzame, waar hij op 18 januari 1934 onverwacht overleed. Voor zijn verdiensten werd Blancke benoemd tot Ridder in de Orde van Leopold II.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging
Bronnen https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/blancke-karel
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamBlancke, Karel; leukos
Datums° Wingene, 30/06/1849 - ✝ Handzame, 18/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; dichter; onderpastoor; pastoor
BioKarel Blancke werd geboren te Wingene op 30 juni 1849 als zoon van Louis, bakker, en Seraphina Vanderschaeghe. Zijn humaniorastudies volgde hij aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als poësisleraar had en in de retoricaklas een tijdgenoot was van Zeger Maelfait. Als leerling engageerde hij zich in de lettergilde en trad er op als voorzitter, waarbij hij opriep tot deelname aan de Vlaamse strijd. Samen met Maelfait vervolgde hij zijn opleiding aan het grootseminarie in Brugge, waar hij Amaat Vyncke leerde kennen. Reeds als kapelaan verleende hij zijn medewerking aan de “Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen” en aan “De Vlaamsche Vlagge”. In “De Vlaamsche Vlagge” publiceerde Blancke vooral religieus en moraliserend werk, maar ook stukken waarin hij de Vlaamse taal en cultuur verdedigde. Hij spoorde jongeren aan het vreemde juk af te werpen en mee te bouwen aan een sterk katholiek Vlaanderen, vaak onder het pseudoniem Legio. Daarnaast leverde hij bijdragen aan “Rond den Heerd” en aan het Leuvense studentenblad “De Tassche”. Samen met zijn broer August was hij in 1880 betrokken bij de oprichting van de volksalmanak “’t Manneke uit de Mane”. Hij was ook lid van ‘De Swighenden Eede’, een geheim eedverbond van priesters en leken dat aan de basis lag van het studententijdschrift “De Vlaamsche Vlagge”, en correspondeerde hierover onder meer met Guido Gezelle. Tot 1925 bleef hij meewerken aan “De Vlaamsche Vlagge”, maar na de bisschoppelijke veroordeling van het Vlaams-nationalisme legde hij zijn functie in de redactie neer. Blancke werd op 30 mei 1874 in Brugge priester gewijd en op 10 juli van datzelfde jaar benoemd tot onderpastoor in Ruddervoorde. Op 26 maart 1897 volgde zijn aanstelling als pastoor in Zuidschote, op 22 februari 1901 werd hij pastoor in Wijtschate en vanaf 25 mei 1908 vervulde hij die functie in Kortemark. In Kortemark werd hij bovendien een van de steunpilaren van de katholieke partij. Na zijn ontslag op 20 november 1933 vestigde hij zich in het rustoord van Handzame, waar hij op 18 januari 1934 onverwacht overleed. Voor zijn verdiensten werd Blancke benoemd tot Ridder in de Orde van Leopold II.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging
Bronnen https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/blancke-karel

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamRuddervoorde
GemeenteOostkamp

Naam - persoon

NaamBlancke, Karel; leukos
Datums° Wingene, 30/06/1849 - ✝ Handzame, 18/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; dichter; onderpastoor; pastoor
BioKarel Blancke werd geboren te Wingene op 30 juni 1849 als zoon van Louis, bakker, en Seraphina Vanderschaeghe. Zijn humaniorastudies volgde hij aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als poësisleraar had en in de retoricaklas een tijdgenoot was van Zeger Maelfait. Als leerling engageerde hij zich in de lettergilde en trad er op als voorzitter, waarbij hij opriep tot deelname aan de Vlaamse strijd. Samen met Maelfait vervolgde hij zijn opleiding aan het grootseminarie in Brugge, waar hij Amaat Vyncke leerde kennen. Reeds als kapelaan verleende hij zijn medewerking aan de “Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen” en aan “De Vlaamsche Vlagge”. In “De Vlaamsche Vlagge” publiceerde Blancke vooral religieus en moraliserend werk, maar ook stukken waarin hij de Vlaamse taal en cultuur verdedigde. Hij spoorde jongeren aan het vreemde juk af te werpen en mee te bouwen aan een sterk katholiek Vlaanderen, vaak onder het pseudoniem Legio. Daarnaast leverde hij bijdragen aan “Rond den Heerd” en aan het Leuvense studentenblad “De Tassche”. Samen met zijn broer August was hij in 1880 betrokken bij de oprichting van de volksalmanak “’t Manneke uit de Mane”. Hij was ook lid van ‘De Swighenden Eede’, een geheim eedverbond van priesters en leken dat aan de basis lag van het studententijdschrift “De Vlaamsche Vlagge”, en correspondeerde hierover onder meer met Guido Gezelle. Tot 1925 bleef hij meewerken aan “De Vlaamsche Vlagge”, maar na de bisschoppelijke veroordeling van het Vlaams-nationalisme legde hij zijn functie in de redactie neer. Blancke werd op 30 mei 1874 in Brugge priester gewijd en op 10 juli van datzelfde jaar benoemd tot onderpastoor in Ruddervoorde. Op 26 maart 1897 volgde zijn aanstelling als pastoor in Zuidschote, op 22 februari 1901 werd hij pastoor in Wijtschate en vanaf 25 mei 1908 vervulde hij die functie in Kortemark. In Kortemark werd hij bovendien een van de steunpilaren van de katholieke partij. Na zijn ontslag op 20 november 1933 vestigde hij zich in het rustoord van Handzame, waar hij op 18 januari 1934 onverwacht overleed. Voor zijn verdiensten werd Blancke benoemd tot Ridder in de Orde van Leopold II.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; studentenbeweging
Bronnen https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/blancke-karel
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLauwers, Emiel; Rik (pseudoniem)
Datums° Ingelmunster, 23/10/1858 - ✝ Kortrijk, 29/05/1921
GeslachtMannelijk
Beroeparts
BioEmiel Lauwers was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare samen met Albrecht Rodenbach. Hij kreeg er les van Hugo Verriest met wie hij het tijdschrift De Nieuwe Tijd oprichtte. Samen met Verriest was hij in 1886 betrokken bij Gezelles vertaling van The Song of Hiawatha. Hij studeerde geneeskunde te Leuven en vestigde zich in 1888 als chirurg te Kortrijk, en was er werkzaam aan het Heilig-Hartziekenhuis. In 1896 stichtte hij samen met Alfons Depla en Roose een nieuwe ziekenhuis (Sint-Antoniusinstituut). Hij was ook vertaler van Duitse en Engelse geneeskundige werken.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Biekorf
NaamRoelens, Pieter
Datums° 11/04/1852 - ✝ 15/03/1915
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; koster
BioPieter Roelens werd geboren op 11 april 1852 als zoon van Pieter, landbouwer, en Amelia Devrome. Op 19 december 1877 werd hij in Brugge tot priester gewijd. Vanaf 21 februari 1878 was hij werkzaam als leraar aan het Sint-Aloysiuscollege in Diksmuide, een functie die hij uitoefende tot 29 juni 1900. Daarna werd hij geestelijk koster aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Kortrijk, waar hij actief bleef tot aan zijn overlijden op 15 maart 1915.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter
NaamVan Hee, Alfons; Willem
Datums° Lo, 03/04/1846 - ✝ Moere, 28/05/1903
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar, coadjutor; onderpastoor; pastoor; redacteur, auteur
BioAlfons Vanhee was oud-leerling van het kleinseminarie van Roeselare. Hij was er voorzitter van de Lettergilde. Hij ontving zijn priesterwijding op 07/06/1873. Hij werd op 26/09/1873 zelf leraar aan het kleinseminarie. Wegens zijn Vlaamsgezinde houding werd hij door Superior Delbaere ontslagen. Vervolgens was hij coadjutor van pastoor Ghyselen te Alveringem (17/03/1876); onderpastoor te Wijtschate (07/08/1876) en te Langemark (23/09/1885) en pastoor te Moere (24/02/1900). Hij was lid van de Swighende Eede, een geheim genootschap van Vlaamsgezinde vrienden opgericht door Hugo Verriest. Hij was schrijver van blijspelen o.a. Het Testament, Boerenkrakeel. Hij schreef talrijke bijdragen in het West-Vlaamsch Idioticon van De Bo, Loquela, De Vlaamsche Vlagge, De Student en Nieuwe Tijd, maar werd vooral bekend door de oprichting van 't Manneke uit de Mane, een West-Vlaamse Volksalmanak. In de Vlaamsche Vlagge en De Student publiceerde hij onder het psuedoniem Willem. Guido Gezelle stuurde hem het gedichtje Uw mes hebt gij naar aanleiding van een maaltijd die Van Hee bij Gezelle genoot.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Loquela; medewerker Biekorf; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde; gelegenheidsgedicht
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamVerriest, Hugo
Datums° Deerlijk, 25/11/1840 - ✝ Ingooigem, 27/10/1922
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; auteur; leraar; directeur kloostergemeenschap; schooldirecteur; pastoor
BioHugo Verriest was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare (1854-1859). Hij kreeg er gedurende negen maanden les van Gezelle. Hij volgde filosofie in 1860 en zijn priesterwijding volgde op 17/12/1864. Hij werd leraar aan het Sint-Lodewijkscollege (09/06/1864) en aan het kleinseminarie te Roeselare (19/09/1867). Hij onderwees zijn leerlingen in de geest van Gezelle. Hij figureerde als spilfiguur binnen de Blauwvoeterij, dit ook als redacteur van het studententijdschrift De Vlaamsche Vlagge, het medium van de Blauwvoeterij. Vervolgens was hij directeur van de Zusters van Liefde in Heule (25/08/1877) en superior van het college te leper (13/06/1878). Hij was pastoor te Wakken (19/09/1888) en Ingooigem (19/06/1895). In 1906 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal-en Letterkunde. Hij was een spilfiguur in de Vlaamse Beweging en een zeer vurig spreker. Als auteur schreef hij romantisch-impressionistische gedichten, talrijke artikels en biografieën o.m. van Guido Gezelle, Stijn Streuvels en Albrecht Rodenbach.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent; medestichter van Biekorf; oud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Naam - plaats

NaamKortemark
GemeenteKortemark
NaamRuddervoorde
GemeenteOostkamp

Naam - instituut/vereniging

NaamDe Swighenden Eede
BeschrijvingDe Swighenden Eede was een geheim eedverbond van Vlaamsgezinde priesters en leken, ontstaan rond 1880 in de kring van Hugo Verriest aan het kleinseminarie van Roeselare. Het had tot doel actief bij te dragen aan de Vlaamse beweging en de studentenbeweging. Hugo Verriest stond aan het hoofd, en van 1886 tot 1890 was Emiel Demonie ondervoorzitter. Oorspronkelijke leden waren naast Verriest en Demonie, Alfons van Hee, Amaat Vyncke en Karel Blancke. Eind 1884 vervoegden Alfons Depla, Hendrik Persyn, Aloïs Bruwier, Renaat Adriaens en Emiel Lauwers het genootschap. Met deze nieuwe leden werd de redactie van "’t Manneke uit de Mane" en "De Vlaamsche Vlagge" vrijwel identiek, waarbij de leden soms de naam “Ridders van de Roode Lancie” of “Ridders van de Groene Tente” gebruikten. De werking van de Swighenden Eede was geheim, vermoedelijk als voorzorg tegen kerkelijk toezicht op de studentenbeweging. Leden waren gebonden door zwijgplicht, en brieven werden anoniem verstuurd. Hendrik Persyn schreef het lied van het genootschap. In 1890 werd de redactie en het beheer van "De Vlaamsche Vlagge" toevertrouwd aan de leken Hendrik Persyn, Alfons Depla en Edward van Robays, waarbij Persyn hoofdredacteur bleef. Vermoedelijk dienden zij als schild voor de geestelijken die deel uitmaakten van de Swighenden Eede. Het genootschap behield het recht om in elk nummer een inleidend artikel te publiceren. Edward Van Robays verving in 1890 Demonie en werd in 1892 opgevolgd door Cyriel Delaere. In 1920 was er korte samenwerking met het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond; na de bisschoppelijke veroordeling van 1925 verscheen het tijdschrift tijdelijk als "Het Pennoen". Andere publicaties waren een brochure over Albrecht Rodenbach, "Vijftig Vlaamsche Liederen" (1891), de brieven van Vyncke (1898) en het weekblad "De Nieuwe Tijd" (1896-1901). Het genootschap liep vermoedelijk na het overlijden van leden geleidelijk terug en bleef actief via "De Vlaamsche Vlagge".
Datering1880-1925

Indextermen

Briefontvanger

Gezelle, Guido

Briefschrijver

Blancke, Karel

Correspondenten - personen

Blancke, Karel
Gezelle, Guido

Naam - instituut/vereniging

De Swighenden Eede

Naam - persoon

Blancke, Karel
Gezelle, Guido
Lauwers, Emiel
Roelens, Pieter
Van Hee, Alfons
Verriest, Hugo

Naam - plaats

Kortemark
Ruddervoorde

Plaats van verzending

Ruddervoorde

Titel06/10/1886, Ruddervoorde, Karel Blancke aan [Guido Gezelle]
EditeurRik Van Gorp; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2025
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenRik Van Gorp; Universiteit Antwerpen, Blancke Karel aan Gezelle Guido, Ruddervoorde (Oostkamp), 06/10/1886. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2025 Available from World Wide Web: link .
VerzenderBlancke, Karel
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum06/10/1886
VerzendingsplaatsRuddervoorde (Oostkamp)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van de aanhef.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 enkel vel, 209 mm x 134 mm
papier, wit
papiersoort: 1 zijde beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op blanco zijde 2 linksboven alsook linksonder: taalkundige notities: Vette/nat = rotenat // zijpende nat // lekend // nat // Cortemark ; spugers zijn bluvers // kinders die spuigen bly // ven gemeenelijk leven // P. Roel[xxx] // rijm // blijven // spreuken (inkt en blauw potlood, verticaal, beide hand G.G.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5699
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11995
Inhoud
IncipitDyssendag aanstaande, 12 Octo-
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.