<Resultaat 1541 van 3115

>

p1+

Jesus Maria Jozef Franciscus Geloofd Zij Jesus Christus 

Dominus det tibi Pacem![1]
Zeer Eerweerden en Alderdierbaarsten Heer ende Meester,

Ik ben wel drie keeren te late, en, confiteor,[2] k belijde mijn' schuld, 't is een‘ schande voor mij. 't Was al van voor Paschen, dat ik, tot Iseghem uit den mond van onzen eerw. vriend Baes, die 't gehoord hadde van uwen eerw. Pastor, vernomen hadde hoe Leuven voornemens was uw werk te bekroonen met er den stempel van het meesterschap op te slaan; 'k hadde het hier onze eerw. vrienden Demonie en andere zoetjes en monkelende in de ooren geblazen, en was van zinne UEerw. te schrijven met Paschen, de verrijzenisse. Ik moeste en wilde U zeggen hoe

'k hoorde blijde boven de anderen
uwen naam verkondigd zijn!

't En is aleventwel geen ondankbaar schaamteloos vergeten, en God dank, 'k en ben toch nog van de die niet

voor wij, uw liefde werk en zweet
p2het leven dat gij om hun sleet
ten schuldbrieven op hun hert geleid,
weegt meer als hunne ondankbaarheid.

Nu toch, denique tandem,[3] den tijd van die vreemde spotters is voorbij en met hun eigen zelven verre weg geschoven en, al wierd hun vloek wat lang gehoord,

toch hooger ende verder dan
ooit spotters tale Reeken kan
daar staat gij!

En wij, uwe leerlingen en kinders, wij herleven; noch en duiken het niet; om uwe altoos groeiende triomphe;

wel en is 't niet, o, gij weet het,
om den ijdelen klank alleen
en den lof, zoo gauw vergeten,
van de menschen: God alleen
wilt ge, en, .....
nooit en zult ge aan ander vanen
als aan Gods uw palmen doen.

't Is er menigeen, dierbaarste Meester mijn, die nooit uw werk en heeft willen of kunnen verstaan, en die wel geern gretende[4] en grijnzende zou gespot hebben:

Vous chantiez; j'en suis fort aise,
Hé bien, dansez maintenant.

Maar, waar zijn ze nu? En hun werk, waar is het? Gij, gij hebt uw nederig lied gezongen, lijk het Ruischen van het Ranke Riet;[5] ge hebt den toon gegeven, 't is dertig jaar bijkan geleên, -p3

Staat op dan! 't Vrije Vlaamsche lied!
Geen valsche dichtpatroonen,
geen vreemde oneigen klanken: niet
als Christen-Vlaamsche toonen.

Gij, de sperke latende groeien en de vlamme die God in uw herte en in uwen geest had geleid, gij hebt deure end, deure verstaan en getoogd hoe gij zoo diepe en zoo breed die wondervolle bestemminge verstond van het "schoone" in het edele plan van Gods scheppinge. Neen, duist keeren, het "schoone" niet meer als de waarheid en het goed,[6] t en is niet eentwat dat buiten ons gedoken ligt en verholen, tusschen de ketens en de banden van 'k en weet niet welke in eengewrochte regels - uitvindingen van levenlooze menschen verstanden - als nen uitgelezen schat voor sommige hooggeleerde geesten; - 't schoone 't is den eigen en natuurlijken glans van al wat waar is en goed, de zoete glimlach van Gods eindelooze bermhertigheid, die hij, tot kwistens toe, gestrooid heeft over al zijne werken, om ons zoo veel te zekerder op te trekken tot zijne oneindige waarheid en goed, om aan onze ziele die ruste te geven in 't samensmelten van eenheid, en order en harmonie, in waarheid en goed, waar zij naar hankert, uit ingeboren drift tot God. Dat hebt ge verstaan en gezeid en geleerd

Als de ziele luistert
spreekt ‘et al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teeken heeft. --
't diep gedoken Woord zoo zoet!

p4De vrije vlaamsche poëzy[7] die edele - ge hebt ze vrij gedicht; luide en onversaagd, ge hebt gezongen:

Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt ge niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heete ik mijn:
oneigene, ik late U, ... ga reizen.[8]

Ge hebt gezongen en gedicht, o meester, ge hebt de schoonheid van ons "Katholieke christen vlaanderen" gevangen en gevat, ge hebt zijn' tale, - die tale die leeft, die waagt en roert, wentelt en keert, noch in geen regels te binden is, maar moet gedronken worden en genut, lijk het kind laafnisse vindt en voedsel aan de borst zijner moeder - ge hebt die tale, laat me zeggen, gedronken met volle teugen, ge hebt er uwen geest en uwen wille meê deurdrongen, en 't eigene vlaamsche lied rolde natuurlijk van uwe tonge! En heel dat eigen vlaamsche wezen, ge hebt het Jesu weêrgegeven, en nu nog, gelijk over dertig jaar meugt ge vrij en vrank wel zeggen:

Dat herte en mond en stemme en al
wat mijn is, Jesus' zij,
en of ik eens mijn woord ontval,
mijn stemme ontvalle mij![9]

Gij hebt gezongen en gedicht, maar ge hebt zoo meteen ook geleerd en onderwezen:p5

Dan op, gij Dichtren, schaamt U niet;
voor Jesus de eerste stem,
voor Jesus! en het laatste lied
voor Jesus, nog voor Hem![10]

Ik wete er, meer als een, die hadde

dat bitter water
van de groote zee gesmaakt,[11]

of die het, lacij,[12] maar al te vele reeds geproefd had, en die 't uwe zangen moeten dank weten is hij niet teemaal[13] die tusschen

die baren, rotsen winden fel[14]

verslegen en vergaan! "Maria, moeder," - zoo stond er op het doodsanctje van dien

Polydor, dat kind van Vlaanderen,
kind van God en kind van U -[15]

Maria, moeder, wees het gedachtig hoe menigmaal en hoe godsvruchtig ik uwen roozenkrans bad!" En menigeen van hen, die uw werk miskenden (zoekende achter hunnen gouden kandelaar) zullen verwonderd hebben staan zien, zij die nooit en hadden gepeisd hoe gij in 't herte van uwe leerlingen zulk een zaad hadt weten te leggen waar uit, vroeg of late, Maria's hemelzoete roozen zouden groeien en bloeien! 

Nu, uw werk, waaraan gij, lijk de moeder aan heur kind, meer houdt als aan uw zelven, waaraan gij uwen arbeid en uw zweet, uw leven en alles wat U is, zoo mildelijk hebt ten besten gegeven, uw werk is bekroond!p6

Het Leuvensch leergesticht, weêrspegelende in zijn schoot,
de felle stralen die Sint Thomas leering schoot,[16]

heeft u leeraar uitgeroepen en bekroond, en uw werk, tot doctor's werk erkend. Wat vragen wij meer?

"Ah, doctors zijn daar wel en waarborglooze monden,
die, jeukend, overal hun eigen woord verkonden...
Geen zulk' heeft Vlaanderen ooit in zijnen schoot gedragen,
maar anderen, gij vooreerst, verblijden weêr de dagen
die 't eigen land, waarin gij eerst gewonnen wierdt,
beleeft, terwijl 't den loop van zijn bestemming viert."[17]

En daarmeê sluite ik mijn feestrede en mijne hertelijkste gelukwenschingen: ze zijn wonder aaneengestooten, 't is waar; in plaatse van de blommen, hebbe ik UEerw. den wortel gegeven, tot meerdere zekerheid; daarenboven, meenende te weten hoe Gij de zaken verstaat, 'k hebbe u willen zegge hoe ik ze beschouwe, om alzoo langsom meer te komen tot die eenheid van hert en geest. En nu, vooruit, niet waar, met nieuwen moed: de leeraarsmantel is wijd, noch en zal hij u keten of band verschaffen: 't is een nieuw leven, en wij, uwe kinders en leerlingen, wij verwachten ook nieuwe werken; doen we niet wel? Peist ne' keer: 'k zie daar, zoo al med' eens, voor mijne oogen een’ reke tonnen te voorschijne komen, en, 't zingt daar iemand alzoo lijze[18] tusschen zijn' tanden:

Tokt op eene ijdele ton, ton, ton,
ze rolt, ze bolt, ze bommelt;
- - - - - - - - - - - - - -
die vroed is heeft, al vast,
mijn tonnen toegepast.

p7Maar nu moete ik erger werk gaan beginnen, en wie weet of gij bij al mijn geraas het letste zielke van uw verduldigheid al niet kwijt gerocht en zijt. En tot overmate van rampe en tegenspoed, ik kome nog al eens op de laatste stekke. Kleene Louis Beyaert doet morgen en veertien dagen,[19] meene ik zijne eerste H. Communie, en, 'k zou geern, - 't is ik die vrage, in mijnen name, uit vrijwillige, eigene beweginge en persoonlijk begeeren - 'k zou geern voor die eerste Communie uwe doctors handgifte hebben:[20] k en zal der zelfs niet bij zeggen "als 't kan zijn"; gij hebt immers te vele en te schoone gedicht over het H. Sakrament, uw schoonste verzen, misschien, uw meeste en verhevenste gedachten zijn daarover al te natuurlijk uit uw' penne gevloeid, om niet zonneklaar te bewijzen dat gij dicht voor Jesus-Eucharisticus, al zoo "sponte"[21] als de nachtegale zingt. Nog meer: 'k ga zoo stout zijn, zoo overmoedig, en als ge wilt, zoo verwaten[22] om het te durven bestaan u te zeggen wat ik zou begeeren. 't Spreekt van zelfs, niet om u te brengen "elders geborgde gepeizen;"[23] niet om u pale of perk te zetten; maar te vergemeenschappinge, verwisselinge van gedachten en gevoelens. Gij, dichters, onze meesters, gij slaat munte - ge weet wel, van die "munte gave en goed, gelijk de vaderen deden"; wij we brengen u ons metaal, en ge smelt het, geloutert en zuivert ’et, ge beziet ‘et en verleest ’et, ge gebruikt ‘et of ge versmijt ’et, en ge geeft ons toch munte. p8Daar ligt zulk nen onzeggelijke schat muntespijze in de kleen-gedichtjes: 'k hebbe ze daar nog altemale herlezen, - en weet ge wel, meester, dat nievers gelijk daar den oprechten geest en eigen aard van uw werk, van uwe wendinge te vinden is. Ge hebt daar, neen, ik zegge mis, uw' ziele heeft daar heur eigen zelve zoodanig uitgegoten dat het boekske een echt en wezentlijk levensbeeld is. Nu, 'k ga op een blad papier eenige gedachten leggen: ziet hier: 'k hadde liever geen persoonlijke verzen, maar de eerste Communie zelve, in de - Musset heeft ergens gedicht: 

Le cœur de l'homme vierge est un vase profond;
lorsque la première eau qu'on y verse est impure,
la mer y passerait sans laver la souillure;
car l'abîme est immense et la tâche est au fond.[24]

Onder franschen geest en, meugelijks wel, franschen woorden blaai, zit er daar toch een gedacht: nu, 'k zou willen, in tegenstrijdigen zin, U de Eerste Communie zien drijven in 't staal van een bondelke verzen, hoe dat Jesus daar dat maagdelijk kinderherte pakt van den eersten stond, met het gedacht van het H. Sakrament teenegader. Gij ziet het, 't en is toch nog eigentlijk niet voor mij: 't is voor Jesus zelve, en de ondoordringbare wijsheid van zijne grenzelooze bermhertigheid en liefde, in die eerste H. Communie, is ze geen alderschoonste en uitgelezendste doctors-dichtje weerd? Hoe eer hoe liever, alhoewel het juiste op geenen dag of viere of vijve en staat als ik het maar en krijge.p92).…

née de Dieu.[25] Tous les commandements de Dieu ne suffisent pas pour nous le faire aimer; & cela parce qu'une flamme seule peut allumer une autre flamme... La charité de Dieu fut faite homme afin que nos cœurs puissent être rendus capables de brûler de l'amour de Dieu. ... Seul l'amour divin fait Homme, & par là uni à nous et demeurant en nous, est capable de mener notre amour à la perfection. Mais "Dieu est amour; & qui demeure dans l'amour, demeure en Dieu, et Dieu en lui (I Joa. IV. 16)"; & dans chaque communion du corps & du sang précieux de Jésu Christ vous recevez le Sacré Cœur, c'est à dire vous recevez dans votre cœur l'Amour Incarné de Dieu.

Is het niet waar, o meester, dat de overeenstemminge van de menschwording met onze vervallene natuur, daar wonderwel geschetst wordt? 't Denkt mij dat wij, priesters, ons te verre houden van Gods eigen doen: we zitten te vele in de moralis,[26] in 't gebod: we verwaarloozen de liefde, die wij ongetwijfeld beter zouden verkrijgen met de dogmata, met aan den mensch die al te weinig gekende schoonheden te toogen: Cardin. Manning heeft in zijn werk een capittel: "Le dogme est la source de la dévotion." Ten anderen het is en blijft toch waar: nihil volitum nisi quatenus & in quantum cognitum.”[27]

Toch, Christus is gestorven, verrezen en ten Hemel gevaard: en anders wegen de mensch en kan zijn tegenwoordigheid niet missen; maar, zegt Augustinus, "Dormit Adam ut Eva fiat; moritur Christus ut fiat Ecclesia. Dormienti Adae fit Eva de latere, mortuo Christo lancea percutitur latus, ut profluant sacramenta quibus formetur Ecclesia.”[28] Christus had het immers gezeid: 'k blijve bij U tot het einde der eeuwen. C'est pourquoi, zegt Manning, Dieu, afin de faire renaître la conscience de sa présence avec toute la force intime d'un souvenir constant; se constitua lui-même la Tête du Corps dont nous sommes les membres. ... Ce sentiment de sa présence comme Homme & Dieu, & comme chef de l'Eglise dans tous les membres de celle-ci, est toujours & partout soutenu par la présence perpétuelle de la Très-Sainte Eucharistie. L'Eglise visible sur la terre est, pour ainsi dire, le Tabernacle dans lequel réside le Verbe incarné présent sur chaque autel.... L'église visible dans le monde est suspendue comme un dais au dessus de cette Sainte Présence; & tous les autels dans l'Unité catholique ne sont qu'un seul autel, comme le Très-Saint Sacrement sur chaque autel n'est qu'un seul sacrement, un seul mystère du "verbe fait chair" demeurant à jamais au milieu de nous. Par là le sentiment de Sa présence est intime, perpétuel, & universel.

'k Neme dan den mensch, het edele schepsel Gods, zoo wonderlijk begaafd, bekwame, met zijn verstand, om de wezens te kennen die buiten hem zijn, en ze, lijk zij zijn in hun eigen, volgens al de wezenlijke waarheid van hun wezen, naar binnenp10te brengen en ze daar af te schetsen en te schilderen; facultas apprehensiva,[29] zeiden de scholastici; bekwame met zijnen wille om die wezens, alzoo naar binnen gebracht, aan te kleven, te beminnen, en in die liefde de ruste te vinden, gesproten uit de gedurige werkinge van zijne vermogens; facultas expansiva;-[30] k zie God dat natuurlijk wezen van den mensch verheffen tot een bovennatuurlijk order en hem den mensch bestemmen tot eene bovennatuurlijke kennisse en liefde, en oneindig geluk van de goedheid zelve. De mensch, met zijn verstand en zijnen wille, zei St Thomas, wordt eenigszins al de wezens die hij kent en bemint; en al zoo ook wordt hij eenigszins verheven tot het eigen wezen en zijn van God zelve; visio beatifica, facie ad faciem.[31] De kracht van Jesus Christus heeft ons alles, wat tot het leven en de vroomheid strekt, geschonken, door de kennis van God, die ons geroepen heeft door eigene heerlijkheid en deugd, door dewelke hij ons zeer groote en dierbare Geloften geschonken heeft, opdat bij middel van deze aan de goddelijke nature zouden deelachtig worden." (II Petr. 1-3. & 4). En al zoo verheven en bestemd tot deelneminge van het goddelijk wezen, aangenomene kinders van God (filii adoptivi,) en om kinders te kunnen zijn, deelachtig geworden aan de goddelijke nature, moeten wij ook gelijk worden aan den oprechten, wezentlijken, natuurlijken zone van God, gelijk St-Cyrillus Alexandrië zegt: "Meâ enim adoptione & similitudine filii essemus, nisi ipso Filio praesupposito, ad quem efformamur, qui ad similitudinem ipsius arte quadam & gratia traducimur.[32]

En nu keeren wij weder tot het H. Sakrament, en de H. Communie. Ce Sacrement, zegt Card. Manning, est la révélation de l'amour de Jésus pour nous. il est l'application perpétuelle de son amour à notre salut. ... Nous étions les enfants du premier Adam et nous participions à la substance de la chair & du sang de celui-ci; ... par la régénération du St Esprit et par le Très-Saint Sacrement de l'autel, nous devenons les membres du second Adam, nous participons à sa chair & à son sang divins... nous sommes participants de sa substance pour la vie et l'immortalité. ... Le mystère du Corps & du Sang précieux, de Jésu Christ est le lien entre l'Incarnation et la Résurrection, etp113)le moyen par lequel nous devenons les membres de sa substance, et par là les participants de celui qui a dit: "Je suis la Résurrection & la Vie."... 't Is door dit H. Sakrament dat Jesus Christus de geloovigen in Hem hervormt en als 't ware herschept, en tot een lichaam maakt: Le Sacré-Cœur de Jésus dans le Très Saint Sacrement de l'autel est le centre de tous les cœurs. ... Comme des flammes qui se mêlent à d'autres flammes n'en font plus qu'une - telle est aussi l'unité surnaturelle & spirituelle de tous ceux qui sont unis à son Sacré Cœur. Elders ook: Le Sacré Cœur de Jésus, qui est l'amour de Dieu revêtu des sympathies de notre humanité, a été et est un pouvoir assimilant, le principe d'une vie nouvelle changeant en sa propre ressemblance les cœurs intérieurs des hommes. ...

En dan ook nog weêrom die wonderbare samenwerkinge van hulpe en beproevinge, de verheffinge van den mensch in de vernietiginge van zijn eigen zelven, de wijsheid van God: brood en wijn die hunne gedaanten geven om den mensch niet af te keeren, niet benauwd te maken, - enz. en ten zelfden tijde, 't geloove in werk te zetten.. Onuitsprekelijk schoone dingen schrijven daarover de H. Vaders; - maar gij weet ze zoo wel als ik; - 'k en schrijve niet om u te onderwijzen, maar om u te toogen en te vragen: staat die opvattinge u niet aan. 'k Hebbe genoeg gezeid meene ik om mijn gedacht te verdietschen, en sluite met nog eenige gedachten van Kard. Manning:

La charité de Dieu ne voulait point être contenue dans les limites de son propre bonheur. - en hij miek heel de scheppinge... al de wezens, - maar 't en was hem niet genoeg: il voulait encore s'identifier avec ses créatures: il se revêtit donc d'une nature créée. Dieu le Fils prit dans l'unité de sa personne une humanité créée; et le créé et l'incréé furent joints ensemble par un lien personnel et éternel.... Toute la gloire divine & incréée fut en contact, & plus qu'en contact, en un seul et unique point, avec le monde entier de l'existence créée; et ce point de contact est le Sacré Cœur de Jésus. Ce cœur devint donc le plus glorieux des royaumes du Père Eternel. Il règne en lui & sur lui. Sa volonté est toujours obéie par ce cœur & ses lois sont écrites en lui. Jamais le Père ne reçut une obéissance égale à celle que lui rend le Fils en qui il a mis sa complaisance. Jamais le Père ne reçut un amour, une adoration et des louanges aussi grands que par les actes béatifiques du Sacré-cœur.p12'k En wete niet, mijn Eerweerden en dierbare Meester, maar 't denkt mij dat er alzoo iets zou kunnen gemaakt worden, in die eenheid, over de H. Communie, en meugelijks wel de eerste Communie. Jesus die daar zijn eigen zelven legt in den nog ongeroerden en maagdelijken grond van het kinderherte als het zaad van 't eeuwig leven, 'k Geve u die gedachten die opvattinge voor 't gene zij weerd is. En zijt niet kwaad op mij dat ik u zoovele van uwen kostelijken tijd stele: Gedoog dat ik, om weerd 't Altaargeheim te roemen, naar U om kracht en stemme kom.

Gij zult daar meer en beter in zien als ik vermag te peizen en te zeggen: neemt die muntespijze in genade bidde ik u, legt ze in uw herte, en, als de tijd komt, als de vlamme rijst, al duurde het een maand, of langer, zuivert ze en smelt ze en geeft ons beste doctorsmunte. 'k Eindige om mijn brief te kunnen zenden. Dierbaarste meester, vale[33] en bid voor mij; 'k bidde voor U.

Totus tuus in Christo[34]
frater Renatus :/:
Donderdag achternoene.

Noten

[1] Vertaling (Paul Thoen): Dominus det tibi (suam) pacem = God geve je (zijn) vrede = is de franciscaanse groetformule, helemaal passend bij de kapucijn Julius Devos.
[2] Naam en het beginwoord van de schuldbelijdenis in de Katholieke liturgie. (Wikipedia)
[3] Vertaling (Latijn): uiteindelijk toch.
[4] Spottende.
[5] Verwijzing naar Gezelles gedicht ’O! ' t Ruischen van het ranke riet!‘ uit de bundel Dichtoefeningen.
[6] Van Plato: het Goede, het Ware en het Schone.
[7] Verwijzing naar Gezelles Kleengedichtje: o Vrije, vlaamsche poësis.
[8] Tweede strofe uit Gezelles gedicht ’Oneigene’, uit Gedichten gezangen en gebeden.
[9] Voorlaatste strofe uit Gezelles gedicht ’Principium a Jesu’, uit Dichtoefeningen.
[10] Laatste strofe uit Gezelles gedicht ’Principium a Jesu’, uit de bundel Dichtoefeningen.
[11] Eerste twee regels uit Gezelles gedicht ’G' hebt dan ook dat bitter water‘ uit de bundel Gedichten gezangen en gebeden.
[12] Helaas.
[13] Ten enen male.
[14] Regel uit Gezelles gedicht ’Rammentati, onthoudt'et‘ wel uit Gedichten, gezangen en gebeden.
[15] Aangepaste twee eerste regels uit Gezelles gedicht ’Polydor gij kind van Vlanderen‘ uit Gedichten, gezangen en gebeden.
[16] Twee regels uit Gezelles gedicht ’Waar is de tijd naartoe, dat onze vlaamsche helden‘ uit de bundel Liederen, eerdichten et reliqua voor Gustaaf Waffelaert die op 20 juli 1880 doctor in theologie werd aan de Universiteit Leuven.
[17] Regels uit Gezelles gedicht ’Waar is de tijd naartoe, dat onze vlaamsche helden‘ uit de bundel Liederen, eerdichten et reliqua voor Gustaaf Waffelaert die op 20 juli 1880 doctor in theologie werd aan de Universiteit Leuven.
[18] Zachtjes.
[19] Louis Beyaert deed zijn eerste communie te Brugge op 09/06/1887. Het communieprentje wordt bewaard in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge (nr. 1214).
[20] Gezelle stuurde hem een gedicht dat hij voordien al had gebruikt voor de eerste communie van Alijs uit Roeselare: Alijs, hoe lange is ’t leên, met aangepaste eerste regel: ’O kind hoe lange is 't leên’. Het gedicht werd ook overgedrukt in: Rond den Heerd: 22 (16 juni 1887) p. 232.
Het werd later nog eens gebruikt voor de eerste communie van Firmin Poupeye. (Zie ook het handschrift in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge met de drie namen erop (nr. 487)).
[21] Van het Latijnse sponte: spontaan.
[22] Overmoedig, trots.
[23] Andermans ontleende gedachten.
[24] Uit drama La Coupe et les lèvres, opgenomen in Un spectacle dans un fauteuil.
[25] Er ontbreekt een enkel vel waardoor we een afgebroken zin krijgen die niet volgt op het vorige vel.
[26] Vertaling (Latijn) Paul Thoen: In 'de (sensus) moralis’: in de morele zin, in de morele betekenis van de tekst.
[27] Vertaling (Latijn) Paul Thoen: Niets is gewild, tenzij in hoeverre en in welke mate het gekend is.
[28] Vertaling (Latijn) Paul Thoen: Adam slaapt opdat Eva zou kunnen ontstaan; Christus sterft opdat de Kerk zou kunnen ontstaan. Bij de slapende Adam ontstaat Eva uit zijn zijde, bij de dode Christus wordt zijn zijde doorstoken door de lans, opdat de sacramenten eruit zouden voortvloeien waardoor de Kerk kon gevormd worden.

Deze combinatie van Genesis 2, 21-22 en Johannes 19, 33-34 is te vinden in Augustinus' Johannes-commentaar: In Evangelium Joannis Tractatus, 9, 10.

[29] Vertaling (Latijn): begripsvermogen.
[30] Vertaling (Latijn): uitbreidingskracht, expansieve bevoegdheid.
[31] Vertaling (Latijn): de zalige aanschouwing, van aangezicht tot aangezicht.
[32] Vertaling Paul Thoen (Latijn): Want door mijn adoptie en gelijkenis waren wij zonen (Gods) geweest,

was het niet dat de eigenlijke Zoon voorondersteld wordt,

naar wie(ns beeld) wij gevormd zijn,

wij die naar zijn gelijkenis door één of andere tussenkomst en genade omgezet worden.

[33] Vertaling (Latijn): vaarwel.
[34] Vertaling (Latijn): Geheel de jouwe in Christus.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamDevos, Julius; Devos, Jules; Renatus (Broeder)
Datums° Oostrozebeke, 12/12/1854 - ✝ Izegem, 25/07/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pater; journalist; volkspredikant
BioJulius Devos werd geboren te Oostrozebeke op 12 december 1854 als zoon van Petrus Franciscus Devos en Maria Victoria Tack. In 1863 verhuisde het gezin naar Ingelmunster en drie jaar later vestigden ze zich in Izegem. Daar kwam Julius terecht in de school van de gebroeders Pollet. Hij behaalde de eerste plaats in zijn klas en trok in oktober 1870 vervolgens naar het kleinseminarie van Roeselare. Door de vele schoolwissels in zijn jeugd was hij op dat moment twee jaar ouder dan zijn klasgenoten. Hij studeerde aan het kleinseminarie van Roeselare tot 1875. Hij stond er onder invloed van Hugo Verriest en de Blauwvoeterij. Hij werd er weggestuurd naar aanleiding van een conflict met superior Delbar en maakte zijn middelbare school af aan het College van Ieper. Hij had een korte journalistieke carrière en schreef voor het "Burgerwelzijn", "Het Handelsblad" en de "Gazette van Brugge". Vervolgens trad hij in oktober 1880 in bij de orde der kapucijnen onder de naam Renatus. Guido Gezelle schreef het gelegenheidsgedicht 'Renatus, in Francisci namen' voor zijn priesterwijding op 20 juni 1886 in de Kapucijnenkerk te Brugge in de Sint-Clarastraat. Hij werd eerst naar Antwerpen gestuurd. In 1888 werd hij door zijn oversten naar Mons gezonden waar hij tien jaar lang intensief meewerkte aan het ontwikkelen van een christelijke arbeidersbeweging in de Waalse industriegebieden. Hij verbleef er tot 1898. Hij was lid van de Vlaggegilde en de Westvlaamse studentenbond, van de Brugse Gilde van Sinte Luitgaarde en de Brugse Davidsfondsafdeling. Hij was erg sociaal geëngageerd en werd één van de grootste volkspredikanten. Hij stierf op 25 juli 1925 in het klooster te Izegem.
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent; studenbeweging; aanvrager gelegenheidsgedicht; onderwerp gelegenheidsgedicht
Bronnen https://tenmandere.be/nieuwsbrieven/2023/nieuwsbrief_71/JuliusDevos.html ; R. Vanlandschoot, Hugo Verriest. Tielt: Lannoo, 2014, p. 30

Briefschrijver

NaamDevos, Julius; Devos, Jules; Renatus (Broeder)
Datums° Oostrozebeke, 12/12/1854 - ✝ Izegem, 25/07/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pater; journalist; volkspredikant
BioJulius Devos werd geboren te Oostrozebeke op 12 december 1854 als zoon van Petrus Franciscus Devos en Maria Victoria Tack. In 1863 verhuisde het gezin naar Ingelmunster en drie jaar later vestigden ze zich in Izegem. Daar kwam Julius terecht in de school van de gebroeders Pollet. Hij behaalde de eerste plaats in zijn klas en trok in oktober 1870 vervolgens naar het kleinseminarie van Roeselare. Door de vele schoolwissels in zijn jeugd was hij op dat moment twee jaar ouder dan zijn klasgenoten. Hij studeerde aan het kleinseminarie van Roeselare tot 1875. Hij stond er onder invloed van Hugo Verriest en de Blauwvoeterij. Hij werd er weggestuurd naar aanleiding van een conflict met superior Delbar en maakte zijn middelbare school af aan het College van Ieper. Hij had een korte journalistieke carrière en schreef voor het "Burgerwelzijn", "Het Handelsblad" en de "Gazette van Brugge". Vervolgens trad hij in oktober 1880 in bij de orde der kapucijnen onder de naam Renatus. Guido Gezelle schreef het gelegenheidsgedicht 'Renatus, in Francisci namen' voor zijn priesterwijding op 20 juni 1886 in de Kapucijnenkerk te Brugge in de Sint-Clarastraat. Hij werd eerst naar Antwerpen gestuurd. In 1888 werd hij door zijn oversten naar Mons gezonden waar hij tien jaar lang intensief meewerkte aan het ontwikkelen van een christelijke arbeidersbeweging in de Waalse industriegebieden. Hij verbleef er tot 1898. Hij was lid van de Vlaggegilde en de Westvlaamse studentenbond, van de Brugse Gilde van Sinte Luitgaarde en de Brugse Davidsfondsafdeling. Hij was erg sociaal geëngageerd en werd één van de grootste volkspredikanten. Hij stierf op 25 juli 1925 in het klooster te Izegem.
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent; studenbeweging; aanvrager gelegenheidsgedicht; onderwerp gelegenheidsgedicht
Bronnen https://tenmandere.be/nieuwsbrieven/2023/nieuwsbrief_71/JuliusDevos.html ; R. Vanlandschoot, Hugo Verriest. Tielt: Lannoo, 2014, p. 30

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamBrugge
GemeenteBrugge

Naam - persoon

NaamBaes, Pieter Petrus
Datums° Elverdinge, 29/04/1848 - ✝ Izegem, 21/07/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar, schooldirecteur; schoolopziener; auteur
BioPieter Baes was de zoon van Boudewijn Baes, herbergier, en Joanna Ligneel. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en kreeg zijn priesterwijding op 21 december 1872, maar hij was al leraar vanaf september 1872 aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, voor de lessen in koophandel en wiskunde. In november 1873 riep Adolf Duclos Pieter Baes en andere bekenden bijeen om een ‘opstelraad’ voor Rond den Heerd samen te stellen. Baes maakte de stichting mee van de Gilde van Sint-Luitgaarde op 13 februari 1874 en hij bleef tot 1883 secretaris. Op 23 april 1879 kreeg hij een opdracht als docent aan de Staatsnormaalschool voor jongens in Brugge, maar hij werd hetzelfde jaar nog geschorst ingevolge de wet Van Humbeek. Vanaf 17 september 1879 werd hij principaal van het Izegemse Sint-Jozefsgesticht alsook van de vrije lagere school. In 1895 werd hij diocesaan inspecteur. Baes zette zich in voor goede schoolboeken en publicaties voor het onderwijs waaronder "De Taalsleutel of Vlaamsche Spraakregels, Tafelwijze geschikt" en het onderwijskundige tijdschrift "Sint-Canisiusblad".
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
NaamDemonie, Emiel; skald; Wilfried; Logicus; De Monie
Datums° Roeselare, 28/07/1846 - ✝ Brugge, 03/01/1890
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; hoofdredacteur; auteur
BioEmiel Demonie, zoon van Desiderius Demonie, koopman, en Justina Verhaeghe, was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare en hij werd er op 1 oktober 1869 zelf ook leraar. Hij was er lid van Gezelles confraternity. Hij was de neef van Polydoor Demonie. Zijn priesterwijding ontving hij te Brugge op 7 november 1869. In 1874-1875 was hij poësistitularis van Albrecht Rodenbach in de Groote Stooringe. De studenten van Demonie weigerden tijdens een feest van de superior een Frans lied te zingen. Mede hierdoor werd hij ontslagen. Rodenbach schreef voor hem het gedicht De Meester. In Brugge werd hij onderpastoor van de Sint-Gilliskerk (22/08/1879) en godsdienstleraar aan de rijksnormaalschool voor meisjes (29/12/1884). Hij schreef artikels voor Loquela en was één van de medestichters van het tijdschrift Biekorf. In opvolging van Amaat Vyncke was hij een tijdje hoofdredacteur van De Vlaamsche Vlagge en hij schreef er artikels onder de schuilnamen Skald, Logicus en Wilfried. Hij was ook medewerker van de Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen (1875-1876). Gezelle droeg het gedicht Ach, hoe dikmaals was 't mijn lot niet aan hem op. Bij zijn overlijden in 1890 schreef Gezelle het gedicht Wij bouwden op uw leven een getemmer.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezelleoud-leerling kleinseminarie; zanter (WDT); medestichter van Biekorf; medewerker Loquela; correspondent; gelegenheidsgedicht
Bronnen https://nevb.be/wiki/Demonie,_Emiel
NaamDemonie, Polydor
Datums° Aarsele, 18/09/1844 - ✝ Brugge, 07/04/1887
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; gemeenteraadslid
BioPolydore Demonie was de jongste van de acht kinderen van Jean-François Demonie en Rosalie Van den Driessche, en neef van Emiel Demonie. Hij was al wees toen hij van 1857 tot 1863 de humaniora volgde aan het kleinseminarie te Roeselare. Daar bekommerde Gezelle zich om dit wat "dolend kind, niemand had hem ooit vast" (Hugo Verriest). Gezelle richtte verschillende gedichten aan hem, waaronder 'O lied', 'Gelukkig kind', eventueel 'Mocht ik', en - het best bekend - 'Polydor, gij kind van Vlanderen', toen de jongen in 1860 de eerste van de klas werd (en dit zou blijven tot in de retorica). Polydore studeerde rechten en haalde het doctoraat in 1870. In 1873 vestigde hij zich als advocaat in Brugge, waar hij na de overwinning van de katholieken in de gemeenteraadsverkiezingen van 1875 ook stedelijk mandataris werd. In 1878 behoorde hij tot de eersten die de grondwettelijke eed in het Nederlands aflegden. Hij was gehuwd met Leonie Van den Driessche en ze hadden negen kinderen. Ten gevolge van toenemende hartproblemen stierf hij op amper tweeënveertigjarige leeftijd.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellegelegenheidsgedicht; oud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamManning, Henry Edward
Datums° Totteridge, 15/07/1808 - ✝ Londen, 14/01/1892
GeslachtMannelijk
Beroepdominee; deken; aartsdiaken; universiteitspredikant; priester; superior; aartsbisschop; kardinaal
VerblijfplaatsEngeland
BioHenry Edward Manning werd geboren op 15 juli 1808 te Totteridge als zoon van William Manning, lid van het Lagerhuis namens de Britse Conservatieven, en Mary Hunter, zijn tweede echtgenote. Hij studeerde te Harrow (1822-1827) en aan het Balliol en Merton College van de Universiteit te Oxford waar hij in 1833 zijn Master of Arts-graad haalde. Op 23 december 1832 ontving hij de anglicaanse wijding en in december 1832 werd hij ook dominee te Lovington, te Sussex en op 16 september 1833 rector te Graffham. Hij huwde in november van hetzelfde jaar met Caroline Sargent. In 1837, toen hij deken van Midhurst was, overleed zijn vrouw na vier jaar huwelijk. In 1841 werd hij aartsdiaken van Chichester en in 1844 universiteitspredikant in plaats van Newman. Hij was net als Nicholas Newman actief binnen de Oxford Movement. In 1848 had hij een privé-audiëntie met paus Pius IX te Rome. Op 6 april 1851 werd hij te Rome in de rooms-katholieke Kerk opgenomen. Op 14 juni 1851 werd hij tot priester gewijd door Nicolas Wiseman. Hij studeerde te Rome (1851-1854) en werd in 1854 doctor in de theologie. Datzelfde jaar nam kardinaal Wiseman hem op in het domkapittel van Westminster en werd hij pauselijk huisprelaat. Van 31 mei 1857 tot 1865 was hij superior van de oblaten van St. Charles. Hij werd op 30 april 1865 aartsbisschop van Westminster en primaat van de Rooms-Katholieke Kerk in Engeland. Pius IX wijdde hem in maart 1875 tot kardinaal. Manning was een invloedrijk figuur binnen de katholiek kerk en genoot het vertrouwen van paus Pius IX. Hij had nauwe banden met Belgische bisschoppen, waaronder J. Faict. Via Wiseman maakte hij ook kennis met Guido Gezelle en ontwikkelde hij een vriendschap met hem. Manning overleed te Londen op 14 januari 1892. Aanvankelijk vond de begrafenis plaats op St Mary's Roman Catholic Cemetery in Kensal Green. In 1907 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de crypte van Westminster Cathedral. Lytton Strachey portretteerde Kardinaal Manning als een van de opmerkelijke figuren in zijn boek "Eminent Victorians".
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; https://www.newadvent.org/cathen/09604b.htm; Edmund Sheridan Purcell, Life of Cardinal Manning Archbishop of Westminster. Volume I. Manning as an Anglican, New York/Londen, 1896
NaamDevos, Julius; Devos, Jules; Renatus (Broeder)
Datums° Oostrozebeke, 12/12/1854 - ✝ Izegem, 25/07/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pater; journalist; volkspredikant
BioJulius Devos werd geboren te Oostrozebeke op 12 december 1854 als zoon van Petrus Franciscus Devos en Maria Victoria Tack. In 1863 verhuisde het gezin naar Ingelmunster en drie jaar later vestigden ze zich in Izegem. Daar kwam Julius terecht in de school van de gebroeders Pollet. Hij behaalde de eerste plaats in zijn klas en trok in oktober 1870 vervolgens naar het kleinseminarie van Roeselare. Door de vele schoolwissels in zijn jeugd was hij op dat moment twee jaar ouder dan zijn klasgenoten. Hij studeerde aan het kleinseminarie van Roeselare tot 1875. Hij stond er onder invloed van Hugo Verriest en de Blauwvoeterij. Hij werd er weggestuurd naar aanleiding van een conflict met superior Delbar en maakte zijn middelbare school af aan het College van Ieper. Hij had een korte journalistieke carrière en schreef voor het "Burgerwelzijn", "Het Handelsblad" en de "Gazette van Brugge". Vervolgens trad hij in oktober 1880 in bij de orde der kapucijnen onder de naam Renatus. Guido Gezelle schreef het gelegenheidsgedicht 'Renatus, in Francisci namen' voor zijn priesterwijding op 20 juni 1886 in de Kapucijnenkerk te Brugge in de Sint-Clarastraat. Hij werd eerst naar Antwerpen gestuurd. In 1888 werd hij door zijn oversten naar Mons gezonden waar hij tien jaar lang intensief meewerkte aan het ontwikkelen van een christelijke arbeidersbeweging in de Waalse industriegebieden. Hij verbleef er tot 1898. Hij was lid van de Vlaggegilde en de Westvlaamse studentenbond, van de Brugse Gilde van Sinte Luitgaarde en de Brugse Davidsfondsafdeling. Hij was erg sociaal geëngageerd en werd één van de grootste volkspredikanten. Hij stierf op 25 juli 1925 in het klooster te Izegem.
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent; studenbeweging; aanvrager gelegenheidsgedicht; onderwerp gelegenheidsgedicht
Bronnen https://tenmandere.be/nieuwsbrieven/2023/nieuwsbrief_71/JuliusDevos.html ; R. Vanlandschoot, Hugo Verriest. Tielt: Lannoo, 2014, p. 30
NaamWaffelaert, Gustaaf Jozef
Datums° Rollegem, 27/08/1847 - ✝ Brugge, 18/12/1931
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; kanunnik; coadjutor; onderpastoor; professor; geestelijk directeur; bisschop
BioGustaaf Waffelaert, zoon van Engel Waffelaert, douanebrigadier, en Theresia Vermeulen, deed zijn humaniorastudies te Ieper. In 1866 startte hij zijn priesteropleiding aan het kleinseminarie te Roeselare en vervolgens aan het grootseminarie te Brugge. Hij werd tot priester gewijd te Brugge op 17/09/1870. Hij was achtereenvolgens coadjutor te Sint-Michiels (03/02/1871) en onderpastoor te Blankenberge (15/02/1871). Hij studeerde theologie te Leuven (05/10/1875) waar hij promoveerde op 20/07/1880. Hij doceerde moraaltheologie aan het grootseminarie te Brugge (23/09/1880). Hij werd op 26/07/1889 erekanunnik van de Brugse kathedraal. Hij werd op 25/04/1890 vicaris-generaal van het bisdom Brugge, op 25/04/1890 algemeen bestuurder van de Zusters van St.-Jozef te Brugge, op 10/06/1894 aartspriester van het Brugse kapittel en op 01/04/1895 vicaris capitularis. Op 28/06/1895 volgde zijn benoeming tot bisschop van Brugge. Hij nam als wapenspreuk 'Duc nos quo tendimus' (Leid ons naar het doel dat wij beogen). Hij schreef talrijke werken over spiritualiteit o.a. Meditationes Theologicae, dat Gezelle gedeeltelijk in het Nederlands vertaalde. Gezelle schreef ook gelegenheidsgedichten voor Waffelaert.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamBeyaert, Louis; Beyaert-Carlier, Louis
Datums° Brugge, 10/08/1876 - ✝ Gent, 11/09/1952
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; uitgever; schilder; essayist
BioLouis Beyaert werd geboren te Brugge op 10 augustus 1876 als zoon van de Brugse drukker Karel Beyaert en van Marie Storie. Guido Gezelle bezorgde op aanvraag van Julius Devos het gedicht voor zijn communieprentje: ’O kind hoe lange is 't leên’ . Louis trouwde met Emma Carlier op 2 september 1902 te Schaarbeek. Hij had een eigen uitgeversbedrijf. Hij publiceerde ook essays en gedichten en leidde ook een atelier in Brugge van religieuze kunst. Louis Beyaert stierf te Brugge in op 11 september 1952.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellegelegenheidsgedicht
BronnenGeneanet
NaamThomas van Aquino
Datums° Roccasecca, 28/01/1225 - ✝ Priverno, 07/03/1274
GeslachtMannelijk
Beroepfilosoof; theoloog; dominicaan; heilige
VerblijfplaatsItalië; Frankrijk; Duitsland
BioThomas van Aquino, geboren in 1225 in Roccasecca, Italië, was een invloedrijke theoloog en filosoof. In 1244 trad hij toe tot de orde der Dominicanen, tegen de wens van zijn familie, die liever zag dat hij zich bij de Benedictijnen aansloot. Enkele jaren later ging hij in Keulen studeren bij de bekende filosoof Albertus Magnus. Vervolgens gaf hij jarenlang les in de Bijbelleer, afwisselend in Frankrijk (Parijs) en Italië (Rome, Napels, enz.). Als een van de belangrijkste denkers binnen de katholieke theologie schreef hij verschillende invloedrijke werken, geïnspireerd door Aristoteles. Hiervan zijn zijn vijf godsbewijzen en de Summa Theologiae het bekendst. Na een mystieke ervaring stopte hij echter met schrijven waardoor zijn Summa onafgewerkt bleef. In 1274 overleed Thomas van Aquino tijdens een reis naar Lyon, waar hij door paus Gregorius X was uitgenodigd om het Tweede Concilie van Lyon bij te wonen. In 1323 werd hij heilig verklaard en in 1567 benoemd tot kerkleraar. Tegenwoordig wordt hij vereerd als de patroonheilige van universiteiten, studenten en theologen. Zijn feestdag valt op 28 januari, al hanteren sommige universiteiten nog de oude datum van 7 maart.
Links[wikipedia]
Naamde Musset, Louis Charles Alfred
Datums° Parijs, 11/12/1810 - ✝ Parijs, 02/05/1857
GeslachtMannelijk
Beroepschrijver; bibliothecaris; schaakcomponist
VerblijfplaatsFrankrijk
BioAlfred de Musset werd geboren in Parijs in een welgestelde en gecultiveerde familie en kwam al jong in aanraking met literatuur en kunst. Als tiener sloot hij zich aan bij de romantische kring rond onder meer Victor Hugo en publiceerde hij zijn eerste dichtbundel in 1829. Hij schreef poëzie, toneelstukken en proza. Bekende werken zijn onder andere "Lorenzaccio" en "On ne badine pas avec l’amour". In zijn autobiografische roman "La Confession d’un enfant du siècle" verwerkt hij zijn liefdesrelatie met schrijfster George Sand en de levenscrisis van zijn generatie. de Musset leidde een intens en vaak chaotisch leven, met periodes van ziekte, alcoholgebruik en depressie, wat ook sterk terugkomt in zijn werk. Hij wordt gezien als een van de belangrijkste Franse romantische auteurs, vooral om zijn gevoelsrijke en persoonlijke stijl.
Links[wikipedia]
NaamAugustinus van Hippo; Sint Augustinus
Datums° Thagaste, 13/11/354 - ✝ Hippo, 28/08/430
GeslachtMannelijk
Beroeptheoloog; filosoof; kerkvader; heilige
VerblijfplaatsAlgerije; Tunesië; Italië
BioAugustinus van Hippo was een invloedrijke kerkvader en theoloog, geboren in Noord-Afrika, waarschijnlijk van Berberse afkomst. Hij groeide op in een milieu waar hij lager en voorbereidend hoger onderwijs genoot en ontwikkelde al vroeg een grote interesse in taal en retorica. Als jonge student leidde Augustinus een onrustig en losbandig leven. In zijn beroemde werk, de Confessiones, beschreef hij deze periode als “een warboel van schandelijke liefdes”. Op zeventienjarige leeftijd begon hij een langdurige relatie met een jonge vrouw, met wie hij in 372 een zoon kreeg, Adeodatus (letterlijk: “door God gegeven”). Het koppel leefde ongeveer dertien jaar samen. In 375 begon Augustinus, op 21-jarige leeftijd, zijn carrière als leraar retorica in Thagaste. Kort daarna trok hij naar Carthago, waar hij eveneens retorica doceerde, een poëzieprijs won en contacten onderhield met invloedrijke figuren zoals de proconsul Vindicius. Rond 383 verhuisde hij vermoedelijk naar Rome, waar hij zijn loopbaan voortzette. Een keerpunt in zijn leven kwam in 386, toen hij zich bekeerde tot het christendom. Deze innerlijke ommekeer beschreef hij uitvoerig in zijn Confessiones. In 387 werd hij tijdens Pasen gedoopt door Ambrosius van Milaan, en in 391 werd hij tot priester gewijd. Later werd Augustinus bisschop van Hippo, waar hij een belangrijke rol speelde in de ontwikkeling van de christelijke leer. Voor geestelijken schreef hij het Praeceptum, beter bekend als de Regel van Augustinus. Deze tekst vormt tot op vandaag de basis voor verschillende kloosterordes, waaronder de Augustijnen, Norbertijnen en Dominicanen. Augustinus geldt als een van de meest invloedrijke denkers uit de late oudheid, wiens werk een blijvende impact heeft gehad op de westerse filosofie en theologie.
Links[wikipedia]
NaamCyrillus van Alexandrië
Datums° Alexandrië, 370-380 - ✝ Alexandrië, 27/06/444
GeslachtMannelijk
Beroepkerkleraar; monnik; patriarch; heilige
VerblijfplaatsEgypte; Turkije
Biorillus van Alexandrië (ca. 376–444) was een invloedrijke kerkvader en bisschop van Alexandrië, bekend om zijn beslissende rol in de christologische discussies van de late oudheid. Hij werd al vroeg voorbereid op een kerkelijke loopbaan en genoot een grondige opleiding, zowel op cultureel als op theologisch vlak. In 403 vergezelde hij zijn machtige oom, Theofilus van Alexandrië, naar Constantinopel. Na diens overlijden werd Cyrillus in 412 tot bisschop van de invloedrijke Kerk van Alexandrië gekozen. Gedurende tweeëndertig jaar bestuurde hij deze kerk met grote energie, waarbij hij voortdurend streefde naar het behoud en de versterking van haar vooraanstaande positie in het oostelijke christendom, mede gesteund door de traditionele banden met Rome. Cyrillus speelde een sleutelrol in de christologische controverses van zijn tijd. Op het Concilie van Efeze verdedigde hij met kracht zijn visie op de natuur van Christus en droeg hij bij aan de veroordeling van het nestorianisme. Zijn theologie wordt gekenmerkt door een opmerkelijke helderheid in de formulering van het geloof, gecombineerd met een streven naar kerkelijke eenheid en verzoening. In talrijke geschriften wijdde Cyrillus zich aan de verdediging en verduidelijking van zijn standpunten. Tot aan zijn dood op 27 juni 444 bleef hij een centrale figuur in het theologische debat en een bepalende stem binnen de Kerk van Alexandrië.
Links[wikipedia]

Naam - plaats

NaamIzegem
GemeenteIzegem

Naam - instituut/vereniging

NaamUniversiteit Leuven
BeschrijvingDe Universiteit van Leuven werd gesticht in 1425 en opgeheven in 1797. Na een onderbreking werd ze heringericht vanaf 1834. Gezelle had er talrijke contacten zowel onder de professoren als bij de studenten. In 1887 werd hij Doctor honoris causa van de Leuvense universiteit.
Datering1425
Links[wikipedia]

Naam - gebeurtenis Guido Gezelle

GebeurtenisDoctor honoris causa
Periode06/05/1887
BeschrijvingGezelle doctor honoris causa van de Katholieke Universiteit te Leuven.

Titel - gedicht van Guido Gezelle

TitelAlijs, hoe lange is ' t leen
PublicatieTijdkrans (Verzameld dichtwerk, deel III), p. 317
TitelAls de ziele luistert
PublicatieKleengedichtjes (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 180
TitelG' hebt dan ook dat bitter water
PublicatieGedichten, Gezangen en Gebeden (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 79
TitelO! ' t Ruischen van het ranke riet!
PublicatieDichtoefeningen (Verzameld dichtwerk, deel I), p. 125
Titelo Vrije, vlaamsche poësis
PublicatieKleengedichtjes (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 185
TitelPolydor, gij kind van Vlanderen
PublicatieGedichten, Gezangen en Gebeden (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 123
TitelPrincipium a Jesu
PublicatieDichtoefeningen (Verzameld dichtwerk, deel I), p. 67
TitelRammentati, onthoudt ' et wel
PublicatieGedichten, Gezangen en Gebeden (Verzameld dichtwerk, deel II)
TitelTokt op eene ijdele ton ton ton
PublicatieKleengedichtjes (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 206
TitelWaar is de tijd naartoe, dat onze vlaamsche helden
PublicatieLiederen, Eerdichten et Reliqua (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 384

Titel - werk van Guido Gezelle

Titel(Vlaemsche) dichtoefeningen
Links[gezelle.be]
TitelKleengedichtjes
Links[gezelle.be]
TitelGedichten, gezangen en gebeden. Een schetsboek voor Vlaemsche studenten.
Links[gezelle.be]
TitelLiederen, eerdichten et reliqua
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelUn spectacle dans un fauteuil
Auteurde Musset, Louis Charles Alfred
Datum1832
PlaatsParis
UitgeverRenduel
TitelLes gloires du Sacré-Cœur
AuteurManning, Henry Edward (auteur); Goemaere, Arthur (vertaler)
Datum1877
PlaatsBruxelles
UitgeverH. Goemaere

Titel[26/05/1887], Brugge, Julius Devos (= Broeder Renatus) aan [Guido Gezelle]
EditeurKarel Platteau; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKarel Platteau; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen, Devos Julius aan Gezelle Guido, Brugge (Brugge), [26/05/1887]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderDevos, Julius
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[26/05/1887]
VerzendingsplaatsBrugge (Brugge)
AnnotatieBriefversie van datering: Donderdag achternoene ; datum en adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie ; plaats gereconstrueerd op basis van de brieftekst; Julius Devos = Broeder Renatus.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel; 4 enkele vellen, dubbel vel 1: 210 mm x 135 mm; dubbel vel 2: 233 mm x 161 mm; enkel vel: 233 mm x 153 mm
papier, wit
papiersoort: 12 zijden beschreven, inkt
Staat fragment: Devos nummerde zelf de enkele witte vellen: enkel vel 1 ontbreekt, vel 2 start met een onvolledige zin: [...] née de Dieu.
Toevoegingen op zijde 1 links in bovenrand: Aan G.Gezelle; idem rechts: [25-26/5 1887]; op zijde 12 linksonder onder dag: [26/5] (inkt, alles hand P.A.); op zijde 1: notities (rode inkt, onbekende hand) op zijde 12: notitie over de brief: ’k En hebbe geen tyd om herlezen (blauw potlood, hand G.G.);nummering aangebracht op de dubbele vellen en enkel vel 1 (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5820
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.12132
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/41e1646db62ecab4cb7c43b33bf7ffdb6534015d/manifest
Inhoud
IncipitIk ben wel drie keeren te late, en,
Samenvatting o.m. gelukwensen met Gezelles benoeming tot doctor honoris causa op 06/05/1887 en aanvraag gelegenheidsgedicht voor de eerste communie van Louis Beyaert te Brugge op 09/06/1887 (Gezelle bezorgde het gedicht: O kind hoe lange is 't leên (communieprentje nr.1214))
Tekstsoortbrief
TalenNederlands; Frans
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.