Bij mijne weêrkomst uit de Kempen,[1] waar ik in 't vlaamsch geboorteland eenige gelukkige dagen gesleten heb, vind ik uwen allervriendelijksten brief. De eerste zaak die gij aan mijne zorg toevertroudt zal in 't kort geregeld zijn, en ik dank u voor zóó aan ons te denken. Gij zijt wel goed van u in zóó vleiende woorden uit te drukken over het klein onthaal dat gij hier genoten hebt,[2] wij hebben ons best gedaan om door gulhertigheid en vlaamsche opgeruimdheid aan te vullen 't geen van al andere kanten te kort was. Mr. Gilissen,[3] de jufvrouw en ik danken u nogmaals voor uwe vriendschap, en wij hopen allen dat wij nog dikwijls eene gelegendheid zullen hebben om u hier te ontvangen.
P.S. Men zegt nog de pad is open laat het gras er niet in groeien.[5]







