<Resultaat 1030 van 3033

>

p1Geloofd zij Jezus Christus
Zeer Eerweerde Heer en goede Meester,

Eerst en vooral moet ik u met al onze gullebroêrs , eenen zaligen Hoogtijd wenschen![1] Alleluja! - Ressurexit, sicut dixit! Alleluja![2]

k Moet u schrijven van Arthurswege, dat hij u zal komen vinden, ofwel Paaschmaandag[3] na 't lof; rond den zessen, ofwel Dijsdags rond den noenstond, waarschijnlijk om twee uren.

Wees zoo goed en leg onzen ouden boek[4] tegen dan gereed met den Tijdspiegel. Wij zouden ook die oudvlaamsche overzetting van Hiawatha's Fasting[5] willen lezen!

Wij hebben 't'alle kanten bij Dutschen, Platduutschen en Walen gevorscht en gevraagd, om iets te wete te komen over zenuwe,[6] van de chat, geelhaar[7] enz. maar ik vrees dat er veel is van verloren geraakt bij ons allemaal. De walen klappen mij maar toe van “niërf” en, huns zeggens, en bestaat er daar geen ander woord voor. De platduitschers zeggen “peze” en wij, Limburgers, zenerve. Och! 'k zou niet verwonderd zijn, waren wij allegaar vergeten wat wij recht zouden moeten weten. De meeste Walen hebben hunne eigen woordspraak wie de Vlamingen ontleerd met dat djanters[8] fransch! Ik moet onder 't verlof t'huis eens goed navragen met Loquela in de hand, bij vader en moeder en oude peteroomen en mekes, die zullen er mij nog wel wat van leeren kunnen.

Tot hiertoe niets gevonden als 't volgende: Wat ze in Vlanderen schillewaard[9] zeggen; dat heeten ze t'huis ofwel fars (niet fas)[10] ofwel kattevel, peerdsvel, bijzonder dit leste.

zenerve, zemele[11] knooper = zageman, zeel ? = koord van lint gevlochten en geknuppeld of geslingerd.p2Doof of dood vleesch meen ik ook al gehoord te hebben: 'k zal er eens naar uitzien.

Wat noch spieren, noch fars noch hard been en is, maar die porseleinachtige, lillende beenderachtigheid, wie de jonge kalveren er veel in 't lijf hebben, heet t'huis knor of knor den duvel

Moeke, ich en kan da vliësch nie opkrège, 't en ès niks as knor den duvel en fars! Hem ich al tegen os Moeke geprot toen ich heur kleen kinneke nog waar. -

Kwelspreuke,[12] t'huis veel herhaald: De katten krabben de krollen (houdskrollen, schaafsel) van(d)e trappen.

Wat wij de walen deden herhalen om ze aardige smoelen zien te trekken: Acht en tachentig kleen appelkens rollen van e trappekens.

Een ander: Mulder, maal mij mijn meel, mijn moeder moet mikken maken met melk, met meel enz. Daar zit stafrijm in, niewaar?

'k Heb in “rond den Heerd” verschillige oude vertelsels[13] gelezen, uit Jacob grimm vertaald[14] die ze zelf bij zijn volk heeft bijeengezocht, nietwaar? Wel, tot hiertoe en heb ik er nog maar een of twee in gelezen die t'huis met alle winteravonden nog altijd levend en roerend van grootvaders mond rollen en zóó overgaan tot kind en kleinkinder. Zou 't u gaaien, moest ik ze onder 't verlof eens bijeenzoeken en opschrijven, eenvoudig en onveranderd, wie ze de oude kempische boer vertelt en ze u in een pakske opsturen? zóó hebt gij 't vertelsel van de geit die de wereld had hooren kraken (De Bremer Muziekanten)[15] van Síeken en Sá-ken[16] die eene deur lieten vallen op de koppen van schelmen die onder den boom, waar zij op verscholen zaten, hun geld zaten te tellen, van Roodkapken, van Bert-Bart p3die zeven jaar aan eenen ezelin gezoken[17] had[18] ook veel van den Reinaard en den Isegrim misschien wel uit den boek geleerd, deze?) enz. enz.

't Verwonderde mij maar, ziet gij, dat “Rond den Heerd” dat moest gaan overzetten uit Jacob Grimm. Schrijf dan, als 't u belieft, eens een kaartjen naar Aug. Cuppens, theologant te Beeringen (Limburg) tegen Maandag of Dijsdag, en laat hem weten of hij mag of moet opschrijven?

Nu nog wat anders. Wij doen u wat aan, geloof ik, met al ons gevraag en geschrijf? Wij Limburgers zouden maar zoo geerne zuiver, gelouterd Limburgsch schrijven, maar wij en weten maar niet, hoeverre wij daarin mogen gaan, wat wij moeten schrijven en wat niet. Zoo, bijv. zouden wij mogen behouden den omluid[19] in de meervouden en verkleiningswoorden? Zóó -

de Bank, - de benk

de stoel - de Stuul

het land - de lender

de zoon - de zeuns

de man - de men

in zóó duizend woorden en wendingen later te bepalen; gij weet waar het henen wilt?

Dan:

't kind - de kinder

't wijf - de wijver,

't wicht - de wichter enz. enz. maar och! niet algemeen meer.

Dan:

Een man - Een menneken,

een band - een bendeken

een tand - een tendeken

eene tant - een tenteken -

- eene schotel - een scheutelken

een bol - een bölleken (Duitsche ö)

een trommel - een trummelken

eene kom - een kummeken

enz. enz. daar is veel in te bepalen en te zoeken.p4Als gij 't zoudt inzien dat wij die verscheidenheid van klanken niet mogen dood maken, dan zullen wij dat spel eens uitpluizen en eens een soort van tafereelken maken van al de veranderingen en omluiden in de Limburgsche woorden waar a, o, oe enz. in vóórkomen.

Dan hebben wij nog: Speelt gij? - Spielstdu of speeldegij, of speelder, loopt gij - laupstdu, loopdegij, loopder enz. Komt er vandaag = komt hij vandaag? Speelder nie meê? = speelt gij niet meê?

Voor u = uch Ich zal uch hemme = Ik zal u hebben.

t'uwent = t'oerest!! Met die t'oerest worden de Limburgers van Kleen-Frankrijk[20] wat voor den zot gehouden, te Leuven op de Hoogeschool, als zij bij WestVlamingen of Brabanders aan tafel of Peeterman[21] zitten!

Dan uw huis = oer huis of verderop, tegen de Maas dün hoes.

Kosten wij toch maar eens met een Limburger of zes van al de deelkens van Limburg naar Kortrijck fluiten op ‘nen schoonen zomerdag en u dan eens vertellen en Limburgsch voorklappen en raad en verstand vragen! Wij hopen dat het toch wel eens zal gebeuren! Geef, als 't u belieft, aan Arthur al 'nen heelen hoop meê om ons over te brengen als hij weêr komt naar Luijk. Nu heb ik lang genoeg gebabbeld en zeg u dus den vriendelijken en eerbiedigen goedendag! Zeg ook eens aan Arthur wat er van Johan Winkler al gewordt?

Uwe toegenegen Limburgsche gullebroêrs!
met
Aug. Cuppens

P.S. Acht dagen na 't verlof een pakske woorden enz.

Noten

[1] Pasen viel in 1884 op zondag 13 april.
[2] Vertaling (Latijn): Hij is opgestaan (=verrezen), zoals Hij gezegd heeft! Alleluja!
[3] Paasmaandag viel in 1884 op 14 april.
[4] Cuppens liet in zijn brief van 08/11/1883 aan Gezelle weten dat De wech der Saligheydt, gedruct te Utrecht in 1486 en Der Sielen Troest, gedruct te Herlem in 1484 in de bibliotheek van het Grootseminarie te Luik aanwezig waren, samengebonden in een band. Gezelle had in een eerdere brief aan Cuppens gevraagd dit exemplaar te ontlenen om het “te lezen en er mijnen honing uit te halen”.
[5] Guido Gezelle, Vertaling van Hiawatha’s Fasting, de vijfde zang van The Song of Hiawatha. In: Het Vlaemsche land: (1857, 23, 24 en 25 januari).
[6] In zijn brief van 02/1884 schrijft Cuppens aan Gezelle: “Zoo gauw wij Loquela zullen hebben, gaan we u overbrieven wat wij weten van zenuwen etc..”
[7] G. Gezelle, Zeen Zene Zenuwe. In: Loquela: 3 (Sporkele 1884) 10, p. 77-80: (...) De zenuwen, anders gezeid, de pezen, de spanaderen, de beenbanden, de ligamenta etc. der geleerden, dragen nog alderhand oudere benamingen, die bewijzen dat ze het volk eertijds zeer nauwkeuriglijk placht waar te nemen. Hier volgen er twee drie. In Kramers Fr.-Nederlandsch Woordenboek 1881 vinde ik: “Ligament... Band... witte, vezelige verbinding der beenderen of bevestiging der gewrichten, geelhaar, ligament.“ (...) Een mijner waalsche medewerkers, gevraagd zijnde hoe men tendons zegt in 't Walenland, antwoordt mij zeer gereedelijk : “On dit des cheveux, del viand' de cat!” Cheveux, (geel)haar; viande de chat, kattevleesch. (...)
[8] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 196: “djanter, zn.: duivel Fr. diable, eufemistische vervorming van diable ’duivel’. Afl. (ver)djanter: duivels, drommels”.
[9] G. Gezelle, Zeen zene zenuwe. In: Loquela: 3 (Sporkele 1884) 10, p. 80: “Schillewaard, m. met stemrust op schil. Witte, taaie, pezige vezelbundel, dien men in 't vleesch vindt en aan den hond of de katte geeft, waarom hij ook kattevleesch geheeten wordt, fr. tendon, tissu tendineux, vulgo un nerf. Taailijk schillewaard. De schillewaard is noch spier noch kraakbeen.”
[10] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 418: “Vazze, fas, zn.: zode, klomp aan wortels”.
[11] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 196: “Zemelen, ww.: zeuren, vitten; motregenen”.
[12] G. Gezelle, Kwelspreuken. In: Loquela: 4 (Wiedmaand 1884) 2, p. 15-16: “Die woorden zant zal spreuken vinden. En die spreuken vindt zal, de eene spreuke tegen de andere vergelijkende, genegen worden om zulke bij zulke, gelijkdanige bij gelijkdanige te verzamelen en te bewaren. Dan, alzoo doende, zullender hem namen te binnen komen, die op een voor een van elken hoop spreuken kunnen toegepast worden. Zoo zal hij b. v. zeker getal spreuken kwelspreuken heeten, is 't dat hij weet wat kwellen zijn. Kwellen dat zijn taschen, sloten, knopen, letsen, bussen, enz., die op eene verborgene wijze en zoo toegemaakt worden, dat iemand die 't geheem nieten kent zijn hoofd langen tijd zal kwellen eer hij de kwelle los en open krijgt.”
[13] In: Rond den Heerd: 19 (6 januari 1884) 6, p. 47-48: Vrouwe Tryne; 19 (13 januari 1884) 7, p. 51-55: Frederik en zijn wijf; 19 (20 januari 1884) 8, p. 63-64: De vos en de ganzen.
[14] Vertaald door Placide Haghebaert.
[15] Limburgsche dichtveerdigheid, De zeg van de geit die de wäreld hoorde kraken. In: 't Daghet in den Oosten: I (1885) 16-17, p. 125-130.
[16] Limburgsche dichtveerdigheid, Kindervertelsels, Sieken en Seiken. In: 't Daghet in den Oosten: 2 (1887) 8-9, p. 59-60.
[17] WNT 1500-heden: “Zuiken: Van jonge kinderen of jonge dieren: aan de moederborst, bij de moeder e.d. drinken; zuigen.”
[18] A. Cuppens, Vertellingen uit Limburg. Hasselt, Ceyssens 1923, p. 109: “Toen Bert Bart drij dagen oud was, stierf zijn moeder. En de oude Bart lei het wicht op een bussel achter in zijn karreke, en trok er mee overal rond, land in en land uit, zeven jaar lang, en al dien tijd zoog Bert Bart de melk van het ezellinneke dat in ’t karreke stond (...).”
[19] Umlaut.
[20] “Klein Vrankrijk heet ik de oevers van den Demer, van bekans aan Bilsen tot aan Diest, en van de beken die daar in deze rivieren lopen: de Rostbeek, de Zwertbeek, de Mangelbeek en de Herck.” In : Lenaerts Jacob, Over ’t Limburgsch. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw. 533, 14,17.
[21] Noel Chomel, Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundig- en konst- woordenboek, deel 5. Leyden: Johan Le Mair, 1778, p. 2638: “Peeterman is de naam van een soort van Wit-Bier, 't welk zeer kragtig is, weinig uitgegest en te Leuwen in Braband word (sic) gebrouwen; het zelve is van een aangenaame smaak, dog maakt ligt dronken, en men zegt dat het zeer schadelijk is, voor degene die er een veelvuldig gebruik van maaken.”

Register

Correspondenten - personen

NaamBorgerhoff, Petrus Joannes Hubertus; Borgerhoff, Pieter Jan Hubert; Borgerhoff, Joannes
Datums° Dilsen, 31/12/1861 - ✝ Seraing-le-Château, 27/12/1936
GeslachtMannelijk
BioPetrus Joannes Hubertus Borgerhoff werd geboren in Dilsen op 31 december 1861, als zoon van Joannes Mathijs Hubertus Borgerhoff en Maria Catharina Jacobs. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. Hij werd op 19 december 1885 in Luik tot priester gewijd. Hij diende als pastoor van Stockay. Petrus Joannes Hubertus Borgerhoff overleed in Seraing-le-Château op 27 december 1936.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 30
NaamBroers, Balthasar; Broers, Balthazar; B.B.
Datums° Moelingen, 06/01/1861 - ✝ Eijsden, 24/10/1918
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioBalthasar Broers werd geboren in Moelingen (Voeren) op 6 januari 1861, als zoon van Balthasar Broers en Maria Catharina Janssen. Tijdens zijn studies aan het groot Seminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. Hij werd priester gewijd op 19 juni 1886 in Luik. Op 17 oktober 1895 werd hij benoemd tot pastoor van de parochie Sint-Jan Baptist in Herstappe, een functie die hij waarnam tot 1904. Balthasar Broers overleed in Eijsden (Nederland) op 24 oktober 1918.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 38; Geneanet
NaamCarmans, Josephus
Datums° Lummen, 07/06/1858 - ✝ Hollogne-aux-Pierres, 29/09/1913
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; aalmoezenier
BioJosephus Carmans werd geboren op 7 juni 1858 in Lummen, als zoon van Bernardus Athanasius (°1823) en Anna Maria Josepha Quintens (°1828). Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgildeke'. Hij werd op 22 mei 1884 in Luik tot priester gewijd. Na zijn priesterwijding was Carmans werkzaam als aalmoezenier in Hollogne-aux-Pierres. Fort Hollogne, waaraan hij verbonden was, maakte deel uit van de fortengordel rond Luik. Josephus Carmans overleed op 29 september 1913 in Hollogne-aux-Pierres.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 42; geneanet
NaamCoenegracht, Felix; Coenegrachts, Felix
Datums° Oostham, 07/09/1862 - ✝ Oostham, 20/03/1946
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor
BioFelix Coenegracht werd geboren op 7 september 1862 Oostham als zoon van Deodatus (1825-1907), onderwijzer te Oostham en Theresia Lambertina Caels (1823-1897). Het gezin telde drie zonen die tot priester werden gewijd, en één zoon die intrad bij de jezuïeten. Net als zijn broer Theofiel Coenegracht correspondeerde hij met Guido Gezelle. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgildeke'. Op 30 mei 1885 werd hij priester gewijd te Luik. Zijn loopbaan begon in 1884 als leraar aan het Sint-Jozefscollege in Beringen. Vanaf 1889 was hij onderpastoor aan de Sint-Quintinuskerk in Hasselt. In 1897 werd hij benoemd tot pastoor te Zonhoven, een functie die hij vervulde tot zijn emeritaat in 1928. Ter gelegenheid van deze benoeming werd hij door 'Het Leesgezelschap Hasselt' gehuldigd voor zijn rol als stichter en oud-voorzitter (1896). Hij overleed op 20 maart 1946 te Oostham.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 54; Geneanet; Anny Van der Meulen-Corens, ‘De Geschiedenis van “'t Daghet” in het Kader van de Limburgse Volkskunde’, in ’t Daghet in den oosten (1885-1914). Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, 1971, XXXVII-XXXIX
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamErkens, Gulielmus Josephus; Erkens, Guillaume
Datums° Geleen, 04/07/1857 - ✝ Geleen, 12/04/1938
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioGulielmus Josephus Erkens werd geboren op 4 juli 1857 in Geleen (Nederland) als zoon van Pieter Jozef Erkens (1824-1894) en Maria Joanna Göbbels (1820-1872). Hij volgde de opleiding wijsbegeerte aan het kleinseminarie te Sint-Truiden, waar hij in de academiejaren 1881-1882 lid was van het letterkundig genootschap 'Utile Dulci'. In 1883 ontving hij van het Davidsfonds een eervolle vermelding voor zijn blijspel met zang in één bedrijf, "Baas Lens of Waar er velen dorschen moet men maai slaan". Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was Erkens lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Op 22 februari 1886 werd hij te Houthalen tot priester gewijd. Van 1886 tot 1890 doceerde hij Nederlands aan het kleinseminarie van Sint-Truiden. In deze periode was hij ipso facto voorzitter van 'Utile Dulci'. In 1888 verzorgde hij een heruitgave van J. van den Vondels "Altaargeheimenissen" ten behoeve van studenten. Later werd Erkens aangesteld als pastoor van de Sint-Trudoparochie in Opitter. Hij overleed op 12 april 1938 in Geleen.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken: studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 38
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamHover, Franciscus; Hover, Johan Frans
Datums° Posterholt, 25/02/1861 - ✝ 09/04/1923
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioFranciscus Hover werd geboren in Posterholt, Nederland op 25 februari 1861. Tijdens zijn studies aan het Groot Seminarie van Luik was hij lid van het ‘Limburgsch Zanterkesgildeke’. Hij werd op 19 december 1885 in Luik tot priester gewijd. Later was hij pastoor van Cras-Avernas. Franciscus Hover overleed op 9 april 1923 in Cras-Avernas, Luik. Hij werd daar ook begraven.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
Bronnen https://www.geni.com/people/Johan-Frans-Hover/6000000023418564924; E. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 159
NaamLahaye, Renerus
Datums° Reppel, 31/03/1862 - ✝ Tongeren, 22/04/1941
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioRenerus Lahaye werd geboren op 31 maart 1862 te Reppel. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. Op 18 december 1886 werd hij te Luik tot priester gewijd. Nadien was hij werkzaam als pastoor op de parochie Jean-Baptist te Tongeren. Hij stierf er op 22 april 1941.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 185
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamMoons, Ludovicus; Moens, Ludovicus
Datums° Eksel, 30/03/1857 - ✝ Hasselt, 06/10/1932
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioLudovicus Moons werd geboren in Eksel op 30 maart 1857. Mogelijk volgde hij zijn priesteropleiding aan het grootseminarie van Luik en was hij lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Op 22 mei 1884 werd hij in Luik tot priester gewijd. In de loop van zijn kerkelijke loopbaan was hij werkzaam als pastoor te Leut. Ludovicus Moons overleed in Hasselt op 6 oktober 1932.
Links[odis]
NaamPorta, Franciscus Josephus Cornelus
Datums° Heers, 24/04/1863 - ✝ Heers, 23/10/1940
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; pastoor
VerblijfplaatsPorta, Franz
BioFranciscus Josephus Cornelius Porta werd geboren in Heers op 24 april 1863, als zoon van François Joseph Xavier Porta en Marie Catharina Wijnands. Van 1883 tot 1884 was hij lid van het 'Genootschap van Vlaamsche Snelspraak', een afdeling van het taalminnend genootschap 'Utile Dulci'. Deze vereniging werd in 1883 opgericht aan het kleinseminarie van Sint-Truiden en was verplicht voor de studenten wijsbegeerte. Ze had tot doel het Nederlands correct en vlot te leren spreken in het openbaar. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was Porta lid van het' Limburgsch Zanterkesgildeke'. Op 2 april 1886 werd hij in Luik tot priester gewijd. Nog datzelfde jaar begon hij zijn loopbaan als leraar aan het kleinseminarie van Sint-Truiden, waar hij Griekse, Latijnse en Franse grammatica doceerde. Op 29 januari 1901 werd hij benoemd tot pastoor van Veulen. In zijn parochie richtte hij nieuwe religieuze verenigingen op, waaronder in 1901 de Derde Orde en de Congregatie van O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen, en in 1902 de Sint-Antoniusvereniging. Hij speelde ook een belangrijke rol bij de oprichting van een zusterschool vanaf 1913. Namens de parochie sloot hij een overeenkomst met het gemeentebestuur voor de subsidiëring van deze school. Aanvankelijk gaf hij er zelf les, maar vanaf 1916 werd hij op zijn eigen verzoek vervangen door zusters van het Instituut van het Heilig Hart en de Onbevlekte Ontvangenis te Heverlee. Franciscus Porta overleed in Veulen op 23 oktober 1940.
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 258 ; Geneanet
NaamRaedschelders, Emiel; Raedschelders, Aemilius
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioEmiel Raedschelders werd geboren in Maaseik op 24 november 1859. Vanaf 1883 was hij werkend lid en voorzitter van het 'Genootschap van Vlaamsche Snelspraak'. Deze afdeling van het taalminnend genootschap Utile Dulci werd in 1883 opgericht aan het kleinseminarie van Sint-Truiden en was verplicht voor de studenten wijsbegeerte. Het genootschap had tot doel de leden te leren Nederlands spreken in het openbaar. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde hij Limburgse woorden voor Guido Gezelle. Hij werd op 18 december 1886 in Luik tot priester gewijd en begon zijn loopbaan als onderpastoor in Luik, Saint-Gilles (1886-1888), vervolgens Sainte-Walburge (1888-1893), Sint-Martinus, Sint-Martens-Voeren (1893-1895), Rutten (1895-1897) en Sint-Dionysius, Opoeteren (1897-1899). In 1899 werd hij pastoor van Sint-Hubertus, Neerglabbeek, een functie die hij uitoefende tot zijn emeritaat in 1910. Hij overleed in Maaseik op 27 februari 1945.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 262
NaamTheunissen, Henricus
Datums° Bree, 23/12/1859 - ✝ Bree, 19/11/1929
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; deken
BioHenricus Theunissen werd geboren in Bree op 23 december 1859. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Hij werd op 30 mei 1885 in Luik tot priester gewijd. Hij diende als pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw Geboorte in Tongeren en bekleedde daarnaast de functie van deken van het decanaat Tongeren. Henricus Theunissen overleed in Bree op 19 november 1929.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 305

Briefschrijver

NaamBorgerhoff, Petrus Joannes Hubertus; Borgerhoff, Pieter Jan Hubert; Borgerhoff, Joannes
Datums° Dilsen, 31/12/1861 - ✝ Seraing-le-Château, 27/12/1936
GeslachtMannelijk
BioPetrus Joannes Hubertus Borgerhoff werd geboren in Dilsen op 31 december 1861, als zoon van Joannes Mathijs Hubertus Borgerhoff en Maria Catharina Jacobs. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. Hij werd op 19 december 1885 in Luik tot priester gewijd. Hij diende als pastoor van Stockay. Petrus Joannes Hubertus Borgerhoff overleed in Seraing-le-Château op 27 december 1936.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 30
NaamBroers, Balthasar; Broers, Balthazar; B.B.
Datums° Moelingen, 06/01/1861 - ✝ Eijsden, 24/10/1918
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioBalthasar Broers werd geboren in Moelingen (Voeren) op 6 januari 1861, als zoon van Balthasar Broers en Maria Catharina Janssen. Tijdens zijn studies aan het groot Seminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. Hij werd priester gewijd op 19 juni 1886 in Luik. Op 17 oktober 1895 werd hij benoemd tot pastoor van de parochie Sint-Jan Baptist in Herstappe, een functie die hij waarnam tot 1904. Balthasar Broers overleed in Eijsden (Nederland) op 24 oktober 1918.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 38; Geneanet
NaamCarmans, Josephus
Datums° Lummen, 07/06/1858 - ✝ Hollogne-aux-Pierres, 29/09/1913
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; aalmoezenier
BioJosephus Carmans werd geboren op 7 juni 1858 in Lummen, als zoon van Bernardus Athanasius (°1823) en Anna Maria Josepha Quintens (°1828). Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgildeke'. Hij werd op 22 mei 1884 in Luik tot priester gewijd. Na zijn priesterwijding was Carmans werkzaam als aalmoezenier in Hollogne-aux-Pierres. Fort Hollogne, waaraan hij verbonden was, maakte deel uit van de fortengordel rond Luik. Josephus Carmans overleed op 29 september 1913 in Hollogne-aux-Pierres.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 42; geneanet
NaamCoenegracht, Felix; Coenegrachts, Felix
Datums° Oostham, 07/09/1862 - ✝ Oostham, 20/03/1946
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor
BioFelix Coenegracht werd geboren op 7 september 1862 Oostham als zoon van Deodatus (1825-1907), onderwijzer te Oostham en Theresia Lambertina Caels (1823-1897). Het gezin telde drie zonen die tot priester werden gewijd, en één zoon die intrad bij de jezuïeten. Net als zijn broer Theofiel Coenegracht correspondeerde hij met Guido Gezelle. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgildeke'. Op 30 mei 1885 werd hij priester gewijd te Luik. Zijn loopbaan begon in 1884 als leraar aan het Sint-Jozefscollege in Beringen. Vanaf 1889 was hij onderpastoor aan de Sint-Quintinuskerk in Hasselt. In 1897 werd hij benoemd tot pastoor te Zonhoven, een functie die hij vervulde tot zijn emeritaat in 1928. Ter gelegenheid van deze benoeming werd hij door 'Het Leesgezelschap Hasselt' gehuldigd voor zijn rol als stichter en oud-voorzitter (1896). Hij overleed op 20 maart 1946 te Oostham.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 54; Geneanet; Anny Van der Meulen-Corens, ‘De Geschiedenis van “'t Daghet” in het Kader van de Limburgse Volkskunde’, in ’t Daghet in den oosten (1885-1914). Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, 1971, XXXVII-XXXIX
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamErkens, Gulielmus Josephus; Erkens, Guillaume
Datums° Geleen, 04/07/1857 - ✝ Geleen, 12/04/1938
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioGulielmus Josephus Erkens werd geboren op 4 juli 1857 in Geleen (Nederland) als zoon van Pieter Jozef Erkens (1824-1894) en Maria Joanna Göbbels (1820-1872). Hij volgde de opleiding wijsbegeerte aan het kleinseminarie te Sint-Truiden, waar hij in de academiejaren 1881-1882 lid was van het letterkundig genootschap 'Utile Dulci'. In 1883 ontving hij van het Davidsfonds een eervolle vermelding voor zijn blijspel met zang in één bedrijf, "Baas Lens of Waar er velen dorschen moet men maai slaan". Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was Erkens lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Op 22 februari 1886 werd hij te Houthalen tot priester gewijd. Van 1886 tot 1890 doceerde hij Nederlands aan het kleinseminarie van Sint-Truiden. In deze periode was hij ipso facto voorzitter van 'Utile Dulci'. In 1888 verzorgde hij een heruitgave van J. van den Vondels "Altaargeheimenissen" ten behoeve van studenten. Later werd Erkens aangesteld als pastoor van de Sint-Trudoparochie in Opitter. Hij overleed op 12 april 1938 in Geleen.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken: studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 38
NaamHover, Franciscus; Hover, Johan Frans
Datums° Posterholt, 25/02/1861 - ✝ 09/04/1923
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioFranciscus Hover werd geboren in Posterholt, Nederland op 25 februari 1861. Tijdens zijn studies aan het Groot Seminarie van Luik was hij lid van het ‘Limburgsch Zanterkesgildeke’. Hij werd op 19 december 1885 in Luik tot priester gewijd. Later was hij pastoor van Cras-Avernas. Franciscus Hover overleed op 9 april 1923 in Cras-Avernas, Luik. Hij werd daar ook begraven.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
Bronnen https://www.geni.com/people/Johan-Frans-Hover/6000000023418564924; E. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 159
NaamLahaye, Renerus
Datums° Reppel, 31/03/1862 - ✝ Tongeren, 22/04/1941
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioRenerus Lahaye werd geboren op 31 maart 1862 te Reppel. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. Op 18 december 1886 werd hij te Luik tot priester gewijd. Nadien was hij werkzaam als pastoor op de parochie Jean-Baptist te Tongeren. Hij stierf er op 22 april 1941.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 185
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamMoons, Ludovicus; Moens, Ludovicus
Datums° Eksel, 30/03/1857 - ✝ Hasselt, 06/10/1932
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioLudovicus Moons werd geboren in Eksel op 30 maart 1857. Mogelijk volgde hij zijn priesteropleiding aan het grootseminarie van Luik en was hij lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Op 22 mei 1884 werd hij in Luik tot priester gewijd. In de loop van zijn kerkelijke loopbaan was hij werkzaam als pastoor te Leut. Ludovicus Moons overleed in Hasselt op 6 oktober 1932.
Links[odis]
NaamPorta, Franciscus Josephus Cornelus
Datums° Heers, 24/04/1863 - ✝ Heers, 23/10/1940
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; pastoor
VerblijfplaatsPorta, Franz
BioFranciscus Josephus Cornelius Porta werd geboren in Heers op 24 april 1863, als zoon van François Joseph Xavier Porta en Marie Catharina Wijnands. Van 1883 tot 1884 was hij lid van het 'Genootschap van Vlaamsche Snelspraak', een afdeling van het taalminnend genootschap 'Utile Dulci'. Deze vereniging werd in 1883 opgericht aan het kleinseminarie van Sint-Truiden en was verplicht voor de studenten wijsbegeerte. Ze had tot doel het Nederlands correct en vlot te leren spreken in het openbaar. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was Porta lid van het' Limburgsch Zanterkesgildeke'. Op 2 april 1886 werd hij in Luik tot priester gewijd. Nog datzelfde jaar begon hij zijn loopbaan als leraar aan het kleinseminarie van Sint-Truiden, waar hij Griekse, Latijnse en Franse grammatica doceerde. Op 29 januari 1901 werd hij benoemd tot pastoor van Veulen. In zijn parochie richtte hij nieuwe religieuze verenigingen op, waaronder in 1901 de Derde Orde en de Congregatie van O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen, en in 1902 de Sint-Antoniusvereniging. Hij speelde ook een belangrijke rol bij de oprichting van een zusterschool vanaf 1913. Namens de parochie sloot hij een overeenkomst met het gemeentebestuur voor de subsidiëring van deze school. Aanvankelijk gaf hij er zelf les, maar vanaf 1916 werd hij op zijn eigen verzoek vervangen door zusters van het Instituut van het Heilig Hart en de Onbevlekte Ontvangenis te Heverlee. Franciscus Porta overleed in Veulen op 23 oktober 1940.
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 258 ; Geneanet
NaamRaedschelders, Emiel; Raedschelders, Aemilius
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioEmiel Raedschelders werd geboren in Maaseik op 24 november 1859. Vanaf 1883 was hij werkend lid en voorzitter van het 'Genootschap van Vlaamsche Snelspraak'. Deze afdeling van het taalminnend genootschap Utile Dulci werd in 1883 opgericht aan het kleinseminarie van Sint-Truiden en was verplicht voor de studenten wijsbegeerte. Het genootschap had tot doel de leden te leren Nederlands spreken in het openbaar. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde hij Limburgse woorden voor Guido Gezelle. Hij werd op 18 december 1886 in Luik tot priester gewijd en begon zijn loopbaan als onderpastoor in Luik, Saint-Gilles (1886-1888), vervolgens Sainte-Walburge (1888-1893), Sint-Martinus, Sint-Martens-Voeren (1893-1895), Rutten (1895-1897) en Sint-Dionysius, Opoeteren (1897-1899). In 1899 werd hij pastoor van Sint-Hubertus, Neerglabbeek, een functie die hij uitoefende tot zijn emeritaat in 1910. Hij overleed in Maaseik op 27 februari 1945.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 262
NaamTheunissen, Henricus
Datums° Bree, 23/12/1859 - ✝ Bree, 19/11/1929
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; deken
BioHenricus Theunissen werd geboren in Bree op 23 december 1859. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Hij werd op 30 mei 1885 in Luik tot priester gewijd. Hij diende als pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw Geboorte in Tongeren en bekleedde daarnaast de functie van deken van het decanaat Tongeren. Henricus Theunissen overleed in Bree op 19 november 1929.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 305

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamHaghebaert, Placidus Amandus; Broeder Bernardus Maria
Datums° Noordschote, 18/04/1849 - ✝ Leuven, 02/04/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; auteur
BioPlacidus Haghebaert werd geboren als zoon van Pieter en Emilia Ghyselen, landbouwers te Noordschote. Hij kreeg onderwijs in het bisschoppelijk college in Ieper (1863-1870), het kleinseminarie te Roeselare (1870-1871) en het grootseminarie te Brugge (1871-1874). Op 19 december 1874 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Aan de Katholieke Universiteit Leuven behaalde hij op 15 juli 1876 zijn baccalaureaat in de Godsgeleerdheid. Hij werd eerst onderpastoor in Zonnebeke (14/12/1876-28/07/1880) en vervolgens in Koekelare (28/07/1880-30/04/1888), waar hij buurman was van Karel De Gheldere. Op 30/04/1888 trad hij in bij de Dominicanen in Hoei, voltooide er op 10/05/1889 zijn noviciaat en nam zijn intrek in het Predikherenklooster van de Dominicanen in Leuven. Zijn kloosternaam was pater Bernardus Maria. Na zijn professie op 11/05/1892 werd hij in juni benoemd als lector aan het Studium Generale van de Dominicanen. Naast zijn lesopdracht was hij bestuurder van de Vlaamse congregatie der Derde orde van Sint-Dominicus en het Genootschap der arme vrouwen (Leuven). Haghebaert was ook nauw betrokken bij de oprichting en de werking van het Sint-Thomasgenootschap van de Domincanen (1897) in Leuven. Van 1876 tot 1889 werkte hij actief mee aan “Rond den Heerd”. Zijn bijdragen verschenen als reeksen in het weekblad o.a. “Aptonga” (1878-1879) en de eerste Vlaamse vertaling van de “Goddelijke Komedie” van Dante (1885-1887). Dit werk verscheen in 1901 als boek. Vanaf 1877 tot 1883 was hij lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde en ook een actieve zanter. Tijdens zijn religieuze periode 1888-1905 vertaalde hij vooral patristieke werken en verschillende delen van het Oude Testament. Er verschenen van hem ook artikelen in de tijdschriften “Dietsche Warande & Belfort”, en “Revue biblique van de Ecole biblique et archéologique Française de Jérusalem”. Ten gevolge van een korte ziekte stierf hij te Leuven op 2 april 1905 en werd hij op 5 april begraven op het kerkhof van de Abdij van Park.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Rond den Heerd; zanter; SInte-Luitgaarde
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamGrimm, Jakob
Datums° Hanau (Duitsland), 04/01/1785 - ✝ Berlijn (Duitsland), 20/09/1863
GeslachtMannelijk
Beroeptaal- en letterkundige; bibliothecaris; diplomaat; jurist; hoogleraar
VerblijfplaatsDuitsland; Oostenrijk
BioJacob Grimm is een taal-en letterkundige die zich toelegde op het gebied van lexicografie, vergelijkende taalkunde en mythologie. Hij werkte vaak samen met zijn broer Wilhelm. Ze staan bekend als de gebroeders Grimm. In 1802 studeerde Jacob rechten aan de universiteit van Marburg, maar hij stopte al vrij snel met deze studies. Hij legde zich steeds meer toe op de studie van taal- en letterkunde. In 1808 werd hij bibliothecaris van de privébibliotheek van Jérôme Bonaparte, koning van Westfalen. Hier begon hij samen met zijn broer sprookjes te verzamelen. Van 1813 tot 1815 was Jacob Grimm in de diplomatieke dienst werkzaam. Hij werd bibliothecaris van de bibliotheek van Kassel in 1816, waar zijn broer ook al werkzaam was. Later ging hij aan de slag als hoogleraar in Göttingen en Berlijn. In zijn Deutsche Grammatik (1822) formuleert hij de wetmatigheid die in de historische taalkunde de Germaanse klankverschuiving beschrijft, ook wel Wet van Grimm genoemd. Samen met zijn broer Wilhelm startte hij de samenstelling en uitgave van het Deutsches Wörterbuch op (1852-1960).
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellevaak gebruikte auteur als bron door Gezelle

Naam - plaats

NaamBeringen
GemeenteBeringen
NaamKortrijk
GemeenteKortrijk
NaamLeuven
GemeenteLeuven
NaamLuik

Naam - instituut/vereniging

NaamLimburgsch Zantersgildeken
BeschrijvingIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Datering1883-?
Links[wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelThe Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch.
Links[gezelle.be]
TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]
TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelTijdspiegel (periodiek)
Datum1844-1921
PlaatsArnhem
UitgeverD.A. Thieme
TitelDer Sielen Troost
Datum1484
PlaatsHaarlem
UitgeverStads drukker Enschedé

Titelxx/[04/1884], Luik, August Cuppens en de gildebroêrs van het Limburgsch Zantersgildeken aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August, Lenaerts Leonard Willem Jakob, Lewylle Arthur, Coenegracht Felix, Carmans Josephus, Erkens Gulielmus Josephus, Lahaye Renerus, Theunissen Henricus, Broers Balthasar, Porta Franciscus Josephus Cornelus, Raedschelders Emiel, Hover Franciscus, Borgerhoff Petrus Joannes Hubertus en Moons Ludovicus aan Gezelle Guido, Luik, xx/[04/1884]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
VerzenderLenaerts, Leonard Willem Jakob
VerzenderLewylle, Arthur
VerzenderCoenegracht, Felix
VerzenderCarmans, Josephus
VerzenderErkens, Gulielmus Josephus
VerzenderLahaye, Renerus
VerzenderTheunissen, Henricus
VerzenderBroers, Balthasar
VerzenderPorta, Franciscus Josephus Cornelus
VerzenderRaedschelders, Emiel
VerzenderHover, Franciscus
VerzenderBorgerhoff, Petrus Joannes Hubertus
VerzenderMoons, Ludovicus
VerzenderLimburgsch Zantersgildeken
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatumxx/[04/1884]
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieJaartal en maand gereconstrueerd op basis van de brieftekst: verwijzing naar Pasen: in 1884 viel pasen op 13/04 ; adressaat en plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7464
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13830
Inhoud
IncipitEerst en vooral moet ik u met al onze
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.