Eerst en vooral moet ik u met al onze gullebroêrs , eenen zaligen Hoogtijd wenschen![1] Alleluja! - Ressurexit, sicut dixit! Alleluja![2]
k Moet u schrijven van Arthurswege, dat hij u zal komen vinden, ofwel Paaschmaandag[3] na 't lof; rond den zessen, ofwel Dijsdags rond den noenstond, waarschijnlijk om twee uren.
Wees zoo goed en leg onzen ouden boek[4] tegen dan gereed met den Tijdspiegel. Wij zouden ook die oudvlaamsche overzetting van Hiawatha's Fasting[5] willen lezen!
Wij hebben 't'alle kanten bij Dutschen, Platduutschen en Walen gevorscht en gevraagd, om iets te wete te komen over zenuwe,[6] van de chat, geelhaar[7] enz. maar ik vrees dat er veel is van verloren geraakt bij ons allemaal. De walen klappen mij maar toe van “niërf” en, huns zeggens, en bestaat er daar geen ander woord voor. De platduitschers zeggen “peze” en wij, Limburgers, zenerve. Och! 'k zou niet verwonderd zijn, waren wij allegaar vergeten wat wij recht zouden moeten weten. De meeste Walen hebben hunne eigen woordspraak wie de Vlamingen ontleerd met dat djanters[8] fransch! Ik moet onder 't verlof t'huis eens goed navragen met Loquela in de hand, bij vader en moeder en oude peteroomen en mekes, die zullen er mij nog wel wat van leeren kunnen.
Tot hiertoe niets gevonden als 't volgende: Wat ze in Vlanderen schillewaard[9] zeggen; dat heeten ze t'huis ofwel fars (niet fas)[10] ofwel kattevel, peerdsvel, bijzonder dit leste.
zenerve, zemele[11] knooper = zageman, zeel ? = koord van lint gevlochten en geknuppeld of geslingerd.p2Doof of dood vleesch meen ik ook al gehoord te hebben: 'k zal er eens naar uitzien.
Wat noch spieren, noch fars noch hard been en is, maar die porseleinachtige, lillende beenderachtigheid, wie de jonge kalveren er veel in 't lijf hebben, heet t'huis knor of knor den duvel
Moeke, ich en kan da vliësch nie opkrège, 't en ès niks as knor den duvel en fars! Hem ich al tegen os Moeke geprot toen ich heur kleen kinneke nog waar. -
Kwelspreuke,[12] t'huis veel herhaald: De katten krabben de krollen (houdskrollen, schaafsel) van(d)e trappen.
Wat wij de walen deden herhalen om ze aardige smoelen zien te trekken: Acht en tachentig kleen appelkens rollen van e trappekens.
Een ander: Mulder, maal mij mijn meel, mijn moeder moet mikken maken met melk, met meel enz. Daar zit stafrijm in, niewaar?
'k Heb in “rond den Heerd” verschillige oude vertelsels[13] gelezen, uit Jacob grimm vertaald[14] die ze zelf bij zijn volk heeft bijeengezocht, nietwaar? Wel, tot hiertoe en heb ik er nog maar een of twee in gelezen die t'huis met alle winteravonden nog altijd levend en roerend van grootvaders mond rollen en zóó overgaan tot kind en kleinkinder. Zou 't u gaaien, moest ik ze onder 't verlof eens bijeenzoeken en opschrijven, eenvoudig en onveranderd, wie ze de oude kempische boer vertelt en ze u in een pakske opsturen? zóó hebt gij 't vertelsel van de geit die de wereld had hooren kraken (De Bremer Muziekanten)[15] van Síeken en Sá-ken[16] die eene deur lieten vallen op de koppen van schelmen die onder den boom, waar zij op verscholen zaten, hun geld zaten te tellen, van Roodkapken, van Bert-Bart p3die zeven jaar aan eenen ezelin gezoken[17] had[18] ook veel van den Reinaard en den Isegrim misschien wel uit den boek geleerd, deze?) enz. enz.
't Verwonderde mij maar, ziet gij, dat “Rond den Heerd” dat moest gaan overzetten uit Jacob Grimm. Schrijf dan, als 't u belieft, eens een kaartjen naar Aug. Cuppens, theologant te Beeringen (Limburg) tegen Maandag of Dijsdag, en laat hem weten of hij mag of moet opschrijven?
Nu nog wat anders. Wij doen u wat aan, geloof ik, met al ons gevraag en geschrijf? Wij Limburgers zouden maar zoo geerne zuiver, gelouterd Limburgsch schrijven, maar wij en weten maar niet, hoeverre wij daarin mogen gaan, wat wij moeten schrijven en wat niet. Zoo, bijv. zouden wij mogen behouden den omluid[19] in de meervouden en verkleiningswoorden? Zóó -
de Bank, - de benk
de stoel - de Stuul
het land - de lender
de zoon - de zeuns
de man - de men
in zóó duizend woorden en wendingen later te bepalen; gij weet waar het henen wilt?
Dan:
't kind - de kinder
't wijf - de wijver,
't wicht - de wichter enz. enz. maar och! niet algemeen meer.
Dan:
Een man - Een menneken,
een band - een bendeken
een tand - een tendeken
eene tant - een tenteken -
- eene schotel - een scheutelken
een bol - een bölleken (Duitsche ö)
een trommel - een trummelken
eene kom - een kummeken
enz. enz. daar is veel in te bepalen en te zoeken.p4Als gij 't zoudt inzien dat wij die verscheidenheid van klanken niet mogen dood maken, dan zullen wij dat spel eens uitpluizen en eens een soort van tafereelken maken van al de veranderingen en omluiden in de Limburgsche woorden waar a, o, oe enz. in vóórkomen.
Dan hebben wij nog: Speelt gij? - Spielstdu of speeldegij, of speelder, loopt gij - laupstdu, loopdegij, loopder enz. Komt er vandaag = komt hij vandaag? Speelder nie meê? = speelt gij niet meê?
Voor u = uch Ich zal uch hemme = Ik zal u hebben.
t'uwent = t'oerest!! Met die t'oerest worden de Limburgers van Kleen-Frankrijk[20] wat voor den zot gehouden, te Leuven op de Hoogeschool, als zij bij WestVlamingen of Brabanders aan tafel of Peeterman[21] zitten!
Dan uw huis = oer huis of verderop, tegen de Maas dün hoes.
Kosten wij toch maar eens met een Limburger of zes van al de deelkens van Limburg naar Kortrijck fluiten op ‘nen schoonen zomerdag en u dan eens vertellen en Limburgsch voorklappen en raad en verstand vragen! Wij hopen dat het toch wel eens zal gebeuren! Geef, als 't u belieft, aan Arthur al 'nen heelen hoop meê om ons over te brengen als hij weêr komt naar Luijk. Nu heb ik lang genoeg gebabbeld en zeg u dus den vriendelijken en eerbiedigen goedendag! Zeg ook eens aan Arthur wat er van Johan Winkler al gewordt?
P.S. Acht dagen na 't verlof een pakske woorden enz.







