Wij wenschen u allemaal een’ zaligen Hoogtijd en groeten u eerbiedig en dankbaar!
Hier bij een päksken van 360 woorden die wij uit Mijnh. Gelissen's “Maeseyckisch Idioticon” hebben mogen afschrijven:[1] t en zijn ze nog niet allemaal want daar stonden er veel in die wij niet lezen kosten of waarvan wij den zin niet hebben kunnen verstaan: die zullen na Kerstmisverlof volgen met wat wij uit ons eigen nog al hebben bijeengekregen. Daar zit nog al vlaamsch leven in ons nieuw “boeren” van 't Seminarie, zij helpen ons heel goed. Na 't verlof gaan wij ons in ons Rookkot in den wonnegaard[2] met eentigen aan vier vijf tafels bijeenslaan om uit te vragen en op te schrijven. Zoo krijgen wij nuttig en verzettelik onzen speeltijd om. Met nieuwejaar zullen der ook gilde- en ambachtsliedekens meêkomen met ons volk: zoo hebben ze ons toch beloofd.
Wij hadden al lang die artikels over Boek- en Boekstafwezen[3] opgeschikt naar den drukker hadden wij niet gemeend dat wij moesten wachten tot wij 'nen heelen n° in ééns kosten verzenden. Ik heb gisteren n° I en II van Boek- en boekstafwezen opgestuurd met de onderrichtingen erbij. Ik heb hem ook gezegd, aan onzen drukker, dat hij u seffens eene kladprent ervan zou doen geworden en heb ook gevraagd of hij muziek kan drukken. Ik geloof wel van ja, want hij heeft al dik genoeg aling[4] muziekstukken gedrukt en uitgegeven.
Ik heb hem ook gezeid dat hij een grooter letter zou pakken als die van 't Inschrijvingskaarteken, ten minste zoolang tot wij 't hem anders zeggen. Als ze ons willen helpen hier, en eens dat we uit[5] p2 het Seminarie zijn, zullen wij onze nos veel gemakkeliker gereed krijgen.
Wanneer komt nu den artikel over darren[6] met eenen zang uitgelezen en gezuiverd Limburgsch-vlaamsch koren? Gij hebt dat al beloofd.
Zouden wij ook geen slach van wisselbank[7] kunnen zetten in ons blätteken?
Bijv. woorden als enveloppe = brievemäälken; timbre - köpken (is dat niet schoon?) en zegelken; cachet = stempel of stemper; vélochipède = ijzeren peerd; facteur = brievedrager of briefdrager; champetter = booi, bode etc.
Wij kosten er een zeker getall opschrijven en u opsturen om te keuren?
Willen wij ook, tegen toekomend jaar de Limburgsche naamverkortingen eens opschrijven? Daar zijn er een macht. Bij deze zende zijn er 3 of vier bij maar wij kennen er wel 150. Wat ge er uit ziet, 't is dat onze voorouders heel ander namen pieken als die van onzen tijd: 't waren volksheiligen of groote en wereldbekende heiligen, en de apostelen en de eerste martelaars etc. Mij dunkt dat er een net artikelke kost over geschreven worden.
Hierbij ook den schoonen brief[8] van Johan Winkler terug en vriendelik bedankt!
Koob gaat zijn werk[9] hermaken bijzonder dat al te zwak taalkundig deel: hij wist van 't begin af dat het niet sterk genoeg was, maar hij was toch van zin van het merkelik te vermeerderen; daar zijn immers groote verschillen genoeg te vinden tusschen ons drij gouspraken. Daar is geen een Limburger, dat is heel zeker, die die verschillen niet en gevoelt en verstaat. Voor ons Limburgers, ware 't zelfs niet noodig zulks te bewijzen. Maar dat Koob de Hollandsche Limburgers wat verwaarloosd heeft is ook waar: hij kent ze immers maar goed tot aan Weert; en achter Weert begint Hollandsch Limburg eerst te goêi. Wij gaan er eens meer trachten van te vernemen: spijtig dat die Hollanders van Limburg zoo djantersch[10] verhollandscht zijn; daar en is geen middel om hun iets te doen aannemen over volkstaal, zij meenen dat zij den vogel af hebben[11] als zij kunnen zeggen “U zijt van Belgisch Limburg, mijnheer?” te Hunnenst zeggen ze anders zoo goed dich p3en du als wij.
Wij hadden Rijkaart u doen schrijven en vragen of gij 't ook niet goed zoudt vinden dat wij oude Limburgsche gedichten wi de Ste Kerstine[12] die hier toch bekans niemand en kent, in ons 't Daghet uitgaven. Dan hoefden wij zoo groot geen boekstaven te doen nemen, wij kreegen 't toch voor 't zelfste geld gedaan mits de drukker de letter van 't kaarteken aangenomen heeft voor 8 bldz 8° en de lezers hadden er toch zeker winst bij? Wij kosten ook al een vertaling maken van 't een of 't ander schoon oudduitsch werk, of van ander vreemde werken?
Zeg eens wat u dunkt?
Kosten wij de redevoering van Mr Verriest op 't Brugsch Taalcongres drukken:[13] dat ware prachtig! Zou Mr Verriest daar niet in toestemmen?[14]
Arthur heeft een boeksken van Bormans zaliger “Lettre à Mr Ch Grandgagnage”[15] over 't Vlaamsch dat de walen in hun taal hebben ingeweven. Gij kent het waarschijnelik anders, vraag het eens aan Arthur als hij u komt bezoeken; daar staan schoon dingen in die wij ook wel kosten vertalen.
Gij weet zeker nog niet dat Blauvoet Arthur te Verviers genoemd[16] is; in 't herteken van 't Walenland. Daar zal hij zijn hert kunnen ophalen! Daar is toch niets aan te doen.
en 't Roomsche vaandel toegewijd,
gereisd in andere staten![17]
Rijkaart heeft aan Tuerlinckx geschreven voor hulp en bijstand: nog geen veds van hem terugvernomen! Als gij hem zelf eens schreeft?
Tot den dag van vandaag hebben wij al over de 200 inschrijvers. Is dat niet flink? Daar zijn ook een tiental Limburgsche schoolbazen bij en eene onderwijzeres; dan nog 4 of vijf pastoors. Alles bijeen hebben wij in Limburg rond de honderd inschrijvers. Van Mechelen zijn er nog maar weinig toegekomen: zij wachten daar tot zij “'t Daghet” gezien hebben, en als 't hun aanstaat belooven zij in groot getal op te komen.
Wij zullen eens trachten achter de “bulletins de la société du Limbourg”[18] te komen.
Kent gij een Woordenboek, Latijn-Grieksch en Vlaamsch uit de 16e eeuw, gemaakt door eenen priester van p4Weert, genaamd Servilius (Jan Knaeps)?
Mr Daris spreekt ervan in zijnen boek Hist. du Dioc. de Liège au 16e siècle.
Kent gij de Kronyk van Overmaes door Habets uitgegeven in 1870 en gemaakt door eene Limburgschen priester ook in de 16e eeuw rond 1580. Daar is maar een deel van uitgegeven zegt Mr Daris omdat het eerste niets beteekent voor de geschiedenis.
Gij spraakt in uwen lesten brief over 't drukken van Limburgsche doodebeeldekens.[19] Wij hebben er verschillige honderden bijeengezocht in den tijd voor Arthur die ze aan eenen West-Vlamschen priester, 'k geloof dat hij Selosse hiet, gegeven heeft. Arthur zegt dat gij die heer heel goed kent: vraag hem er maar eens na.
Nu moet ik uitscheiden. Wees eerbiedig en dankbaar, gegroet van ons allen! Tot later, als 't God belieft.







