<Resultaat 1105 van 3033

>

p1+ Geloofd zij Jezus Christus
Wel Eerweerde Heer en goede meester,

Wij wenschen u allemaal een’ zaligen Hoogtijd en groeten u eerbiedig en dankbaar!

Hier bij een päksken van 360 woorden die wij uit Mijnh. Gelissen's “Maeseyckisch Idioticon” hebben mogen afschrijven:[1] t en zijn ze nog niet allemaal want daar stonden er veel in die wij niet lezen kosten of waarvan wij den zin niet hebben kunnen verstaan: die zullen na Kerstmisverlof volgen met wat wij uit ons eigen nog al hebben bijeengekregen. Daar zit nog al vlaamsch leven in ons nieuw “boeren” van 't Seminarie, zij helpen ons heel goed. Na 't verlof gaan wij ons in ons Rookkot in den wonnegaard[2] met eentigen aan vier vijf tafels bijeenslaan om uit te vragen en op te schrijven. Zoo krijgen wij nuttig en verzettelik onzen speeltijd om. Met nieuwejaar zullen der ook gilde- en ambachtsliedekens meêkomen met ons volk: zoo hebben ze ons toch beloofd.

Wij hadden al lang die artikels over Boek- en Boekstafwezen[3] opgeschikt naar den drukker hadden wij niet gemeend dat wij moesten wachten tot wij 'nen heelen n° in ééns kosten verzenden. Ik heb gisteren n° I en II van Boek- en boekstafwezen opgestuurd met de onderrichtingen erbij. Ik heb hem ook gezegd, aan onzen drukker, dat hij u seffens eene kladprent ervan zou doen geworden en heb ook gevraagd of hij muziek kan drukken. Ik geloof wel van ja, want hij heeft al dik genoeg aling[4] muziekstukken gedrukt en uitgegeven.

Ik heb hem ook gezeid dat hij een grooter letter zou pakken als die van 't Inschrijvingskaarteken, ten minste zoolang tot wij 't hem anders zeggen. Als ze ons willen helpen hier, en eens dat we uit[5] p2 het Seminarie zijn, zullen wij onze nos veel gemakkeliker gereed krijgen.

Wanneer komt nu den artikel over darren[6] met eenen zang uitgelezen en gezuiverd Limburgsch-vlaamsch koren? Gij hebt dat al beloofd.

Zouden wij ook geen slach van wisselbank[7] kunnen zetten in ons blätteken?

Bijv. woorden als enveloppe = brievemäälken; timbre - köpken (is dat niet schoon?) en zegelken; cachet = stempel of stemper; vélochipède = ijzeren peerd; facteur = brievedrager of briefdrager; champetter = booi, bode etc.

Wij kosten er een zeker getall opschrijven en u opsturen om te keuren?

Willen wij ook, tegen toekomend jaar de Limburgsche naamverkortingen eens opschrijven? Daar zijn er een macht. Bij deze zende zijn er 3 of vier bij maar wij kennen er wel 150. Wat ge er uit ziet, 't is dat onze voorouders heel ander namen pieken als die van onzen tijd: 't waren volksheiligen of groote en wereldbekende heiligen, en de apostelen en de eerste martelaars etc. Mij dunkt dat er een net artikelke kost over geschreven worden.

Hierbij ook den schoonen brief[8] van Johan Winkler terug en vriendelik bedankt!

Koob gaat zijn werk[9] hermaken bijzonder dat al te zwak taalkundig deel: hij wist van 't begin af dat het niet sterk genoeg was, maar hij was toch van zin van het merkelik te vermeerderen; daar zijn immers groote verschillen genoeg te vinden tusschen ons drij gouspraken. Daar is geen een Limburger, dat is heel zeker, die die verschillen niet en gevoelt en verstaat. Voor ons Limburgers, ware 't zelfs niet noodig zulks te bewijzen. Maar dat Koob de Hollandsche Limburgers wat verwaarloosd heeft is ook waar: hij kent ze immers maar goed tot aan Weert; en achter Weert begint Hollandsch Limburg eerst te goêi. Wij gaan er eens meer trachten van te vernemen: spijtig dat die Hollanders van Limburg zoo djantersch[10] verhollandscht zijn; daar en is geen middel om hun iets te doen aannemen over volkstaal, zij meenen dat zij den vogel af hebben[11] als zij kunnen zeggen “U zijt van Belgisch Limburg, mijnheer?” te Hunnenst zeggen ze anders zoo goed dich p3en du als wij.

Wij hadden Rijkaart u doen schrijven en vragen of gij 't ook niet goed zoudt vinden dat wij oude Limburgsche gedichten wi de Ste Kerstine[12] die hier toch bekans niemand en kent, in ons 't Daghet uitgaven. Dan hoefden wij zoo groot geen boekstaven te doen nemen, wij kreegen 't toch voor 't zelfste geld gedaan mits de drukker de letter van 't kaarteken aangenomen heeft voor 8 bldz 8° en de lezers hadden er toch zeker winst bij? Wij kosten ook al een vertaling maken van 't een of 't ander schoon oudduitsch werk, of van ander vreemde werken?

Zeg eens wat u dunkt?

Kosten wij de redevoering van Mr Verriest op 't Brugsch Taalcongres drukken:[13] dat ware prachtig! Zou Mr Verriest daar niet in toestemmen?[14]

Arthur heeft een boeksken van Bormans zaliger “Lettre à Mr Ch Grandgagnage[15] over 't Vlaamsch dat de walen in hun taal hebben ingeweven. Gij kent het waarschijnelik anders, vraag het eens aan Arthur als hij u komt bezoeken; daar staan schoon dingen in die wij ook wel kosten vertalen.

Gij weet zeker nog niet dat Blauvoet Arthur te Verviers genoemd[16] is; in 't herteken van 't Walenland. Daar zal hij zijn hert kunnen ophalen! Daar is toch niets aan te doen.

en 't Roomsche vaandel toegewijd,

gereisd in andere staten![17]

Rijkaart heeft aan Tuerlinckx geschreven voor hulp en bijstand: nog geen veds van hem terugvernomen! Als gij hem zelf eens schreeft?

Tot den dag van vandaag hebben wij al over de 200 inschrijvers. Is dat niet flink? Daar zijn ook een tiental Limburgsche schoolbazen bij en eene onderwijzeres; dan nog 4 of vijf pastoors. Alles bijeen hebben wij in Limburg rond de honderd inschrijvers. Van Mechelen zijn er nog maar weinig toegekomen: zij wachten daar tot zij “'t Daghet” gezien hebben, en als 't hun aanstaat belooven zij in groot getal op te komen.

Wij zullen eens trachten achter de “bulletins de la société du Limbourg[18] te komen.

Kent gij een Woordenboek, Latijn-Grieksch en Vlaamsch uit de 16e eeuw, gemaakt door eenen priester van p4Weert, genaamd Servilius (Jan Knaeps)?

Mr Daris spreekt ervan in zijnen boek Hist. du Dioc. de Liège au 16e siècle.

Kent gij de Kronyk van Overmaes door Habets uitgegeven in 1870 en gemaakt door eene Limburgschen priester ook in de 16e eeuw rond 1580. Daar is maar een deel van uitgegeven zegt Mr Daris omdat het eerste niets beteekent voor de geschiedenis.

Gij spraakt in uwen lesten brief over 't drukken van Limburgsche doodebeeldekens.[19] Wij hebben er verschillige honderden bijeengezocht in den tijd voor Arthur die ze aan eenen West-Vlamschen priester, 'k geloof dat hij Selosse hiet, gegeven heeft. Arthur zegt dat gij die heer heel goed kent: vraag hem er maar eens na.

Nu moet ik uitscheiden. Wees eerbiedig en dankbaar, gegroet van ons allen! Tot later, als 't God belieft.

August Cuppens en Anderen

Noten

[1] Gezelle gaf de opdracht in zijn vorige brief om de woorden bij Mr. Gilissen af te schrijven: “Hr Gillisen heeft eene macht van woorden liggen; die ze wil afschrijven mag, dat heeft hij mij gezeid.”
[2] WNT 1500-heden: “Wonnegaarde, tuin die tot gevoelens van gelukzaligheid stemt, lusttuin; aangeleid met kunste, en kunstig uitgebreid in wandelwegen”. Zie ook: G.V.d.P., Eenige woorden uit de Goddelijke Beschouwingen (1-96) van Guido Gezelle. In: Biekorf: 9 (1898) 14, p. 223: “Wonnegaarde, lusthof, paradijs der wellusten”.
[3] Gezelle liet weten in zijn brief van 21?/10/1884 dat ‘Boek en Boekstafwezen’ een rubriek zou worden in de eerste uitgave. Zie: ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 3, p. 21-23.
[4] M. Maasen en J. Goossens, Limburgs Idioticon: verzamelingen dialectwoorden (woordenzangen) van 1885 tot 1902, verschenen in het tijdschrift 't Daghet in den Oosten. Tongeren: Drukkerij George Michiels, 1975, p. 31: “Allik. Alling, heellik, ten geheele, niet gedeeld, noch in stukken.”
[5] Verdubbeling van het woord ‘uit’ omwille van de bladwissel.
[6] Het woord ‘darren’ werd in de omzendbrief gebruikt om inschrijvers aan te trekken voor ’t Daghet in den Oosten. Uit een latere brief van december 1884 liet A. Cuppens aan G. Gezelle weten dat het woord niet goed ontvangen werd: “Dat woordeken is zoodanig beklapt en beknibbeld en vies ontvangen geweest dat er in den eersten n° bekans moest van gesproken worden: 't is voor velen de reden geweest dat zij niet wouden inschrijven, voor anderen de reden dat zij ingeschreven hebben. ” Gezelle wijdde uiteindelijk een artikel aan de kwestie in ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 2, p. 13-14: G. Gezelle, Darren.

R. Van De Putte vroeg aan Gezelle in zijn brief van december 1884: “Geweerdig darren uit te leggen in den 1sten Nummer. Overal hebben ze verwonderde oogen opengetrokken bij 't tegenkomen van dien armen darren. (wij en kunnen dat niet)”.

[7] Rubriek in Gezelles tijdschrift Loquela waarin bastaardwoorden en uitdrukkingen 'omgewisseld' werden voor Vlaamse alternatieven.
G. Gezelle, Wisselbank. In: Loquela: 3 (Bamesse 1883) 6, p. 45: “ Alzoo is 't dat Loquela veel woorden gevonden heeft, die alderschoonst in 't vl. zeggen, of zeiden, hetgene men, bij gebrek aan beteren voorraad, allengskens in deerlijk onvlaamsch en in afschuwelijke wantale zou gewend worden te hooren en zélve uit te spreken. Tot het herbekend en mondsgemeen maken dier woorden dient Loquela, en, in Loquela, bezonderlijk de Wisselbank.”
[8] Mogelijk de brief van 24/11/1884 van J. Winkler aan G. Gezelle.
[9] J. Lenaerts, Over 't Limburgsch. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare bibliotheek Brugge, nr. Aanw.533, map 14, 17. Cuppens stuurde dit op naar Gezelle als bijlage bij zijn brief van 21?/10/1884.

Het artikel verscheen niet in ’t Daghet in den Oosten, vermoedelijk omwille van de kwaliteit. Gezelle had het opgestuurd naar Johan Winkler voor advies. In zijn brief van 24/11/1884 stuurde Winkler het artikel terug naar Gezelle met volgende kritiek: “Hier bij het opstel van uwen jongen limburgschen vriend terug Ik heb het wel geheel en naukeurig doorgelezen, maar heb geene vrijheid gevonden om er iet in te veranderen. Het geheel toch is zóó eigenaardig, zóó bijzonder, dat het mij jammerde om het te verknoeien. (…) Het geschiedkundig gedeelte overtreft in weerde verre weg het taalkundige deel (…) . Het taalkundig gedeelte is zeer zwak, eigenlik te zwak.”

[10] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 196: “djanter, zn.: duivel Fr. diable, eufemistische vervorming van diable ‘duivel’. Afl. (ver)djanters: duivels, drommels”.
[11] De vogel af hebben = de klus geklaard hebben.
[12] Sente Kristina is een Middelnederlandse heiligenlegende toegeschreven aan Broeder Gheraert. De tekst werd later uitgegeven door J. Bormans. Het gaat over het leven van Christina de Wonderbare van Sint-Truiden.
[13] Adolf Verriest sprak in de bovenzaal van de Concorde aan de Steenstraat over de maatschappelijke rol van het Davidsfonds, naar aanleiding van de tweedaagse feesten van deze vereniging in Brugge op 27 en 28 augustus 1883. Een verslag van deze feesten is te vinden in Rond den Heerd: 18 (2 september 1883) 40–4, p. 313-323. Op pagina 320 bespreekt Adolf Duclos de redevoering van Verriest.
[14] De redevoering is niet verschenen in ’t Daghet in den Oosten.
[15] J. Bormans ging in zijn studie na welke Vlaamse linguïstische elementen een invloed hadden op de evolutie van de Waalse taal.
[16] Aangesteld als onderpastoor te Verviers.
[17] Het is een letterlijk citaat uit het gedicht Het land van uw geboorte van Guido Gezelle.
[18] In zijn vorige brief aan A. Cuppens verwees Gezelle naar deze Bulletins als inspiratiebron voor ’t Daghet in den Oosten.
[19] In zijn vorige brief vroeg Gezelle aan A. Cuppens: “Weet gij van geen oude Limburgsche doodprentjes? Hoe heet men ze? Vindt gij ievers een oud, drukt het af; dat neemt plaatse en dat is aangenaam aan de familie die den name draagt.”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Naam - persoon

NaamBormans, Jan Hendrik; Broeder Geraert
Datums° Sint-Truiden, 17/11/1801 - ✝ Luik, 04/06/1878
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; filoloog
BioJan-Hendrik Bormans studeerde klassieke talen aan de Universiteit van Luik en begon zijn loopbaan als docent poësis en retorica aan het Seminarie van Luik (1818-1820). Daarna was hij studiemeester aan het koninklijk college in Luik (1820-1825), docent en rector in Sint-Truiden (1825-1834) en rector in Hasselt (1834-1835). Van 1835 tot 1837 doceerde hij Nederlandse en Griekse letteren aan de Rijksuniversiteit Gent, waar hij via Jan Frans Willems en andere flaminganten interesse kreeg in de Middelnederlandse literatuur. In 1837 keerde hij terug naar de Universiteit van Luik, waar hij klassieke talen en vanaf 1851 ook Nederlands doceerde. Hij ging in 1865 met emeritaat. Als pionier in de studie van de Middelnederlandse literatuur gaf Bormans werken uit zoals Leven van Sinte Christina, Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant en de Brabantse Yeesten. Hij was lid van de Leidse Maatschappij van Nederlandse Letterkunde en speelde een belangrijke rol als lid en rapporteur van de eerste Spellingscommissie. In 1857 publiceerde hij in "Dietsche Warande" een Middelnederlandse vertaling van het Leven van Sint-Lutgart en stelde voor haar uit te roepen tot patroonheilige van de Nederlandse taal- en letterkunde, een idee dat bij Guido Gezelle bijval vond. Vanaf 1858 correspondeerde Guido Gezelle met Bormans over een handschrift van Jan Praet, dat Gezelle via Kanunnik Van Verdeghem van de Brugse zwartzusters in bruikleen had gekregen. Bormans werkte jarenlang aan de editie van dit handschrift en publiceerde het in 1872. Hij droeg ook bij aan Gezelles taalstudie. Zijn waardering voor het werk van Gezelle was een argument in de polemiek rond het taalparticularisme.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenHessmann, Pierre. De briefwisseling Bormans-Gezelle. In: Gezelliana: 1 (1970) 1-2, 28-48; https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/bormans-jan-hendrik
NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamSlosse, Leopold; Omicron
Datums° Marke, 02/11/1842 - ✝ Rumbeke, 31/03/1920
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor
BioLeopold Slosse, zoon van Jan Slosse en Ursula Vandaele, ontving zijn priesterwijding te Brugge op 15/06/1867. Hij werd leraar en hulpbewaker aan de Sint-Aloysiusschool te Kortrijk (30/03/1867) en leraar aan het college te Diksmuide (15/06/1867). Vervolgens was hij vanaf 09/10/1868 onderpastoor te Sint-Kruis (Brugge), te Izegem (06/03/1872) en daarna pastoor te Kooigem (02/04/1891) en te Rumbeke (15/07/1896). Hij was een heemkundige en verzamelaar van o.m. bidprentjes. Zijn belangrijkste werk is Rond Kortryk of Schetsen over de prochien van het oud bisdom van Doornyk liggende in de voormalige dekenijen van Helkyn, Kortryk en Wervick, een geschiedenis van 61 alfabetisch gerangschikte gemeenten.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent
NaamTuerlinckx, Jan Ferdinand; Tuerlinckx, Joannes Ferdinandus
Datums° Glabbeek-Zuurbeemden, 23/11/1833 - ✝ Aarschot, 25/04/1900
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; directeur; inspecteur; dialectoloog
BioJan Ferdinand Tuerlinckx werd geboren op 23 november 1833 in Glabbeek-Zuurbeemden, nabij Tienen, als zoon van landbouwers Petrus Ludovicus Tuerlinckx (1808-1879) en Maria Romain (1799-1874). Hij huwde op 8 januari 1863 in Kersbeek Miskom met Florentina Benigna Bullens (1832-1891). Er waren verschillende kinderen. Tuerlinckx was actief als onderwijzer in verschillende gemeenten, waaronder Kersbeek-Miskom, Glabbeek-Zuurbeemden en Neerlinter. Vanaf 1879 stond hij aan het hoofd van de vrije jongensschool in Tienen. In 1890 werd hij kantonaal schoolopziener voor het lager onderwijs in Aarschot. Hij publiceerde onder meer een bijdrage over het Hagelands taaleigen (1882) en een bekroond werk over het Hagelands dialect (1883), waarmee hij erkenning kreeg van de Zuid-Nederlandsche Maatschappij voor Taalkunde.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenAgatha; Geneanet
NaamVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard
Datums° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet
NaamVerriest, Adolf
Datums° Deerlijk, 15/08/1830 - ✝ Kortrijk, 21/06/1891
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; politicus; dichter; componist
BioAdolf Verriest werd geboren te Deerlijk op 15 augustus 1830 als zoon van Petrus-Johannes Verriest (1796-1871), koopman en armenmeester in Deerlijk. Hij was de oudere broer van Hugo Verriest en Gustaaf Verriest. Na de lagere school in Deerlijk liep hij college aan het kleinseminarie te Roeselare, waar hij een studiegenoot was van Guido Gezelle. Hij werd er de eerste voorzitter van de door Gezelle gestichte Lettergilde en zou voor het leven bevriend blijven met hem. Na zijn collegetijd volgde hij studies in de Letteren en de Rechten aan de Leuvense universiteit. In 1858 werd hij advocaat in Kortrijk en manifesteerde er zich als voorvechter van de volkstaal. Hij had er ook politieke ambities en werd er gemeenteraadslid van 1870 tot 1886 en schepen van 1886 tot aan zijn dood op 21 juni 1891. Hij was zeer actief in het Kortrijkse culturele leven in de jaren 1870 en 1880 (o.a. als voorzitter van het Davidsfonds en bestuurslid van de muziekschool). Hij was dichter en publicist (Gedichten en aanspraken. Kortrijk, 1893). Hij componeerde zelf liederen en vroeg Gezelle vaak om vertalingen van liederen. Gezelle schreef voor hem heel wat gelegenheidsgedichten waaronder: Adolf, mijn vriend, mijn advocaat. Gezelle was vriend aan huis en steunde Adolf met zijn politieke activiteiten.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; gelegenheidsgedichten
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamHabets, Joannes Josephus
Datums° Oirsbeek, 27/11/1829 - ✝ Maastricht, 22/06/1893
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; historicus; archivaris
VerblijfplaatsNederland
BioHij werd in 1881 tot eerste rijksarchivaris in Limburg benoemd en bleef dit tot zijn overlijden. Sedert 14 juni 1880 was hij lid van de Nederlandse Koninklijke Academie en vanaf 1887 buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Hij publiceerde talrijke bijdragen over geschiedenis en oudheidkunde en gaf een aantal teksten uit, o.m. "De Echtverbintenis van Maria", een "Limburgs Misteriespel" (1876) en "De Legende van Sint-Servatius"(1881), een Middelnederlands prozahandschrift.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellelid en buitenlands erelid van de Nederlandse Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde
NaamGilissen, Franciscus
Datums° Maaseik, 10/09/1841 - ✝ Spa, 09/03/1915
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; aalmoezenier
BioFranciscus Gilissen werd geboren in Maaseik op 10 september 1841 en werd op 15 juni 1867 tot priester gewijd in het bisdom Luik. Hij was onder meer actief als aalmoezenier in de gevangenis van Luik. Hij bleef als priester verbonden aan het bisdom tot aan zijn overlijden op 9 maart 1915 in Spa.
Links[odis]
NaamDaris, Arnold Josephus Matheus; Daris, Joseph
Datums° Borgloon, 18/09/1821 - ✝ Borgloon, 11/09/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; professor; bibliothecaris; archivaris; historicus; auteur
BioArnold Josephus Matheus Daris werd op 18 september 1821 geboren te Borgloon, als zoon van Martin Daris (1777-1835), gemeentesecretaris en vrederechter, en Maria Christina Kalcker (1785-1849). Jozef volgde klassieke humaniora in Tongeren en Rolduc, en studeerde filosofie en theologie aan het Grootseminarie van Luik. Daris werd er op 21 december 1844 tot priester gewijd. Hij doceerde van 1851-1854 Grieks en apologetiek aan het pas opgerichte Kleinseminarie te Sint-Truiden, en van 1854 tot 1897 canoniek recht en kerkgeschiedenis aan het Grootseminarie te Luik. Daarna bleef hij er als bibliothecaris en archivaris wonen. Als studax en autodidact bekwaamde hij zich in de historiografie en bronnenstudie. Zij grote passie vertaalde zich in ontelbare historische werken over zijn geboortestad Borgloon, het prinsbisdom Luik, en de kerken van het diocees. Daarnaast zagen de “Praelectiones canonicae quas in seminario leodiensi habuit Josephus Daris” het licht in Luik tussen 1861 en 1865. Dat zijn drie gepubliceerde delen van colleges over canoniek recht. Daris werd titulair kanunnik in 1880. Op 83-jarige leeftijd nam Josephus Daris zijn intrek bij zijn nicht in Borgloon en overleed er kort nadien op 11 september 1905.
Links[odis]
Bronnen https://gw.geneanet.org; https://www.daris.be/daris.htm
NaamKnaap, Jan; Servilius, Johannes
Datums° Weert, - ✝ Antwerpen (?), na 1569
GeslachtMannelijk
Beroepauteur; filoloog; historicus
BioJan Knaap was een Nederlandse filoloog en historicus. Als zijn geboorteplaats worden zowel Weert, destijds gelegen in het prinsbisdom Luik, als het graafschap Gelre genoemd. Vanaf 1536 vestigde hij zich in Antwerpen, waar hij nauwe banden onderhield met het stadsbestuur. Onder de namen Johannes Servilius en Servilius Knapius publiceerde hij erudiete en historische werken in een verzorgd humanistisch Latijn, geïnspireerd door auteurs als Cicero en Livius. Zijn "Geldro-Gallica conjuratio in totius Belgicae clarissimam civitatem Antverpiam duce Martino Rosheymio" (1542) geldt als een bijzonder waardevol ooggetuigenverslag van de plundering van Antwerpen tijdens de derde Gelderse Onafhankelijkheidsoorlog van 1542. Zijn "Dictionarium Triglotton" (Grieks, Latijn en Neder-Duits) ondersteunt de lespraktijk in de Latijnse scholen. In zijn "Oratio gratulatoria" (1545) verwelkomde hij namens het Antwerpse stadsbestuur keizer Karel V bij diens terugkeer uit Spanje. Jan Knaap overleed na 1569.
Links[wikipedia]
Bronnen https://www.dbnl.org/tekst/_jaa033187001_01/index.php
NaamTreckpoel, Petrus
Datums° Beek, 1442 - ✝ 19/03/1510 of 1511
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; kroniekschrijver
BioPeter Treckpoel, afkomstig uit Beek in het land van Loon, wordt door 19de-eeuwse filologen geïdentificeerd als de auteur van vier anonieme werken: de Kroniek van Bilzen, de Aantekeningen bij de Alder Excellenste chronijke van Brabant, de Chronijk van Overmaas en de Chronijk van Luyk. Deze toeschrijving steunt op (auto)biografische aanwijzingen in de teksten zelf, waarin een priester uit Beek met de naam Peter Treckpoel wordt genoemd. Treckpoel was kapelaan in Geulle (1470–1480) en Sittard (1480–1492), waarna hij rector en biechtvader werd van het klooster van Onze-Lieve-Vrouw ter Engelen in Bilzen. In zijn kronieken beschrijft hij de politieke, militaire en religieuze geschiedenis van de beide Limburgen in de tweede helft van de vijftiende eeuw. Hij was onder meer getuige van de verwoesting van Luik in 1468 door Karel de Stoute. Zijn werk steunt op persoonlijke observaties en aantekeningen, en heeft aandacht voor de fysieke en mentale impact van de gebeurtenissen op gewone mensen. Zo vormt zijn oeuvre niet alleen een belangrijk ooggetuigenverslag van een turbulente periode, maar ook een waardevol voorbeeld van het laatmiddeleeuwse Limburgse literaire erfgoed.
Links[wikipedia]
Bronnen https://platform.openjournals.nl/PSHAL/article/view/19285/21107; https://www.stichting-treckpoel.eu/ ; https://www.bilisium.be/figuren.php?id=14
NaamChristina de Wonderbare; Christina Mirabilis; Kerstiene
Datums° Brustem (Sint-Truiden), ca. 1150 - ✝ Sint-Truiden, 1224
GeslachtVrouwelijk
Beroepkluizenaar; kloosterzuster; mystica
BioChristina Mirabilis (ca. 1150–1224), Christina de Wonderbare, werd geboren in Brustem. Na het overlijden van haar ouders zette zij samen met haar zussen de ouderlijke hoeve voort. Als koewachter verbleef zij vaak in de natuur, waar zij zich toelegde op gebed en contemplatie. Op jonge leeftijd stierf Kristina, maar stond tijdens haar begrafenis op van de lijkbaar en verhief zich tot het gewelf van de kerk. Daar kreeg zij een visioen van vagevuur, hel en hemel, en van de menselijke lotsbestemming. Na haar terugkeer naar het leven zag zij het als haar goddelijke roeping om zondaars, stervenden en overledenen bij te staan op hun weg naar verlossing. Daarom onderwierp ze zich aan zware boetedoeningen, trotseerde vrijwillig vuur, koude en honger en verbleef op daken en in bomen. Haar omgeving beschouwde haar als bezeten of als heks, en zij werd meermaals opgesloten. Zij voedde en genas zich met wonderbaarlijke melk en olie die uit haar borsten vloeiden. Na een onderdompeling in een doopvont werd haar leven meer ingetogen en beschouwende wending nam. In de daaropvolgende jaren leefde zij als kluizenares en mystica. Zij trad daarbij op als spirituele raadgever voor onder anderen Sint-Lutgardis van Tongeren en Lodewijk II van Loon. In haar laatste levensjaren verbleef Christina in de abdij van Nonnenmielen (Sint-Truiden). Volgens de legende werd zij daar nog eenmaal uit de dood teruggeroepen om een stervende medezuster bij te staan. Uiteindelijk overleed zij voor een derde maal in 1224.
Links[wikipedia]
Bronnen https://www.erfgoud.be/nl/lees/113; https://www.heiligen.net/heiligen/07/24/07-24-1224-christina-wonderbare.php; https://www.christinamirabilis.com/ ;https://www.otheo.be/artikel/focus-heilige-christina-wonderbaarlijke

Naam - plaats

NaamMechelen
GemeenteMechelen
NaamVerviers
NaamWeert

Naam - instituut/vereniging

NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden

Titel - gedicht van Guido Gezelle

TitelHet land van uw' geboorte, ' t is
PublicatieTijdkrans (Verzameld dichtwerk, deel III), p. 541

Titel - ander werk

TitelLettre de J.-H. Bormans ... à Mr. Charles Grandgagnage, sur les elements thiois (flamands) de la langue wallonne
AuteurBormans, Jan Hendrik
Datum1856
PlaatsLiège
UitgeverCarmanne
Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelLeven van sinte Christina de wonderbare
AuteurBormans, Jan Hendrik
Datum1850
PlaatsGent
UitgeverC. Annoot - Braeckman
TitelSociété chorale et littéraire des Mélophiles de Hasselt, Bulletin de la section littéraire
Datum1864-1940
PlaatsHasselt
Uitgeverimp. et lib. W. Klock
TitelDictionarium Triglotton, Hoc Est Tribus Linguis, Latina, Graeca, Et Ea Qua Tota Haec Inferior Germania Utitur, Constans, ...
AuteurServillius, Johannes (Knaap, Jan)
Datum1546
PlaatsAntverpiae
UitgeverMichaelem Hillenium
TitelChronijk der landen van overmaas en aangrensende gewesten
AuteurTreckpoel, Petrus (aut); Habets, Joannes Josephus (ed)
Datum1870
PlaatsRoermond
UitgeverJ.J. Romen
TitelLeven van Sente Kristina (Sinte-Christina) [handschrift]
AuteurBroeder Gheraert
Datum14e-15e eeuw
TitelHistoire du diocèse et de la principauté de Liège pendant le XVIe siècle
AuteurDaris, Joseph
Datum1884
PlaatsLuik
UitgeverDemarteau
TitelDe Chronyck van Overmaes [handschrift]
AuteurTreckpoel, Petrus
Datumca. 1499-1507

Titel[25?/12/1884], s.l., August Cuppens e.a. aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Peter Debaets; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Peter Debaets; Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, s.l., [25?/12/1884]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[25?/12/1884]
Verzendingsplaatss.l.
AnnotatieDatum gereconstrueerd op basis van de brieftekst: de brief is geschreven rond kerstmis 1884 + de brief is een antwoord op brief nr.8586 van G.G. aan Cuppens; adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7467
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13832
Inhoud
IncipitWij wenschen u allemaal een' zaligen Hoog-
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.