<Resultaat 1086 van 3033

>

p1+ Geloofd zij Jezus Christus
Zeer eerweerde Heer en geliefde Meester,

Wij schikken u vandaag 3 klein bijdragen op die ge kunt nazien, aannemen voor “'t Daghet” of verwerpen, verbeteren, verkorten of verlangen whij 't u believen zal.

't Zijn 1sten een werksken[1] van Koob Lenaerts over Limburgsch en de Limburgers waar hij in opgeteekend heeft, wat er hier, uit die boeken die wij al kunnen krijgen uit de boekenzaal van 't Seminarie, al te vinden is. Gij weet misschien meer en veel beters. Zooveel te beter!

2den nog een van den zelfden ieverige en slimme Koob over de Alvermennekens,[2] waar er altijd een bijzonder voorliefde voor gehad heeft en waar dat ze in Limburg nog zoo veel van vertellen.

3den een klein studieken[3] van mij over de volksvergelijkingen, waar ik mijn best al in gedaan heb whij ik kost.

Van reppelen heeft uitstel gevraagd tot Nieuwjaar voor zijn werksken over de Limburgsche tijdverdeelingen. Wij moeten daar nog wat meer over weten onder 't Kerstmisverlof.

Nu zullen we in een dikke maand niet veel meer kunnen verrichten omdat wij te veel werk gaan hebben met p2ons examen voor 't onderdiakonaat.[4]

Hope toch dat het wel genoeg zal zijn om te beginnen, bijzonder nu wij op uw geleerdheid en vaderlike goedwilligheid mogen tellen.

Als ge alles zult nagezien en gekeurd hebben en uw eigen werk af, schik ons dat met eens stof voor een nummer of twee, dan kunnen wij den drukker al wat werk geven.

Wij gaan ook nog een keer naar Eerw. Heer Daniëls schrijven, om hem aan te zetten van ook wat gereed te maken. Hij heeft immers beloofd in den Onafhankeliken van Hasselt dat hijzou meêdoen.[5]

Met goeden wil van ons allen en met hulp van god en Sinte Luitgaarde, zal 't dan wel gaan, nietwaar?

Ze zijn hier nieuwsgierig om den eersten nummer te zien van dat aardig blatteken, dat dart vragen naar inschrijvingen. Ik geloof dat er menig hooggeleerd pedant zijne naas eens zal optrekken en zijn lippekens lachenterens[6] plooien. Mer 't is niets; wîj deden dat ook in den tijd toen Arthur ons te Sint Truijden kwam spreken over de Westvlamingen, en wij waren toch p3gauw genoeg bekeerd.

Nu groeten wij u eerbiedig en dankbaar en wenschen u alle goed!
Aug. Cuppens
[7]p11)

Over 't Limburgsch.

De frankische tongvallen van onze dietsche taal worden gewoonlik in vier groepen verdeeld: de limburgsche, de brabantsche, de geldersch-frankische en de zeeuwsch-frankische groep.

Ons limburgsch wordt gesproken in hollandsch en belgisch Limburg, in 't Hageland en in 't echt Haspengouw (Oost-Braband en Luiksche gouw).

Laat ons dat gebied eens even omwandelen. In 't oosten, op de grenzen van hollandsch Limburg gaat de taal langzamerhand tot het Rijnlandsch over. De tongvallen van den noordeliken uithoek van hollandsch Limburg, van 't stedeken Gennep en omstreken, verliezen allengskens hunne limburgsche tint, en loopen met de geldersche en brabantsche gouwspraken van 't rijk van Nijmegen en 't Land van Kuik ineen. Die van 't limburgsch Peelland, van Venray, Horst, Meiel, enz zijn 't naaste verwant aan die van 't brabantsch Peelland, al blijven ze hun limburgsch karakter behouden. Weert vormt den overgang van de Peellandsche tongvallen tot die van ’t uitgestrekt Kempenland.

p22)Tusschen Antwerpen en Limburg loopt de taal redelik zutekens van 't brabanttsch in onze gouwspraak over.

Tusschen 't hagelandsch en 't brabantsch is de lijn heel scherp afgeteekend. De grensdorpen, die toch nog limburgsch kallen, zijn Asselt, Bekkevoort, Molenbeek, Tielt, Kiezeghem, Binkom, Roosbeek en Kumptich. Ten zuiden zitten wij tegen 't Walenland aan. (+)

+ Dit staat allegaâr te lezen, soms met dezelfste woorden, in het geleerd “Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon” van Johan Winkler.p33)

onze volkspraak en heeft geen nood van met eene andere verwisseld te worden: 't is ene eigene en eigenaardige taal. Laat ons eens effekens eentige van heur bezonderste merken opteekenen.

't Groot gebruik van den klankwissel. Een groot deel woorden wisselen bij ons op de gewone wijs van klank. Eentige voorbeelden: scheer (schaar); verken (varken); vegen (vagen); geberen (gebaren), enz. enz.

meulen (molen); veur (voor); euver (over); heulenteut; meuler; dörp. enz.

numen (noemen); rumen (roemen); drumen (droomen); drugen (droogen); hugen (hoogen); zuum (zoom); enz. enz.

Zoona overal waar 't mogelik is, bij 't vormen van verkleinwoorden, zal de stamklank p44)vermangeld worden; bv. man, menneken; hämer, hamerken; enz.

horsel, hörselken; wortel, wörtelken; enz

boer, buurken; oer (uur), uurken; kaffiemoor, muurken; boom, buumken; enz., enz.

't Meervoud. In 't maken van 't meervoud komt ook nog al dik de klankwissel van pas:

bv. bank, benk; nagel, negel; enz. os, ös; vogel, veugel; zoon, zeuns; enz boĕk, beŭk; doĕk, deŭk; enz. broer, bruurs; brood, bruni; enz.

Natuurlik loopt die klankwissel niet altijd zuiver van a, o, oe in e, eu, u, maar hij wijzigt hem volgens de verschillende dorpstalen: neemt bijvoorbeeld huis: in de Kempen hoes maakt hiis; in 't Tongersch: haus, hoos maakt heis; in Klein Vrankrijk : haos maakt huis; enz.

't Meervoud wordt ook nog wel op andere wijzen gemaakt, maar deze zijn ook dik heel eigenaardig.

bv. met er; kind, kinder; wicht, wichter; man, mander; hoes (huis), hoezer; veld, velder; enz. enz.p55)Klankverdooving. Wat nog eene eigenaardigheid is van 't Limburgsch, tusschen de nederlandsche gouwspraken, dat is de verdooving van klank, die de helft van den tijd plaats grijpt in den 2den en 3den persoon enkelv. van den tegenwoord. tijd in de ongelijkvloeiend[8] werkw. Ziet hier eentige voorbeelden:

ich vaar, du vuurst, hij vuurt;

ich spreek, du spriks, er sprikt;

ich loop, du lups, er lupt

ich schiet, du schits, er schit

ich vang, du vings, hij vingt

Eentige ongelijkvloeiend werkwoorden die in andere gouwen de stam a verzachten tot i in den onvolmaakt verleden tijd, verdooven ze tot o in Limburg. zoo:

werpen, worp; zwerven, zworf;

vangen, vong; gaan, gong, gegangen; helpen, holp; sterven, storf; enz.

Nu wij toch over den onv werkw. bezig zijn,

De onvolmaakt verleden tijd bezig zijn, laat ons ook eens op dien van de gelijkvloeiende werkw. spreken.

Deze tijd moest alleen eene samenstelling zijn van een naamwoord met het werkw. dede, dedest (doen); jammer is het datp66)de oude, regelmatige vorm, door klankvertuissching, zoo dik verloren is gegaan bij onze echte werkwoorden!

Van salbo-deda komt salbo-da, salvo-dee, salvde, zalfde.

Nu in andere gouwspraken verandert de zachte aanhef d van dede in de harde t, als de leste stamletter ook hard is; bv. straf, strafte; spit, spittede; lach, lachte; klets, kletste, enz.

In Limburg, integendeel, speelt het werkwoord den baas, en doet den harden medeklinker van de stam in eenen zachteren overloopen; omdieswil,

straffen, strafde, (stravde);

lachen, lachde, (lagde);

kletsen, kletsde, (kledzde);

kocht, gekochde, (gekogde);

pakken, pakde (piek); enz, enz.

Eene aardigheid van 't limburgsch, die seffens in de oog springt, bestaat nog in de voornaamwoorden. 't zijn zij die onze streek somtijds het Mich-quartier doen noemen. I(k), dij, mij, u zullen altijd klinken : ich, dich, mich, uch.

Hij zal dik er zijn, bezonder als der nietp77)op gedrukt en wordt: bv. gaat er; loopt er slaapt er (giet, geet, geit er; lupt, liept er; slupt, sliept er) enz. Wordt er op gedrukt dan zal het te Maestricht heer klinken.

Gij luidt nog al eens dje, der, -de gij:

bv. dje kalt, kalt der, kalt-de gij; enz.

Somtijds is wij en gij tot veer, ver en geer, ger gekomen. Ik geloof dat deze vormen meer gebruikt worden in 't aanspreken van onbekenden en vreemdelingen. Dit punteken gaan ik eindigen met doen op te merken, dat het onmogelik is te spreken over 't verschil van woorden en wendingen, (dat zou te wijd henen gaan,) en dat iemand, die een beetjen opmerkzaamheid heeft, op de volgende bladzijde nog wel de een en de ander aardigheid van onze spraak zal vinden.

______________

Natuurlik bestaat in Limburg, zelfs tusschen iedere dorpstaal, een verschil van uitdrukkingen van uitspraak en toon. Nogtans hebben die tongvallen gelijkenis genoeg med een om te samen maar ééne gouwspraak uit te maken, en hun bezonderste band zijn juist de eigenheden die ik kom op te teekenen.

Dat en belet niet dat ge, zonder moeitep88) 't Limburgsch nog in verscheidene gewestspraken kunt verdeelen die met hunne gelijkenis ook hun merkelik verschil en hunnen eigen aard dragen; en niemand en zal 't Maaslandsch, het Tongersch en 't Hagelandsch ondereen/verwisselen.

Onze spraak vloeit over de tong van 't volk 1) in 't Maasland van belgisch Limb., 2) in 't Maasland van hollandsch Limb., 3) in den Kempen van holl. Limb., 4) in den Kempen van belg. Limb., 5) in Klein Frankrijk, 6) in 't Hageland, 7) in 't echt Haspengouw, 8) in 't land van Tongeren.

Klein Vrankrijk heet ik de oevers van den Demer, van bekans aan Bilsen tot aan Diest, en van de beken die daar in deze rivier loopen: de Rostbeek, de Zwertbeek, de Mangelbeek en de Herck.

Echt Haspengouw noem ik de omstreken van Thienen, Landen, Sint Truiden, en zelfs van Loon .

't Land van Tongeren zal ik voor grenzen geven de Maas, den Demer, de Herck en 't Walenland. p99)'t Hageland noem ik met J. Winkler de streek tusschen Diest, St Truiden en Thienen in, zonder er eene van die steden bij te rekenen. de westelike grens is de brabandsche tongval. Van den anderen kant kunt ge Halen, Herck, Rummen, Binderveld, Kozen en St Truiden als scheidspalen nemen.

_____________________

Tusschen de tongvallen van den aliken Maaskant, van af 't Walenland tot boven Venloo, en tusschen die van den Kempen uit holl. en uit belgisch Limburg, Klein Vrankrijk van kant gelaten, en bestaat er geen groot, geen merkelik verschil, maar eerder eene zeldzame gelijkenis, die in de zuidelike tongvallen van Limburg in 't geheel niet te vinden en is.

Deze taal uit het noorden van Limburg steekt fel af tegen die uit het zuiden: ze en heeft heur op de grenzen niet gemengeld, noch met den tongval uit Klein-Frankrijk, tenzij misschien in Hasselt, noch met de volkstaal uit het land van Tongeren.

Ziethier hoe, door den bot henen, eentige letters klinken, als ze door geenen klankwissel veranderd en zijn, van Maastricht tot Venloo, Weert en Bree.

[conversion*noteLabel.conversion* 1]

[conversion*noteLabel.conversion* 2]

Letters Klank Letters Klank

aa aa en oa ui oe (umlaut ii)

ē è ie ē

ō ō ee ei (soms ie)

ij ii en ē (soms) oe ōp1010)De sch klinkt als in 't hoogduitsch. De d en t op 't einde van een woord dj, tj. Nogtans, tusschen de tongvallen van dezen groep, zijn er ook eentige kleine verschillen, bv. de sch luidt rond Weert op zijn vlaamsch, en de eind -d en -t, rond Maastricht en rond Venloo, als eene gewone d en t. In en rond Maestricht wordt de klankwissel heel zuiver gevormd, wat in de andere streken altijd het geval niet en is; enz, enz.

't Kempensch-Maaslandsch verschilt nog al wel van de andere tongvallen uit onze streek. Bij voorbeeld.

In deze spraak alleen, buiten die uit het land van Tongeren, is de sch bijna sj, en is de tweede persoon enkelvoud bewaard gebleven: bijv. geeste (gaats du), lupstich (loops du); de (du) springs, dich zies enz.

In deze twee ook hoort men altijd zich, waar de andere nog al diks hem heur, enz. gebruiken.

Noch i in den Kempen noch in ’t Maasland hoort ge ooit den uitgang -teren, -terens der werkwoorden, die elders nog al diks voorkomt,: en bezonder in 't land van Tongeren : bijv. vallenterens, loopenteren, zingenterens, enz. is vallende (wijze) of al vallende, enz.

't Volgende zal nog meer en beter doen zien, dat de tongval uit het Noorden van Limburgp1111)in 't geheel niet met die uit het zuiden en verwisselt mag worden. Gelijk ik al gezeid heb verschillen deze lesten veel meer ondereen als de kempensche en de Maaslandsche.

't Is 't land van Tongeren, dat het moeielikste tot de drie anderen terug gebracht wordt. Zijn taal trekt het meeste van alle limburgsche tongvallen op het Platduitsch.

Zoo als ik gezegd heb, verschilt ze door de uitspraak van de sch, door 't gebruik van zich, en door dat van den 2den persoon enkelvoud.

Ik zal ook nog doen opmerken, dat in den onvolmaakt verleden tijd, de stamklinker, die overal bekans tot ie verdooft, hier gewoonlik tot oe overgaat en niet het oorbeeld houden, hield, gehouden, maar varen, voer, gevaren volgt. Zoo bijvoorbeeld:

maken, moek (miek);

vallen, voel (viel);

bakken, boek (biek);

blazen, bloes (blies);

slapen, sloep (sliep);

houden, hoel (hield);

stooten, stoet (stiet);

loopen, loep (liep); en zelfs

roepen, rōēp (riep).p1212)Hier ook, waar de klinkers wild zijn, zal men, om de woorden vloeiender te maken de medeklinkers diks van kant helpen; bijv. de d en de t, op 't einde van een woord dat met twee medeklinkers gesloten was, zal achterwegen blijven: bis = beest, gewès = geweest, enz. De r zal soms vort vallen, maar meestendeels in eene j veranderen in de woorden als pjad (peerd); stat (steert); wed (wereld); met (merkt); kwakvjaos (kwakvorsch); bossel (borstel) enz. enz. Dat en is in de andere tongvallen lang zoo algemeen niet.

Hier is de wisselklank ook onzuiver en aardig zelfs: van ô bijv. is hij ei: hoos (huis) meerv. heis; van vwoogel (vogel) komt vjègelke; van oe is het o, bijv. in schoen, meerv. schoon; enz. enz. enz.

Ziet hier nog, om te eindigen, 't verschil tusschen het Tongerland en de omliggende tongvallen, in eentige klinkers:

[conversion*noteLabel.conversion* 3]

[conversion*noteLabel.conversion* 4]

[conversion*noteLabel.conversion* 5]

Letters - Maasl. en Kempen - Tongerland - Haspengouws (Diest-Thienen)

ŏ, o, o, oe,

ij, ii, aai, ê., è, ei

ui, oe, ô, au ôë, (èu)

ei, è, ei ē, è, ei

ee, ei, (soms ie), è ie (ieë)

oe, ō, oe oe

Ziet daar, waar de klinkers in ‘t rouw henen willen.p1313)Alle de zuidertongvallen van Limburg loopen zachtekens en langzaam ineen.

_________________

_____

Tusschen 't Haspengouw, 't Hageland en Klein-Vrankrijk is de gelijkenis grooter, en laat ge den toon, den zwang van spreken van kant, dan ziet ge dat de tweeklanken tot één voorbeeld of type loopen.

Bijv. de klank oe zal overal tot de oe terugvallen en niet tot de ô als in den Kempen; de ui, in huis bijvoorbeeld, draait overal rond de o (ô, oë, oa enz.) en niet rond de oe als in den Kempen.

De onzuivere ee, krijgt er den ie-klank, min of meer gerekt, en niet den e- of den ei- klank als rond Tongeren en op de Maas.

Nogtans zijn daar ook nog eentige, merkelik verschillende tinten. onder anderen: In 't Haspengouw, (Diest, St Truiden, Thienen) wordt nog as dikwijls de h niet uitgesproken, niet geaspireerd.

In 't Hageland wordt bijv. de â en de ô nog al eens verdoofd tot ouë

In St Truiden hoort ge soms oi voor aa, en in eentige woorden au voor oe, u, ui, dat Winkler als iets heel eigenaardigs aanmerkt. In Hasselt luidt de eind -d en -t: dj en tj, bekans wi in den Kempen. Ik heb al eens aangeteekend dat de korte o, gewoonlik oe klinkt in 't Haspengouw.p1414)Dat verschil en spruit niet alleen voort, tel ik, uit het verschil van gebeuren en van onderhandelingen, maar ook, en eerder nog, uit dat van de volksstammen waar de Limburgers uit geboren zijn.

Wat een zijn de bijzonderste stammen die hen vroeger in onze streek daal gezet hebben? Komt dat verschil van woonplaats overeen met dat van de tongvallen?

Dat zullen wij eens nagaan zoo goed als 't ons mogelijk is.

Welke zijn de volkeren die in Caesar zijnen tijd ons Limburg bewoonden, en welke hebben hier, later, hunne kavei komen opslaan?

De Aduatikers. Caesar noemt de Tongerneren Aduatici en Tongeren Aduaticum. Aduaticum, ook advaca geheeten, dat misschien door onze attas Antwatich of Antwad uitgesproken werd, zou wel van ant-wak of ant-wad (aan 't wak of het wad van den Jeker) kunnen afkomen.

Tacitus en Plinius die geen Aduaticum en kennen, beduiden deze gouw met den naam van Tongeren. Of de geleerde bollen gelijk hebben, die staande houden dat de Tungri vroeger in Turingen gewoond hebben, en van daar naar Aduaticum afgezakt zijn, dat zij naar hunnen naam Aduaticum Tungrorum en voorders alleen Tongeren gedoopt hebben of niet; zeker

[9]p1515)schijnt het mij dat Aduaticum, Tongeren, en zijne bewooners, Tungri geheeten zijn.

Was 't gebied van Tongeren groot, en strekte het zich van genen zoowel als van dezen kant de Maas uit? Ik geloof het. Toch en zou ik niet denken, dat alle plekken, die den naam van Tongeren dragen, tot hun rijk behoorden. Tongerloo (in den Kempen), Tongerloo (onder Eindhoven), Tongerloo (bij Maeseyck), Tungebrooi (bij Weert), Tungrinne (in de naamsche gouw), dat waren vroeger, schat ik, eigendommen of goederen van 't Capittel van Tongeren, en zijn omdieswil met den naam van Tongeren beduid geworden.

Maaslanders. Tacitus en meer oude schrijvers spreken al van de Masaci, Masegavi, Masavi, Maselandi of de bewooners van de Maas, de Masegouw, de Maasauw, 't Maasland.

De Maaslanders geeft Tacitus voor geburen: de Bethasii (rond Geets- en Wals-Bets), de Tungri, de Caninefaten (tusschen Waal en Maas) en de Sunici (tusschen Keulen Tongeren en Bethasien).

Laat ons dat eens nader bepalen, al is het dan ook uit latere oorkonden: Pepinus van Herstal noemt pagus Mosariorum 't land waar Suestra (714) in ligt. Nu, Suestra, Suvestra, dat zijnen naam aan eene beek te danken heeft, is ons Zusteren van allewijl.p1616)In 847 Marsna, en in 968 O.H.J.Ch. Mersen genoemd, wordt ons hedendaagsch Meerssen ook als in de Maasgouw geteld.

Als in de Maasauw wordt, in den tijd van Karel de Groote Gangluden (Gangelt, Vucht) aangehaald.

Deze Masegouw, de bovenste, had voor hoofdstad Tricht, daar 't veer was, waar de Aduatikers over de Maas moesten, om met Corriovallum (Valkenburg) te onderhandelen. Omdieswil werd die stad Tricht geheeten, en staat zij in de omstreken onder dien naam nog bekend. Doch, doen later, in de onderste Maasgouw, nog een ander Tricht, Uttricht of Onder-Tricht ontstond, werd onze stad Ob-tricht of Maastricht genaamd.

Gennapiers. Rond Gennep waren Germanen gevestigd die Menapiers (of liever Gennapiers en niet met die uit Vlaanderen te verwisselen) geheeten werden.

't Schijnen deze te zijn die Tacitus Gugerni (Gocheneers) heet en die ook diks als Clévii (Klevensers) voorkomen.

Om nu de oude schrijvers, die van dezen en van genen kant de Maas Menapiers zetten, te doen overeen komen, neemt men aan, dat er een deel Gennapiers, in Caesar zijnen tijd, van dezen kant de Maas zijn komen woonen, en dat zij onder Keizer Augustus eenvoudig Tassanders geheetenp1717)zijn geworden

Tassanders Voor de Romeinen hunnen tijd woonden de Aduatici tot in den Kempen toe. Als deze nu door de oorlogen verdund waren, zijn de Gennapiers en de Taxanders hunne plaats komen innemen. Deze lesten woonden, van genen kant den Demer, tot aan de Bataven en de Caninefaten toe.

De Thassanders hunne gouw, zegt Renerus monnik van St Laurens, bij Luik, was niet ver van Maastricht verwijderd. Voorders zegt de zelfste, dat Belisia (Bilsen) aan den ingang van Thessandrië ligt.

Budel of Buel werd bij Toxandrië geteld door Karel den Grooten (779. O.H.).

In een schrijven van den H. Willebrordus, zijn Bobanschot (Boschot), Alfem (Alphen), Pieplo (Poppel), Hinnesloten (Hulsel), Diosna (Diessen), Wadradoch (Wedert, Weert) en Buslot als in Toxandrië aangegeven.

Ste Geertrui heur erf, gelegen in Bergom (Geertruidenberg), in de gouw van Taxandrië (966 O.H.)

Tot Lier strekte het hem uit en de Nita of Nethe was van eenen kant zijn grensscheiding.

Taxandrië, Toxandrie, Thèssandrië is eert in de 12ste en 13 ste eeuw met den naam van Kempen (kamp of vlakte) gedoopt geworden.

Allerwijl kennen wij als overblijfsels van de Tassanders: Tessenderloo (plaats van de Tessanders), en 't dorp Tassen bij Diest.

't zij hier nog eens opgemerkt dat er op huiden, in 't oud Taxandrië, twee verschillende tongvallen gesproken worden: Brabandsch en Limburgsch, en dat ik Tessenderloo en Tassen niet tel als in den Kempen gelegen.p1818)De Saliers. De Franken (vranke en vrije mannen) huisden eerst tusschen de Saxers en de Allemannen en waren verdeeld in Ripuarios of bewooners van de oevers (van den Rhijn) en in Salios, die van de rivier Sala (of Yssel) hunnen naam schijnen gekregen te hebben.

Van daar door de Saxers verdreven, drongen de Saliërs in 't Batavenland, waar ze op een nieuw verjaagd en verdund werden door de Quaden (Kwaden), die Caesar Chamavi heet, en die de Saxers hunne bondgenooten waren.

Ze gongen hen dan verschuilen in Taxandrie. Een deel vestigde zich rond Berg-op-Zoom, Zevenbergen en Geertruidenberg; een ander deel niet ver van Tessenderloo, rond 't jaar O.H. 357 (bij Ammianus[10] lib. 17).

Keizer Julianus stond hun dat deel van ’t romeinsch grondgebied toe en leefde eentigen tijd met hen in vrede. De Quaden integendeel werden door de Romeinen beoorloogd en overwonnen, en kregen de plek Minechelen, waar in de Salische wetten ook spraak van is, en die nu nog Quaedmechelen genoemd wordt, als hunnen thuis aangewezen.

Bethasii of Betsen. Bethasia lag omtrent in dezelfste streek die later 't Haspengouw genoemd is geworden. Immers, Geets- en Walsbets, twee dorpen die hunnen naam bewaard hebben, liggen daar ook. Tacitus zegt dat de Maaslanders hunp1919)geburen waren, en zet ze niet ver van de Sunici noch van de Tungri af ((lib. 4 Histor.)

Franci-ripuarii. In den tijd dat er zooveel woeste volkeren op 't romeinsch rijk vielen, (rond 406 O.H.J.Ch.) staken de Vranken-Ripuarii ook den Rhijn en de Maas over, vielen op het Tongersch gebied (Tongeren, 't land van Loon en 't Haspengouw), op 't Maasland van beide zijden de Maas, en op Taxandrie, maar vestigden zich bijzonder rond Diest, Halen, Wuestherck en Hasselt.p2020)Van daar kreeg het land van Tongeren den naam van Francia Gallicana. Allewijl heet de vlakte tusschen Herck en Halen nog Klein-Vrankrijk; 't broeck tusschen den Demer en de Laak (onder Schuelen), 't Vrankenbroek; eene schans in Zonhoven, de franke schans; en bij Diest leit nog 't Koningrijk, waar ze in 1622 zooveel frankische oudheden opgedolven hebben. Bij Herck en Diest bestaat er buiten 't dorp Zeelhem (heim der Saliers) ook nog Sellik (vicus Saliorum) en Selbemde (baand[11] van de Saliers).

Hier was 't dat de salische wetten opgesteld werden door vier gasten: Salegast, Windegast, Bodegast en Wuysegast, die te Zeelhem, Windehoven, Boldenhoven (bij Leeuw), en Wuse of Wuestherck hunnen 't huis haden; zoo leert het ten minste eene goedgevonden fabel.

Hier was 't ook dat de Vranken (5de eeuw) hunnen eigen koning uitriepen, die zijn hof vestigde te Diest. (899) Dioste, Dysporgum, Dispargum, Disbargum, dat is burg, borg van Diest, en Disthemium, dat is heim van het died, van het volk, ziet daar zijne verschillende namen, alweêr volgens alle waarschijnlikheid. Van hier hebben de Franken hun gebied van alle kanten uitgebreid, en hen later op 't romeinsche rijk geworpen; zoo dat ons Klein-Frankrijk de wieg is van 't groot Vrankrijk.p2121)Nu een kort overzicht van dat alles:

In 't land van Tongeren - Aduatikers;

in de Masegouw - Maaslanders;

in 't noorden van holl. sLimburg - Gennapiërs;

in den Kempen - Tassanders; (romeinsche tijd)

in Klein-Frankrijk - Saliërs;

in 't Haspengouw - Betsen;

Over dat alles bijkans is er eene laag gekomen van Franci-Ripuarii.

Deze hebben hen, hier en daar, gemengeld met het reeds gezeten volk; op andere plekken hebben zij terras leticas, dat is, ledige of onbewoonde velden gevonden, en gaan bewoonen.

zoo dat hunne taal hier en daar de overhand gehouden heeft, terwijl zij op andere plaatsen voor de verschillige andere tongvallen heeft moeten onderdoen.

Wi en waar dat gebeurd is, dat laat ik iemand anders uitereen doen, die er meer mag over weten als ik.

[12]p1

Alven.[13]

Dat en zijn geen Awelkens of Kabouters, zoo als er te Bree bv., in de kelders van de oude vestingen gewoond hebben, en waarvan de wichter[14] nu nog zingen:

V. Piepelĕremüske bo zitste doa?

A. In den awelekalder.

V. Wat deiste doa?

A. Schoon wikse en al wat tich neet en raakt.[15]

Neen, alven of zwanejoffrouwen zijn in de noordsche fabelleer goed van de Alvermennekens onderscheiden. Deze hadden de eerd, d'ander de locht en 't water voor woonplaats.

In den Kempen zijn ter nog van allerlei gekend.

I De Zwanejoffrouwen of Lochtalven, dat zijn nette meiskens, heel in 't wit gekleed, met geitenvoeten, en kommen 's nachts in den maneschijn in de weiden en langs de bosschen dansen en springen. Als die 's morgens de vâmen[16] van heur klederen (de herfst- of zomerdraden) in de wei ziet bommelen of zweven, en de klaver en 't gras daal[17] liggen, dan zijn ze ter geweest en dat is een teeken van geluk en voorspoed.

Hun koning heet Auberon, Alberon,[18] dat 't zelfde is als Elberich,[19] dien wij al, als vorst van de Hussen of de Antonen aangehaald hebben. Hun koningin is Titania.[20] Wat ze bliksems/goed en rap konnen, dat is hun met eenen tooverband in zwanen veranderen en daarvoor heeten ze dik zwanejoffrouwen.

Gedaanteverwisselingen kenden ze in Engeland ook; lees de “Midsummernightsdream” van Schakespeare mer eens; ook al in de oude fabelleer waar ze somtijds al zwanejoffrouwen genoemd worden.

Deze geesten en hebben nooit niet bestaan whij de Kabouters, mer zijn, als bekans alle noordsche Gotten en Geesten uit den natuur geboren.p2De gouden en zilveren stralen van de Maan schijnen immers ook spooksels in de weiden en aan de rander van de bosschen! Wie en zou er in den maneschijn geene witte gedaanten meenen te zien die tusschen de schemen rond dansen en ondereen deun maken? Daarvoor is 't dat er dik van de Alven gezegd word, dat ze bij den eersten zonnestraal moesten versteenen, als ze dan in hun Elfheim nog niet terug en waren. De zon verdrijft immers die spooksels allegaar, en blijft er een staan, dan zal 't licht hem in een' boom, een' struik of zoo iets veranderen en versteenen.

II De Boe- of de Boeteman is ook overal nog goed gekend. Dat is een elfsch wezen, eene zwert- of kwade elf. Een stierenkop of bullebak met twee vurige horens die 's avonds in de donker hoeken van de kamer, lachenterens en springenterens komt spooken, en die door niemand gezien en werdt[21] als door kinder die met den helm geboren zijn, en door de honden die gele plekskens boven hun oogen dragen.

En waarachtig als 't vuur aan 't nalaten is, dan zal een schrikachtige mensch in de donker hoeken van allerlei spooken zien verschijnen, die daar dansenterens met den kop schudden, en hem met vurige oogen aangrinsen.

III De Nikkers, waar de Edda ook al van kalt, zijn wateralven die de wichter met eenen haak in 't water trekken als ze te kort op den kant gaan spelen. Op veel plekken heeten ze omdieswil, “'t Menneke met den haak.” In Duitschland is 't bekend, dat de zielkens van de kinder die zoo verdrinken, door de Nixen p3onder eenen omgestulpten[22] pot gezattten werden. Dan gaan deze Watergeesten rond die kruik dansen en zingen om den kleinen gevangenen te plagen. ’s Nachts hoors du zoo dik die zielkens janken en klagen als du alleen bij de wijers staats.

Dat vertelselke zal waal zoo lang blijven bestaan als de moeders bang hebben, dat hun kinder in ’t water reddelen en verdrinken. ze zouden ter zoo gemakkelik inrammelen en omdieswil moeten zij ze mer den schrik op ’t lijf jagen voor ’t Menneken met den Haak

IV De Aschepoesterkens zijn een soort van elvermennekens, die ’s nachts het vuur kwamen aanhouden, in den tijd dat er nog geen zwegelkens[23] of stoskens en waren, en dat de menschen ’t vuur onder de asche reekten. In d’asche van den heerd zaten ze immeraan, mer zoo haast als er wat laweit in ’t huis gemaakt word, gongen ze ter van door.

’t En was geen goed teeken als die huisgeestekens niet meer en kwamen. - Ik geloof het wel, want als de stilte en de rust ’s nachts verstoord werden, dan is er ook iets dat niet goed en is; ofwel iemand die trakt om ’t huis te komen, ofwel iemand die ziek ligt, of zoo iets. Dat d’Aschepoesterkens dan mer immertoe ’t huis komen, om ’t vuur te bewaren

V De Grijze Meer en de nachtmerrie zijn nog twee kwade zwertalven.[24]

De eerste zit in den domp verstoken, die ’s avonds van de broeker optrekt. Daarveur heet die grijze mist, die zoo geheimzinnig opkomt ik en weet whij en van waar, ook gewoonlik zelf de grijze meer, bv. in ’t Haspengouw.p4De tweede komt ’s nachts de menschen als een beer op de borst liggen en de peerden in den stal plagen en kruisen.

Zet ’s avonds uwen rechtschen voet ’t eersten in ’t bed, zoo zegt het volk toch, laat uwe klonken met de muil naar u toe staan gapen, hangt eene kruidwisch tegen den wand van den stal, en ze zal u of uw peerden niet en dorren plagen.

De menschen en hebben van deze naturelike krankheid geenen uitleg konnen vinden, en hebben daarom een soort van geest, eene zwertalf als den oorsprong tervan aanzien. Zoo zoekt het volk van alles eenen uitleg, en in den tijd dat het de oorzaak en de beteekenis van den Donder, den Zomer, enz, enz, nog niet en wist heeft het tot eene alike rei van valsche gotten besloten (?). Zelfs allewijl hoort ge als uitlegging van den Donder : “Sinte Pieter is boven de wolken aan ’t kegelen.”

God zij geloofd dat wij niet meer in dat oud wangeloof opgetrokken werden, en dat wij de eenige en eerste oorzaak van alles kennen:

den vader die euwelec es sonder begin,
daer alle dinghe euwelec siin in,
den sone die dbegin es van den beginne,
den heiligen geest[25] - - - - - - - - - - - - - -
De vader, hi vermaght al gader;
de sone, hi es de wiisheit dies vader;
de heilighe geest, hi es so goet![26]

p5Aristoteles, de Stagyriet,[27] Ctesias,[28] Pomponius Mela,[29] Plinius – de H. Augustinus, de Sint Hieronymus en menigen anderen Kerkvader - die gewagen allegaâr van alike stammen van Dwergen die overal moeten bestaan hebben voor de Historische volkeren Ja, tot in Africa toe bestonden ze: dat komen ons Diodorus van Siciliën en Strabo getuigen; -ja, tot in Asië, whij ’t ons de oudste annalen van Japan bewijzen.

III In ’t middelen van Europa zullen wij Duitschland opteekenen.

Hier zijn ze gekend onder den naam van Wicht, Ding, Kobolt, Hold, Henselmänchen, enz.

De Nibelungen (Nevelingen), in de oude zagen, zijn Dwergskens die diep in de eerde schatten opgraven, en ’t goud in hun rotsspleten en holen bearbeiden.

De dwergen waren hier fijne smeden en goudbewerkers, en hun koningen, zooals Wieland, Goldemar, Rubezaal,[30] Elberich, enz, waren de henstigste.

Ortnit (in een gedicht uit de 13ste eeuw) op zoek naar Aventuren, vond onder eenen grooten lindeboom een klein kind liggen te slapen. ’t Droeg om zijn leden een wonderschoon gewaad, met goud en edelgesteentens versiert whij die oud noch jong ooit een dragen zaags. Hij had wel willen weten, wie dat kind was, en zei hem: waar is dijne moeder, dat du hier zoo alleen in den kulenschaai ligs? Ik zal di geen kwaad doen, daar bist du te schoon voor! En wat draags du een rijk en ridderlik kleed! O, wou God uit den Hemel dat du mijn zoon waars! Vier jaar kons du oud zijn, volgens dijn groodde: waar is toch dijn moeder, mijn aanvallig kind?p6De Koning pakte 't kind op den arm en wou het na zijn peerd dragen, mer hij kreeg van den kleinen zoo een stoot tegen de borst dat hij hem niet verder meer en kost dragen.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Nu, zegt mij toch, kleine, wie du bist? Toen sprak de kleine: ik ben een wilde Dwerg, en bezit in Lamparten bergen en dalen in overvloed.

Nu, zegt mij toch, kleine, whij du heetst? Wils du mij noemen dan zegt mer: Alberich; ik ben koning als du; al hebst du veel landen ik heb er nog wel drijmaal meer; en zooals du op eerde hebst geld en goed, ik ook heb onder d'eerde al wat ik wil; en ik werp, whij ‘t mij belieft, mijn zilver en goud rond, en al die ik geerne zie maak ik rijk als water diep.

Dat Dwergsken was de vader van Ortnit zelf!

x

x x

Deze overlevering is dus overoud en algemeen. In den ouden tijd nogtans bestonden ter tusschen de volkeren geene onderhandelingen, whij nu; daar waren geene dagbladen noch tijdschriften; en toch was die zage in heel Europa gekend. Ze moet dus op de waarheid rusten! Ons attas hielden overal vol, dat ze deze mennekens hier gevonden en verslagen hadden. Hadden ze deze zaag uit hunnen vinger gezoken, dan zouden ze toch slimmer geweest zijn van te zeggen, dat ze heel groote Reuzen hier aangetroffen en overrompeld hadden. Daar had nog wat eer ingestoken!

Omdieswil besluit ik, dat er vroeger een volk bestaan heeft dat aan leiding tot zoo een vertelsel gegeven heeft.p7Dat voorhistorisch volk stamde natuurlik af van Adam, want “God deed van éénen alle de geslachten komen, die over de alike eerde wonen.” 't Waren ook zonen van Noah want Noah aleen met zijn huisgezin is aan den Zondvloed ontsnapt.

't Zal dus dat volk geweest zijn dat hem 't eerste van den toren van Babel verwijderd heeft, en misschien wel de nazaten van Cham.[31]

x

x x

Volgens dat stelsel zullen wij de Kempensche overleveringen eens uitereen doen.

De vloek van Noah over Cham, de ondeugd van dat volksken in eenen grilligen graad, 't overspannen werk van menschen die 't eerste de wereld op een nieuw moesten gaan ontginnen, zullen wel genoeg geweest zijn, tunkt mij, om de Dingen, Antinen, Hussen, Kabouters enz enz eenige spannen kleinder te maken als de gewoon menschen.

Nu, de andere volkeren, de Historische, die na hen uit Asiën afgedrommeld kwamen, en hen overwonnen en verdreven hebben waren sterke, reusachtige lui. 't Geeft omdieswil geen wonder dat deze de onnoozelheid van de overwonnen fel overdreven hebben, en ze op den langen duur tot de groodde van een wicht van vier jaar, of zelfs later tot anderhalven voet deden dalen.

Bij de aankomst van de ander volkeren waren de Alvermennekens gedwongen van hen in holen van bergen en in 't donker van de bosschen te versteken (daarvoor heeten ze Eerd- of Bergmennekens), en van 's nachts bij p8eentige medelijdende menschen te gaan werken om hunnen kost te verdienen.

Zoo moeten ze in 't begin van 't Kristendom uitgestorven zijn, want de menschen zeggen dat den Angelus ze heeft voortgejaagd.

In 't begin worden ze van hun overwinners veracht, mer later, als ze weg waren als klein gottekens aanzien, met de Alven verward en Alvermennekens geheeten. Hun leven in verborgen klooven en krochten, hun werken in den nacht was ook zoo geheimzinnig, zoo spookachtig; en onze noordsche volkeren bezonder, waren zoo eenvoudig, zoo bijgeloovig en zoo genegen voor 't geheimzinnige!

Op die wijs valt het gebruik goed uit te leggen, dat onze voorouders tot in de 8ste eeuw bewaarden, van aan den ingang van de verlatene holen en spelonken eten en drinken te gaan zetten, met ik en weet niet wat een bijgeloovig gedacht. Dit gebruik is gemeld in veel geschriften van dien tijd en in verschillige gewestelike kerkvergaderingen, want de Kerk veroordeelde een gebruik dat doen nog aleen een wangeloovigheid kost zijn.

[32]p1+ Geloofd zij Jezus Christus

Een lesken over de vergelijking, bij ’t volk gehaald -

Ieder Vlaamsch dichter mag bij ons Vlaamsch volk gaan les halen, dunkt mij, wilt er de wetten kennen van de eigenaardige en natuurlike, passende en dichterlike beeldspraak of vergelijking. Mer de geleerde of schijngeleerde vraagt zoo voor een goeden raad aan den ongeleerden en menig slimmerik meent dat het braaf wat wijzer en treffeliker is van in Griekenland of - te Roomen oranjen - of olijfboomen gaan te halen die er hier komt laten verkraatsen[33] en vergaan, als dat er den edelen eik en den liefeliken keersenboom van zijn eigen land zou kweeken en verzorgen voor ’t kostelik hout of de lekker vrucht.

Zoo gelooft ook menig dichter of schijndichter dat er noodzakelik, om echten zang te zingen, de Grieken of Latijnen moet nadoen, van buitenlandsche, onnatuurlike, onbegrepene en voor ’t volk onvattelike schoonheden dichten moet. Der schildert er mij bijv. zwitsersche bergen, die hij, noch zijn lezers nooit en zagen, beschrijft en bezingt den blauwen Italiaanschen hemel waar dat er nooit ondergestaan heeft, spreekt mij van goden en godinnekens die goddanken al lang gestorven zijn en - de dichter werkt met beelden om beter te schilderen en sterker te roeren - maakt er mij vergelijkingen met zaken en wezens die somwijlen heel en gansch onbekend zijn, wilt ijs bij vuur doen passen, goud met verguldsel besmodderen en den weelderig gehaarden kop met een vremde pruik van dood haar versieren.

’t Eenvoudig mer dichterlik volk is veel redeliker, wilt het de kracht en den zin van gedacht of gevulen versterken en verkleren. ’t En vraagt hem niet af: hoe zou Homeer of Virgiel dat zeggen, in wat voor een landstreek gaan ik mijn beeld nu halen? - Neen, het hoeft immers zijn oogen mer op zijn land latenp2te vallen, in zijn eigen wonder natuur te lezen, om zijn gedacht of zijn gevulen treffend en levendig leeren te verbeelden.

Zijn oog en is niet gemaakt om den schitterenden hemel der oostersche landen te bewonderen, mer ze vindt toch zoo treffende schoonheden in den bleeken Noordschen hemel.

’t Laat dan ook geren den kemel aan den Araab en den leeuw in zijn woestijnen en vindt zijnen os en zijn peerd, sterk en schoon genoeg voor hem. In Kempeland en vindt ge geen slangen, mer meester Reinaard is er bekend whij kwaad geld.

Wilt ons heiboerken nu iemand zijn slimmigheid en doortrokken streken doen uitschijnen: “ laat hem los! ‘t is ne vos!” zegt het u al knipoogend, en gij kent uwen gast.

En ziet het mij toch eens aan! Al ‘t gedierte dat in Kempeland en Limburg t’huis is of ooit t’huis was, heeft daar zijn plaatsken gekregen in de volksvergelijkingen:

zoo slim als een vos; – zoo valsch als een kat; – zoo lomp als een kalf; – zoo hol als een koei; – zoo lui als een verken; – als een das; – zoo hel als een bijken; – zoo gezond als een visch in ’t water; – zoo zuut als een lam; – zoo kwaad als een rups; – zoo gulzig als een wolf; – zoo sterk als een peerd; – zoo ziek als een hond; – zoo blind als een mol; – zoo klein, zoo stil als een muisken; – zoo vet als een sleks; – als een das; – zoo mager als een specht; – zoo zot als een musch; – zoo grijs als een duif; – zoo rap als een eekhoornken; – loopen whij een haas, whij een hert; – springen whij een konijn; – zingen whij een nachtegaal; – whij een klijster; – schedderen whij een ekster; – snurken whij een os; – kakelen whij een hin; – vechten whij hanen; – een mensch whij een beer; – whij een iegel; – ’t Is een ratteke! een wezel! een uil! enz; enz; enz.

Mer nooit zult ge den eenvoudigen kempeneer hooren zeggen: loopen whij een struisvogel; brieschen whij een leeuw, gelijk ’t de lieden van ’t struisvogels- en leeuwenland wel zullen doen.p3Ieder land immers, ieder gouw, ja, heeft eigen vergelijkingen die voor hem allemaal even treffend en waar zijn.

Ik hoef mer naar Vlaanderen, 't oude land der wevers te gaan om hooren te zeggen: zoo zot als een haspel. Hier zeggen ze liever: zoo gek als een rad.

“Zoo lang als een hommelperse (hopstaak)” zegt de Vlaander weer; – “zoo lang als een boonstaak is 't woord van den Kempeneer, die meer aan boon - als aan hopstaken gewend is.

En gaat niet denken dat het volk mer op geraakt aan en van lieverlede vergelijkt. Bij lange niet! Doorgrond zijn vergelijkingen mer eens, en ge zult seffens ondervinden dat het pront en alleen die wezens en zaken voor vergelijkinspunten pakt die de onmiddelik treffende en wonder uitkomende eigenschap bezitten waar 't zijn gedacht meê verbeeldt en versterkt, en komen er somwijlen eens manke vergelijkingen te berde, 't zijn er gewoonlik die éénen mensch aleen eigen zijn en die nooit algemeen gebruikt en worden.

Wat is er bijvoorbeeld al heller en levendiger op de kempische hei te zien als 't erg en ieverig bijken dat er in den blijden zonneschijn over ronkt en wippenterens van bloemken op bloemken, hun kelkskens zoo neerstig leêgpompt? Wat maakt er al meer beschaar en laweit in ons stil dennebosschen als de ekster die er aan 't schedderen is, wanneer ge er komt of niet? Wat verbeeldt er al treffender de belachelike woede van een krikkel[34] mer onmachtig vrouwmensch, als de rups die heur ineenkrimpt en uitrekt en heuren stekeligen rug, zoo driftig doet plooien en golvelen dat alles roert en vechten wilt wat aan heur is, als ge ze eens aanraakt met ... een strooispierken?

Hoe sterk doet de Vlaming, 't gedacht van felle groodde, hoogde en breedde niet uitkomen als er uitroept: een mensch whij een boom! Zoo hoog als de kerketoren! een kot whij een schuurdeur! En als er zegt: zoo diep als de kerketoren hoog is, treft u zijn gedacht dan minder als dat van den zeeman die zegt: zoo diep als de zee ofp4als dat van den bergbewoner den afgrond voor voorbeeld van diepde pakt? Zoekt mij al treffender vergelijkingen als de volgende, die alle oogenblikken van de lippen onzer landsliên afrollen:

– zoo zwart als een moor, als een moren, als pek, als de schouw; – zoo geel als een wesp, als was, als een peer; – zoo gruun als gras; – zoo rood als bloed, als vuur; – zoo donker als de hel; – zoo kleer als de zon, als de dag, als water; – zoo rap als de wind die waait, als een pijl uit den boog; – zoo zeker als goud; – zoo zwaar als lood; – zoo hard als steen; als staal, als een kei; – zoo scherp als een naald, als een mes, als een schaars; – zoo malsch als boter; – zoo vet als spek, modder-, of moosvet; – zoo mager als een stek, als een graat, houtmager; – zoo zuut als honing, als suiker; – zoo zuur als eek;[35] zoo bitter als roet, als gal; – zoo zacht als zijde, als een veêr; – zoo rijk als water diep (is); – zoo arm als Job, als de straat; – zoo oud als de straat; – zoo dun als een lat, als een haarspier; – zoo rond als een bol; – zoo sterk als ijzer (passivè), als een peerd (activè); – zoo heet als een oven; – zoo koud als ijs; – zoo vlak als de hei; – zoo droog als poeier, als een stokvisch; – zoo bleek als de dood; – zoo recht als een keers; – zoo lekker als haas ('t lekkerste wat er is, meent het volk) que di rôsti, zegt de Waal; – zoo licht als een pluim; – zoo stijf als een plank; – zoo doof als een steen, als een visch, als een port;[36] zoo gek als een rad, als een deur; – zoo blij als een kind; – grinsen[37] whij een kind; – honger hebben whij een heimaaier; – klinken whij een bel; – schreeuwen of ge in een tang hangt; – enz. enz. Daar worden er zόó bij honderden gehoord.

Ge zijt daar door den duur zoo danig gewend aan die vergelijkingen, dat ge de schoonheid, de dichterlikheid en levendigheid er of bekans niet meer gewaar en werdt.

Mer ga ze eens na, ontleed er den waren zin eens van, zoek eens waarvoor het volk ze zόόp5gedicht heeft en ge zult dik verbowereerd staan voor de schilderachtigheid en den rijken zin der eenvoudige en korte beeldspraak.

Want iedereen weet het en moet het gevoeld hebben: die korte vergelijkingen doen dikwijls een gansch tafereel vol leven voor onze verbeelding komen,[38] schilderen ons een levend wezen in de volle waarheid en dichterlijkheid van zijne eigenaardige natuur.

Zegt ge, bijvoorbeeld: zoo sterk als een peerd, ge hebt het edel dier voor u staan met zijn gespierde leên en zijn stralenden blik; “ ’t is zoo scherp als een naald!” roept ge uit en ge voelt ze u bena in uwen vinger bijten; “zoo zuut als honing” smetst ge wellustig en ge vuult hem smelten op uw tong; “zoo koud als ijs!” gilt ge, en ge rijst van de kou bij ’t gedacht; “zoo sterk als ijzer. “... o ‘t edel metaal, dat harder werdt, hoe meer dat ge er op hamelt!

En wat is mij ’t volk fijngevoelig in zijn keus! Wat weet het de kleuren en tinten der dingen dik kunstig te ontdekken en doen uit te schijnen!

Zoo, bijvoorb., om de groote wittigheid en netheid van een voorwerp te bedieden, heeft het verschillige vergelijkingen, mer denkt niet dat het ze allegaâr zal gebruiken om één zelfde gedacht te verdutschen. Neen, ge zult hem nooit hooren zeggen dat een lijk zoo wit is als zilver, dat een mensch zoo wit als sneeuw word van den schrik noch dat een kleer en gezond vel zoo wit is als een wand. Want de glans van ’t zilver, de maagdelike wittigheid van den sneeuw, de gemaakte, blasse[39] en fletsche kleur van den wand, bedieden ieder een bepaalde wittigheid en geen ander. Is ’t zόό niet?

x

x x

Nog een bewijs van de waarheid en gepastheid der volksvergelijkingen is dees: dat ze dik zoo oud zijn en altijd zoo algemeen bekend en gebruikt.

Noem mij een land waar ’t lood en ’t goud bekend zijn en waar ze niet en dienen p6voor de volmaaktste voorbeelden van zwaarde en glans?

Onze Kempeneer en heeft van over lang al geen beren of wolven te zien gehad in zijn bosschen, noch er een hert zien in loopen: toch blijft er zeggen, whij ’t zijn voorouders hem geleerd hebben: een mensch whij een beer, zoo gulzig als een wolf en die loopen kan whij een hert.

Sedert wanneer zijn woorden als: ijskoud, hemelhoog, waterdun, zonnekleer, schatrijk, doodarm, enz. al niet in onzen eigen taalschat geraakt! - Hoe fijngevulig het volk in zijn keus is, ziet ge hier nog uit dat het niet gauw wezens of handelingen als vergelijkingspunten pakken zal, die onzichtbaar zijn, want die en worden niet gemakkelik genoeg gevat noch en zijn zoo schilderachtig als onder de oogen levende en roerende schepsels: “Zoo rap als een pijl uit den boog, als de wind die waait” zegt het volk dan ook veel liever als “zoo rap als een kogel, als ’t gedacht” -

Dan verbeeldt het ook liever met wezens uit Gods wonder natuur, met levendige en ongekrookte schepsels als met doode en onvolmaakte werken van menschenhanden.

’t Eenvoudig volk heeft het doelwit verstaan dat uit ieder schepsel Gods straalt, ’t begrijpt, zonder ’t zelf te weten, den diepzinnigen “sijmbolism” (?) van den natuur, ’t vindt zijn oorbeelden van de een of de ander eigenschap zóó gemakkelik in de wijs schepping, dat ge waarlik den dichter moet gelijk geven die zoo wonderschoon gezongen heeft:

Zalig hij die luistert naar
der naturen stemme klaar,
der naturen stem die Gods is.
_________________________________
Zalig hij die niet te trotsch is
om de lessen ga te slaan
______
die van God geschreven staan,
‘t zij met blommen, ‘t zij met sterren,
‘t zij hier bij ons, ‘t zij daar verre en
‘t zij ze spreken ofte niet,
p7al de talen die men ziet
in den glim van rooze of druive,
in den eenvoud van de duive,
in de driestheid van den hoen,
in den zotten kallekoen,
in wat, voor die luisteren wil,
spreekt, aan 't herte sprekend, stil:
't wezen, 't werken en 't gebod
van den goeden grooten God.

( G. Gezelle, Pachthofschilderinge)

Ja, die lessen "van God geschreven" heeft het eenvondig mer verstandig volk begrepen en als het den verdierlikten of den valschen mensch den onteerende naam van het dier geeft waar ons Heer den duivel der onkuischheid in joeg, of dien van 't serpent waar onze aartsvijand hem in verstak om de onnoozel vrouw doen te vallen, bewijst het dit kleer genoeg.

Deo Gratias

Noten

[1] L.W.J. Lenaerts, Over 't Limburgsch. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare bibliotheek Brugge, nr. Aanw. map 14, 17.
Het artikel verscheen niet in ’t Daghet in den Oosten, vermoedelijk omwille van de kwaliteit. Gezelle had het artikel opgestuurd naar Johan Winkler voor advies. In zijn brief van 24/11/1884 stuurde Winkler het artikel terug naar Gezelle met de volgende kritiek: “Hier bij het opstel van uwen jongen limburgschen vriend terug Ik heb het wel geheel en naukeurig doorgelezen, maar heb geene vrijheid gevonden om er iet in te veranderen. Het geheel toch is zóó eigenaardig, zóó bijzonder, dat het mij jammerde om het te verknoeien. (…) Het geschiedkundig gedeelte overtreft in weerde verre weg het taalkundige deel (…) . Het taalkundig gedeelte is zeer zwak, eigenlik te zwak.”
[2] J. Lenaerts, Alven. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw. 533, map 14, 12.

Deze bijdrage leidde tot twee artikels onder de rubriek ‘Limburgsch oud wangeloof’ in ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 2, p. 11-13, en I (1885) 6, p. 41-42.

[3] A. Cuppens, Een lesken over vergelijking, bij 't volk gehaald. Deze uiteenzetting over metaforen in de volkstaal is aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare bibliotheek Brugge, nr. Aanw. 533, map 14, 6.
[4] Het subdiaconaat gold in de Latijnse traditie van de Rooms-Katholieke Kerk als de eerste van de hogere wijdingen en werd doorgaans twee jaar vóór de priesterwijding toegediend. De subdiaken assisteerde tijdens de mis en verrichtte liturgische handelingen aan het altaar, zodat de priester zich volledig kon wijden aan de eucharistische viering. Deze stap op weg naar het priesterschap veronderstelde het afleggen van een examen, de belofte van kuisheid en gehoorzaamheid, en dagelijkse lectuur van het brevier. In 1972 schafte Paus Paulus VI dit ambt af.

Ook L.W.J. Lenaerts liet aan Gezelle weten in zijn brief van 17/11/1884 dat hij zich voorbereidde op het subdiaconaat, dat in de eerstvolgende veertien dagen plaats vond, dus tegen het einde van november.

[5] Polydoor Daniëls, Kunst-en Letternieuws, ’t Daghet in den Oosten. In: De Onafhankelijke der provincie Limburg, zondag 5 oktober 1884, 80, p. 3: “(...) Nog meer: ik ga het bladje door meededeelingen ondersteunen; waarom zouden die en die (die ik ken) dat ook niet doen? N.B. Men schrijft in op het bureel van de ONAFHANKELIJKE.”
[6] Lachender-wijs.
[7] Bijlage 1: artikel van L.W.J. Lenaerts. Zie record 26867.
[8] Ongelijkvloeiende of sterke werkwoorden.
[conversion*noteLabel.conversion* 1] unable to handle picture here, no embed or link
[conversion*noteLabel.conversion* 2] unable to handle picture here, no embed or link
[conversion*noteLabel.conversion* 3] unable to handle picture here, no embed or link
[conversion*noteLabel.conversion* 4] unable to handle picture here, no embed or link
[conversion*noteLabel.conversion* 5] unable to handle picture here, no embed or link
[9] Acta sanctorum Belgii selecta, dl. I.
[10] Ammianus Marcellinus, Res Gestae, 17,8,3-4.
[11] M. Maasen en J. Goossens, Limburgs Idioticon: verzamelingen dialectwoorden (woordenzangen) van 1885 tot 1902, verschenen in het tijdschrift 't Daghet in den Oosten. Tongeren: Drukkerij George Michiels, 1975, p. 34: “Baand, den. Uitspr. baanj. Beemd. Geh. Weert. Beemd in Limb. meestendeels bampd, meerv. bempd. Van bamd (md = nd) komt baand. (VI, 170)”.
[12] Bijlage 2: artikel van L.W.J. Lenaerts. Zie record 26862.
[13] Vanaf pagina 5 correcties en aanvullingen in de tekst van Guido Gezelle.

Alven = Limburgse fabelwezens, vergelijkbaar met kabouters. Boeren die de Alvermannen met respect behandelen en hen iets te eten geven, vaak boterhammen en koffie, zullen ‘s nachts geholpen worden door de wezens. Volgens verschillende sagen, alsook een dichtwerk geschreven door Lenaerts, zouden de Alvermannen uit Limburg weggetrokken zijn nadat het christendom zijn intrede deed.

[14] Kinderen.
[15] Gepubliceerd: L.W.J. Lenaerts, Limburgsch Oud Wangeloof. De Kabouters. In: ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 2, p. 11-13.
[16] Slierten, draden.
[17] Plat, neer.
[18] Oberon, de elfenkoning, verschijnt in de middeleeuwse literatuur onder meer als beschermer van ridder Huon de Bordeaux en krijgt later een prominente rol in William Shakespeare’s A Midsummer Night’s Dream.
[19] Germaanse mythische dwergkoning.
[20] Titania is de feeënkoningin en echtgenote van Oberon. Zij speelt een belangrijke rol in W. Shakespeare, A Midsummer Night’s Dream.
[21] Sic.
[22] De herhaling van de tekst ‘onder eenen omge-’ is het gevolg van een pagina-einde.
[23] Zwavelstokken, lucifers.
[24] Zie: Limburgsch Oud Wangeloof. De Grijze Meer. In: ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 6, p. 41-42.
[25] De heilege geest dien men de minne.

approprieert, verclere mijn sinne.

in dit gedichte daer ic ben inne.

dat ic moegh spreken hen the eren.

want si den minsche wel conen leren...

[26] Openingsregels van een bekende Middelnederlandse proloog uit het Leven van Sinte Christina de Wonderbare, geschreven door de mystieke dichter broeder Geraert.
[27] De geboorteplaats van Aristoteles is Stagira (Stageira).
[28] Griekse arts en historicus (5e–4e eeuw v.Chr.).
[29] Romeinse cartograaf.
[30] Rübezahl. De naam van de reus of berggeest waarnaar het Reuzengebergte is genoemd. (Wikipedia).
[31] Een van de drie zonen van Noah.
[32] Bijlage 3: artikel van August Cuppens. Zie record 6.26856
[33] Maasen en J. Goossens, Limburgs Idioticon: verzamelingen dialectwoorden (woordenzangen) van 1885 tot 1902, verschenen in het tijdschrift 't Daghet in den Oosten. Tongeren: Drukkerij George Michiels, 1975, p.269: “Verkraatsen. (…) klein blijven”.
[34] Maasen en J. Goossens, Limburgs Idioticon: verzamelingen dialectwoorden (woordenzangen) van 1885 tot 1902, verschenen in het tijdschrift 't Daghet in den Oosten. Tongeren: Drukkerij George Michiels, 1975, p.143: “Krikkel, krentelik. Gauw geraakt, opvliegend”.
[35] Azijn.
[36] Poort.
[37] Janken.
[38] Markering van deze passage in de rand.
[39] Bleek.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift ‘'t Daghet in den Oosten’ (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en Loquela. Hij was tevens medestichter van Het Belfort, van De Banier en van het historische tijdschrift ‘L'Ancien Pays de Looz’. Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: "Het teeken des vreden". Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamVan Reppelen, Vitalis
Datums° Linkhout, 10/12/1860 - ✝ Zelem, 03/05/1952
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; rector
BioVitalis Van Reppelen werd geboren in Linkhout op 10 december 1860. Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was hij medewerker van "'t Daghet in den Oosten". Hij werd op 20 december 1884 priester gewijd te Luik. Na zijn priesterwijding was hij achtereenvolgens onderpastoor te Hoei (H. Maagd) vanaf 1884, onderpastoor te Maaseik vanaf 1890, pastoor te Diets-Heur vanaf 1895 en pastoor te Zichen vanaf 1901. Later werd hij rector van het weeshuis te Zelem. Hij overleed er op 3 mei 1952.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; studentenbeweging
NaamShakespeare, William
Datums° Stratford-upon-Avon, rond 23/04/1564 - ✝ Stratford-upon-Avon, 23/04/1616
GeslachtMannelijk
Beroeptoneelschrijver; dichter; acteur
VerblijfplaatsEngeland
BioWilliam Shakespeare studeerde waarschijnlijk aan de Stratford Grammar School, waar Latijnse grammatica en literatuur een belangrijk onderdeel vormde van het curriculum. Op 18-jarige leeftijd trouwde hij met Anne Hathaway, met wie hij drie kinderen kreeg. Omstreeks 1588 vertrok hij naar Londen, waarna het nog vier jaar duurde voor hij succesvol werd als acteur en schrijver. Hij zou er tot de volgende acteergezelschappen hebben behoord: Lord Strange's Men, Lord Admiral's Men, The Earl of Pembroke's Men en The Earl of Sussex’s Men. Later werd hij mede-eigenaar van The Lord Chamberlain's Men. Shakespeare wordt doorgaans beschouwd als de eerste moderne toneelschrijver. Hij schreef tragedies, historische stukken en komedies; in totaal 38 toneelstukken. Zijn werken worden nog steeds vertaald, opgevoerd, verfilmd… Daarnaast was ook zijn poëzie heel populair: hij schreef 154 sonnetten en een aantal langere gedichten.
Links[wikipedia]
NaamDe Grote, Karel
Datums° 02/04/747 (of 748) - ✝ Aken, 28/01/814
GeslachtMannelijk
Beroepkoning der Franken; keizer van het Roomse Rijk
BioKarel de Grote, afkomstig uit het geslacht der Karolingen, werd als zoon van Pepijn de Korte en kleinzoon van Karel Martel geboren op 2 april 747 of 748. Hij volgde zijn vader op als koning der Franken bij diens dood in 768, en aan het einde van het jaar 800 werd hij keizer van het Roomse Rijk. Karel de Grote staat sinds de middeleeuwen bekend als een van de belangrijkste heersers van West-Europa. Het Frankische Rijk kende onder zijn bestuur haar grootste omvang, met een gebied dat zich uitstrekte van Noord-Duitsland tot Zuid-Italië en van Bretagne tot het huidige Oostenrijk. Zijn bewind wordt verder gekenmerkt door een grote aandacht voor cultuur, in deze context spreekt men vaak over de Karolingische Renaissance. Ook op andere vlakken zette hij een vernieuwende stempel, zoals de rechtspraak, de economie en de relatie tussen Kerk en Staat. Zowel Duitsland als Frankrijk beschouwen de heerschappij van Karel de Grote als het begin van hun nationale geschiedenis. De Keizer stierf op 28 januari 814 in Aken.
Links[wikipedia]
NaamWinkler, Johan (junior)
Datums° Haarlem, 06/10/1898 - ✝ Deventer, 27/09/1986
GeslachtMannelijk
Beroepjournalist
VerblijfplaatsNederland
BioJohan Winkler (junior) werd geboren in Haarlem op 6 oktober 1898 als zoon van Andries Winkler en Alida van Blaaderen. Hij was de kleinzoon van Johan Winkler en huwde met Klara Hedwig Charlotte Richter en later, na echtscheiding, met de jeugdschrijfster Johanna Christina Vonk. Johan Winkler studeerde eerst theologie in Leiden en Amsterdam en later Germaanse Letteren in Amsterdam. Hij was ondertussen secretaris geworden van P.J. Troelstra (SDAP). Vanaf 1927 werd hij achtereenvolgens benoemd tot chef-redacteur van het Rotterdamse "Voorwaarts", en tot directeur van de "Arbeiderspers", "Vrij Nederland", "Het Parool" en de "Kluwerpers". Naast zijn journalistieke bedrijvigheid maakte hij ook vele vertalingen (vooral uit het Duits) van literaire (o.a. Rilke en Stefan Zweig), filosofische en historische werken.
NaamLutgardis van Tongeren; Sint-Lutgart; Schutsvrouwe van Vlaanderen
Datums° Tongeren, 1182 - ✝ Aywières/Awirs, 16/06/1246
GeslachtVrouwelijk
BeroepBenedictines; mystica; heilige
BioDe heilige Lutgardis, patroonheilige van vrouwen en blinden, werd in het jaar 1182 geboren in het Limburgse Tongeren. Op twaalfjarig leeftijd trad zij toe tot het benedictijnse Sint-Catharinaklooster te Sint-Truiden. Hoewel ze eerst weinig interesse toonde in het kloosterleven, legde ze zich hier sterk op toe nadat Christus aan haar verscheen tijdens een visioen. Op twintigjarige leeftijd deed ze dan ook haar officiële professie als benedictines. In 1206 zou ze vervolgens vertrekken naar de cisterciënzerinnenabdij van Awirs in Luik, waar ze tot haar overlijden op 16 juni 1246 zou verblijven. Haar latere verering als patrones van het Vlaamse volk en de Vlaamse beweging stamt uit haar verblijfsperiode te Luik, aangezien zij volgens haar biografie tot Maria gebeden zou hebben om een bestuursfunctie binnen de abdij te kunnen ontwijken, waarop de Heilige Maagd het haar onmogelijk maakte om het Frans te leren. Guido Gezelle zou haar na een voorstel van filoloog Jan Hendrik Bormans propageren als patroonheilige van de “dietsche taal en letterkunde”, en Gezelle’s leerling Adolf Duclos zou haar naam opnemen in die van zijn culturele gilde, de Sint-Lutgardisgilde.
Links[wikipedia]
Bronnen https://www.dbnl.org/tekst/_lit003199701_01/_lit003199701_01_0034.php

Naam - plaats

NaamAssent
GemeenteBekkevoort
NaamBekkevoort
GemeenteBekkevoort
NaamBinkom
GemeenteLubbeek
NaamBree
GemeenteBree
NaamHasselt
GemeenteHasselt
NaamKumtich
GemeenteTienen
NaamMeensel-Kiezegem
GemeenteTielt-Winge
NaamMolenbeek-Wersbeek
GemeenteBekkevoort
NaamRoosbeek
GemeenteBoutersem
NaamSint-Truiden
GemeenteSint-Truiden
NaamTielt-Winge
GemeenteTielt-Winge

Naam - instituut/vereniging

NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden

Titel - gedicht van Guido Gezelle

TitelPachthofschilderinge
PublicatieDichtoefeningen (Verzameld dichtwerk, deel I), p. 143

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon
AuteurWinkler, Johan
Datum1874
Plaatss-Gravenhage
UitgeverMartinus Nijhoff
TitelLeven van sinte Christina de wonderbare
AuteurBormans, Jan Hendrik
Datum1850
PlaatsGent
UitgeverC. Annoot - Braeckman
TitelDe onafhankelijke van de provincie Limburg : nieuws- en aankondigingsblad : godsdienst, moedertaal, vaderland (periodiek)
Datum1850-1914
PlaatsHasselt
UitgeverP.F. Milis; H.J. Ceysens
TitelActa sanctorum Belgii selecta,quae tum ex monumentis sinceris necdum in Bollandiano opere editis, tum ex vastissimo illo opere, servatâ primigeniâ scriptorum phrasi, collegit, chronologico ordine digessit, commentariisque ac notis illustravit. (6 dln.)
AuteurGhesquière, Joseph
Datum1783–1794
PlaatsBruxellis
UitgeverMatthaei Lemaire
TitelLes temps préhistoriques en Belgique : l’homme pendant les âges de la pierre dans les environs de Dinant-sur-Meuse
AuteurDupont, Édouard François
Datum1872
PlaatsBruxelles
UitgeverVictor Muquardt

Titel[21?/10/1884], Luik, August Cuppens aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, [21?/10/1884]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[21?/10/1884]
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieDatum gereconstrueerd op basis van de brieftekst, dag onzeker: de brief is geschreven een maand voor het subdiaconaat eind november 1884, uit de brief van Lenaerts aan G.G. van 21/11/1884 (nr.5447) zou dat rond 21/11/1884 doorgaan ; plaats en adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 170 mm x 110 mm
papier, wit
papiersoort: 3 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden watermerk: Delta Mill Fine
Deze brief bevat 3 bijlagen: 3 artikels ter goedkeuring van G.G. voor "'t Daghet in den Oosten": 1) Over 't Limburgsch. door L.W.J. Lenaerts (nr. Aanw. map 14, 17) 2) Alven. door L.W.J. Lenaerts (nr. Aanw. 533, map 14, 12) 3) Een lesken over vergelijking, bij 't volk gehaald. door A. Cuppens (nr. Aanw. 533, map 14, 6)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7504
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13834
Inhoud
IncipitWij schikken u vandaag 3 kleine bijdragen
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.