Wij schikken u vandaag 3 klein bijdragen op die ge kunt nazien, aannemen voor “'t Daghet” of verwerpen, verbeteren, verkorten of verlangen whij 't u believen zal.
't Zijn 1sten een werksken[1] van Koob Lenaerts over Limburgsch en de Limburgers waar hij in opgeteekend heeft, wat er hier, uit die boeken die wij al kunnen krijgen uit de boekenzaal van 't Seminarie, al te vinden is. Gij weet misschien meer en veel beters. Zooveel te beter!
2den nog een van den zelfden ieverige en slimme Koob over de Alvermennekens,[2] waar er altijd een bijzonder voorliefde voor gehad heeft en waar dat ze in Limburg nog zoo veel van vertellen.
3den een klein studieken[3] van mij over de volksvergelijkingen, waar ik mijn best al in gedaan heb whij ik kost.
Van reppelen heeft uitstel gevraagd tot Nieuwjaar voor zijn werksken over de Limburgsche tijdverdeelingen. Wij moeten daar nog wat meer over weten onder 't Kerstmisverlof.
Nu zullen we in een dikke maand niet veel meer kunnen verrichten omdat wij te veel werk gaan hebben met p2ons examen voor 't onderdiakonaat.[4]
Hope toch dat het wel genoeg zal zijn om te beginnen, bijzonder nu wij op uw geleerdheid en vaderlike goedwilligheid mogen tellen.
Als ge alles zult nagezien en gekeurd hebben en uw eigen werk af, schik ons dat met eens stof voor een nummer of twee, dan kunnen wij den drukker al wat werk geven.
Wij gaan ook nog een keer naar Eerw. Heer Daniëls schrijven, om hem aan te zetten van ook wat gereed te maken. Hij heeft immers beloofd in den Onafhankeliken van Hasselt dat hijzou meêdoen.[5]
Met goeden wil van ons allen en met hulp van god en Sinte Luitgaarde, zal 't dan wel gaan, nietwaar?
Ze zijn hier nieuwsgierig om den eersten nummer te zien van dat aardig blatteken, dat dart vragen naar inschrijvingen. Ik geloof dat er menig hooggeleerd pedant zijne naas eens zal optrekken en zijn lippekens lachenterens[6] plooien. Mer 't is niets; wîj deden dat ook in den tijd toen Arthur ons te Sint Truijden kwam spreken over de Westvlamingen, en wij waren toch p3gauw genoeg bekeerd.
Over 't Limburgsch.
De frankische tongvallen van onze dietsche taal worden gewoonlik in vier groepen verdeeld: de limburgsche, de brabantsche, de geldersch-frankische en de zeeuwsch-frankische groep.
Ons limburgsch wordt gesproken in hollandsch en belgisch Limburg, in 't Hageland en in 't echt Haspengouw (Oost-Braband en Luiksche gouw).
Laat ons dat gebied eens even omwandelen. In 't oosten, op de grenzen van hollandsch Limburg gaat de taal langzamerhand tot het Rijnlandsch over. De tongvallen van den noordeliken uithoek van hollandsch Limburg, van 't stedeken Gennep en omstreken, verliezen allengskens hunne limburgsche tint, en loopen met de geldersche en brabantsche gouwspraken van 't rijk van Nijmegen en 't Land van Kuik ineen. Die van 't limburgsch Peelland, van Venray, Horst, Meiel, enz zijn 't naaste verwant aan die van 't brabantsch Peelland, al blijven ze hun limburgsch karakter behouden. Weert vormt den overgang van de Peellandsche tongvallen tot die van ’t uitgestrekt Kempenland.
p22)Tusschen Antwerpen en Limburg loopt de taal redelik zutekens van 't brabanttsch in onze gouwspraak over.
Tusschen 't hagelandsch en 't brabantsch is de lijn heel scherp afgeteekend. De grensdorpen, die toch nog limburgsch kallen, zijn Asselt, Bekkevoort, Molenbeek, Tielt, Kiezeghem, Binkom, Roosbeek en Kumptich. Ten zuiden zitten wij tegen 't Walenland aan. (+)
+ Dit staat allegaâr te lezen, soms met dezelfste woorden, in het geleerd “Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon” van Johan Winkler.p33)
onze volkspraak en heeft geen nood van met eene andere verwisseld te worden: 't is ene eigene en eigenaardige taal. Laat ons eens effekens eentige van heur bezonderste merken opteekenen.
't Groot gebruik van den klankwissel. Een groot deel woorden wisselen bij ons op de gewone wijs van klank. Eentige voorbeelden: scheer (schaar); verken (varken); vegen (vagen); geberen (gebaren), enz. enz.
meulen (molen); veur (voor); euver (over); heulenteut; meuler; dörp. enz.
numen (noemen); rumen (roemen); drumen (droomen); drugen (droogen); hugen (hoogen); zuum (zoom); enz. enz.
Zoona overal waar 't mogelik is, bij 't vormen van verkleinwoorden, zal de stamklank p44)vermangeld worden; bv. man, menneken; hämer, hamerken; enz.
horsel, hörselken; wortel, wörtelken; enz
boer, buurken; oer (uur), uurken; kaffiemoor, muurken; boom, buumken; enz., enz.
't Meervoud. In 't maken van 't meervoud komt ook nog al dik de klankwissel van pas:
bv. bank, benk; nagel, negel; enz. os, ös; vogel, veugel; zoon, zeuns; enz boĕk, beŭk; doĕk, deŭk; enz. broer, bruurs; brood, bruni; enz.
Natuurlik loopt die klankwissel niet altijd zuiver van a, o, oe in e, eu, u, maar hij wijzigt hem volgens de verschillende dorpstalen: neemt bijvoorbeeld huis: in de Kempen hoes maakt hiis; in 't Tongersch: haus, hoos maakt heis; in Klein Vrankrijk : haos maakt huis; enz.
't Meervoud wordt ook nog wel op andere wijzen gemaakt, maar deze zijn ook dik heel eigenaardig.
bv. met er; kind, kinder; wicht, wichter; man, mander; hoes (huis), hoezer; veld, velder; enz. enz.p55)Klankverdooving. Wat nog eene eigenaardigheid is van 't Limburgsch, tusschen de nederlandsche gouwspraken, dat is de verdooving van klank, die de helft van den tijd plaats grijpt in den 2den en 3den persoon enkelv. van den tegenwoord. tijd in de ongelijkvloeiend[8] werkw. Ziet hier eentige voorbeelden:
ich vaar, du vuurst, hij vuurt;
ich spreek, du spriks, er sprikt;
ich loop, du lups, er lupt
ich schiet, du schits, er schit
ich vang, du vings, hij vingt
Eentige ongelijkvloeiend werkwoorden die in andere gouwen de stam a verzachten tot i in den onvolmaakt verleden tijd, verdooven ze tot o in Limburg. zoo:
werpen, worp; zwerven, zworf;
vangen, vong; gaan, gong, gegangen; helpen, holp; sterven, storf; enz.
Nu wij toch over den onv werkw. bezig zijn,
De onvolmaakt verleden tijd bezig zijn, laat ons ook eens op dien van de gelijkvloeiende werkw. spreken.
Deze tijd moest alleen eene samenstelling zijn van een naamwoord met het werkw. dede, dedest (doen); jammer is het datp66)de oude, regelmatige vorm, door klankvertuissching, zoo dik verloren is gegaan bij onze echte werkwoorden!
Van salbo-deda komt salbo-da, salvo-dee, salvde, zalfde.
Nu in andere gouwspraken verandert de zachte aanhef d van dede in de harde t, als de leste stamletter ook hard is; bv. straf, strafte; spit, spittede; lach, lachte; klets, kletste, enz.
In Limburg, integendeel, speelt het werkwoord den baas, en doet den harden medeklinker van de stam in eenen zachteren overloopen; omdieswil,
straffen, strafde, (stravde);
lachen, lachde, (lagde);
kletsen, kletsde, (kledzde);
kocht, gekochde, (gekogde);
pakken, pakde (piek); enz, enz.
Eene aardigheid van 't limburgsch, die seffens in de oog springt, bestaat nog in de voornaamwoorden. 't zijn zij die onze streek somtijds het Mich-quartier doen noemen. I(k), dij, mij, u zullen altijd klinken : ich, dich, mich, uch.
Hij zal dik er zijn, bezonder als der nietp77)op gedrukt en wordt: bv. gaat er; loopt er slaapt er (giet, geet, geit er; lupt, liept er; slupt, sliept er) enz. Wordt er op gedrukt dan zal het te Maestricht heer klinken.
Gij luidt nog al eens dje, der, -de gij:
bv. dje kalt, kalt der, kalt-de gij; enz.
Somtijds is wij en gij tot veer, ver en geer, ger gekomen. Ik geloof dat deze vormen meer gebruikt worden in 't aanspreken van onbekenden en vreemdelingen. Dit punteken gaan ik eindigen met doen op te merken, dat het onmogelik is te spreken over 't verschil van woorden en wendingen, (dat zou te wijd henen gaan,) en dat iemand, die een beetjen opmerkzaamheid heeft, op de volgende bladzijde nog wel de een en de ander aardigheid van onze spraak zal vinden.
______________
Natuurlik bestaat in Limburg, zelfs tusschen iedere dorpstaal, een verschil van uitdrukkingen van uitspraak en toon. Nogtans hebben die tongvallen gelijkenis genoeg med een om te samen maar ééne gouwspraak uit te maken, en hun bezonderste band zijn juist de eigenheden die ik kom op te teekenen.
Dat en belet niet dat ge, zonder moeitep88) 't Limburgsch nog in verscheidene gewestspraken kunt verdeelen die met hunne gelijkenis ook hun merkelik verschil en hunnen eigen aard dragen; en niemand en zal 't Maaslandsch, het Tongersch en 't Hagelandsch ondereen/verwisselen.
Onze spraak vloeit over de tong van 't volk 1) in 't Maasland van belgisch Limb., 2) in 't Maasland van hollandsch Limb., 3) in den Kempen van holl. Limb., 4) in den Kempen van belg. Limb., 5) in Klein Frankrijk, 6) in 't Hageland, 7) in 't echt Haspengouw, 8) in 't land van Tongeren.
Klein Vrankrijk heet ik de oevers van den Demer, van bekans aan Bilsen tot aan Diest, en van de beken die daar in deze rivier loopen: de Rostbeek, de Zwertbeek, de Mangelbeek en de Herck.
Echt Haspengouw noem ik de omstreken van Thienen, Landen, Sint Truiden, en zelfs van Loon .
't Land van Tongeren zal ik voor grenzen geven de Maas, den Demer, de Herck en 't Walenland. p99)'t Hageland noem ik met J. Winkler de streek tusschen Diest, St Truiden en Thienen in, zonder er eene van die steden bij te rekenen. de westelike grens is de brabandsche tongval. Van den anderen kant kunt ge Halen, Herck, Rummen, Binderveld, Kozen en St Truiden als scheidspalen nemen.
_____________________
Tusschen de tongvallen van den aliken Maaskant, van af 't Walenland tot boven Venloo, en tusschen die van den Kempen uit holl. en uit belgisch Limburg, Klein Vrankrijk van kant gelaten, en bestaat er geen groot, geen merkelik verschil, maar eerder eene zeldzame gelijkenis, die in de zuidelike tongvallen van Limburg in 't geheel niet te vinden en is.
Deze taal uit het noorden van Limburg steekt fel af tegen die uit het zuiden: ze en heeft heur op de grenzen niet gemengeld, noch met den tongval uit Klein-Frankrijk, tenzij misschien in Hasselt, noch met de volkstaal uit het land van Tongeren.
Ziethier hoe, door den bot henen, eentige letters klinken, als ze door geenen klankwissel veranderd en zijn, van Maastricht tot Venloo, Weert en Bree.
�
[conversion*noteLabel.conversion* 1]�
[conversion*noteLabel.conversion* 2]Letters Klank Letters Klank
aa aa en oa ui oe (umlaut ii)
ē è ie ē
ō ō ee ei (soms ie)
ij ii en ē (soms) oe ōp1010)De sch klinkt als in 't hoogduitsch. De d en t op 't einde van een woord dj, tj. Nogtans, tusschen de tongvallen van dezen groep, zijn er ook eentige kleine verschillen, bv. de sch luidt rond Weert op zijn vlaamsch, en de eind -d en -t, rond Maastricht en rond Venloo, als eene gewone d en t. In en rond Maestricht wordt de klankwissel heel zuiver gevormd, wat in de andere streken altijd het geval niet en is; enz, enz.
't Kempensch-Maaslandsch verschilt nog al wel van de andere tongvallen uit onze streek. Bij voorbeeld.
In deze spraak alleen, buiten die uit het land van Tongeren, is de sch bijna sj, en is de tweede persoon enkelvoud bewaard gebleven: bijv. geeste (gaats du), lupstich (loops du); de (du) springs, dich zies enz.
In deze twee ook hoort men altijd zich, waar de andere nog al diks hem heur, enz. gebruiken.
Noch i in den Kempen noch in ’t Maasland hoort ge ooit den uitgang -teren, -terens der werkwoorden, die elders nog al diks voorkomt,: en bezonder in 't land van Tongeren : bijv. vallenterens, loopenteren, zingenterens, enz. is vallende (wijze) of al vallende, enz.
't Volgende zal nog meer en beter doen zien, dat de tongval uit het Noorden van Limburgp1111)in 't geheel niet met die uit het zuiden en verwisselt mag worden. Gelijk ik al gezeid heb verschillen deze lesten veel meer ondereen als de kempensche en de Maaslandsche.
't Is 't land van Tongeren, dat het moeielikste tot de drie anderen terug gebracht wordt. Zijn taal trekt het meeste van alle limburgsche tongvallen op het Platduitsch.
Zoo als ik gezegd heb, verschilt ze door de uitspraak van de sch, door 't gebruik van zich, en door dat van den 2den persoon enkelvoud.
Ik zal ook nog doen opmerken, dat in den onvolmaakt verleden tijd, de stamklinker, die overal bekans tot ie verdooft, hier gewoonlik tot oe overgaat en niet het oorbeeld houden, hield, gehouden, maar varen, voer, gevaren volgt. Zoo bijvoorbeeld:
maken, moek (miek);
vallen, voel (viel);
bakken, boek (biek);
blazen, bloes (blies);
slapen, sloep (sliep);
houden, hoel (hield);
stooten, stoet (stiet);
loopen, loep (liep); en zelfs
roepen, rōēp (riep).p1212)Hier ook, waar de klinkers wild zijn, zal men, om de woorden vloeiender te maken de medeklinkers diks van kant helpen; bijv. de d en de t, op 't einde van een woord dat met twee medeklinkers gesloten was, zal achterwegen blijven: bis = beest, gewès = geweest, enz. De r zal soms vort vallen, maar meestendeels in eene j veranderen in de woorden als pjad (peerd); stat (steert); wed (wereld); met (merkt); kwakvjaos (kwakvorsch); bossel (borstel) enz. enz. Dat en is in de andere tongvallen lang zoo algemeen niet.
Hier is de wisselklank ook onzuiver en aardig zelfs: van ô bijv. is hij ei: hoos (huis) meerv. heis; van vwoogel (vogel) komt vjègelke; van oe is het o, bijv. in schoen, meerv. schoon; enz. enz. enz.
Ziet hier nog, om te eindigen, 't verschil tusschen het Tongerland en de omliggende tongvallen, in eentige klinkers:
�
[conversion*noteLabel.conversion* 3]�
[conversion*noteLabel.conversion* 4]�
[conversion*noteLabel.conversion* 5]Letters - Maasl. en Kempen - Tongerland - Haspengouws (Diest-Thienen)
ŏ, o, o, oe,
ij, ii, aai, ê., è, ei
ui, oe, ô, au ôë, (èu)
ei, è, ei ē, è, ei
ee, ei, (soms ie), è ie (ieë)
oe, ō, oe oe
Ziet daar, waar de klinkers in ‘t rouw henen willen.p1313)Alle de zuidertongvallen van Limburg loopen zachtekens en langzaam ineen.
_________________
_____
Tusschen 't Haspengouw, 't Hageland en Klein-Vrankrijk is de gelijkenis grooter, en laat ge den toon, den zwang van spreken van kant, dan ziet ge dat de tweeklanken tot één voorbeeld of type loopen.
Bijv. de klank oe zal overal tot de oe terugvallen en niet tot de ô als in den Kempen; de ui, in huis bijvoorbeeld, draait overal rond de o (ô, oë, oa enz.) en niet rond de oe als in den Kempen.
De onzuivere ee, krijgt er den ie-klank, min of meer gerekt, en niet den e- of den ei- klank als rond Tongeren en op de Maas.
Nogtans zijn daar ook nog eentige, merkelik verschillende tinten. onder anderen: In 't Haspengouw, (Diest, St Truiden, Thienen) wordt nog as dikwijls de h niet uitgesproken, niet geaspireerd.
In 't Hageland wordt bijv. de â en de ô nog al eens verdoofd tot ouë
In St Truiden hoort ge soms oi voor aa, en in eentige woorden au voor oe, u, ui, dat Winkler als iets heel eigenaardigs aanmerkt. In Hasselt luidt de eind -d en -t: dj en tj, bekans wi in den Kempen. Ik heb al eens aangeteekend dat de korte o, gewoonlik oe klinkt in 't Haspengouw.p1414)Dat verschil en spruit niet alleen voort, tel ik, uit het verschil van gebeuren en van onderhandelingen, maar ook, en eerder nog, uit dat van de volksstammen waar de Limburgers uit geboren zijn.
Wat een zijn de bijzonderste stammen die hen vroeger in onze streek daal gezet hebben? Komt dat verschil van woonplaats overeen met dat van de tongvallen?
Dat zullen wij eens nagaan zoo goed als 't ons mogelijk is.
Welke zijn de volkeren die in Caesar zijnen tijd ons Limburg bewoonden, en welke hebben hier, later, hunne kavei komen opslaan?
De Aduatikers. Caesar noemt de Tongerneren Aduatici en Tongeren Aduaticum. Aduaticum, ook advaca geheeten, dat misschien door onze attas Antwatich of Antwad uitgesproken werd, zou wel van ant-wak of ant-wad (aan 't wak of het wad van den Jeker) kunnen afkomen.
Tacitus en Plinius die geen Aduaticum en kennen, beduiden deze gouw met den naam van Tongeren. Of de geleerde bollen gelijk hebben, die staande houden dat de Tungri vroeger in Turingen gewoond hebben, en van daar naar Aduaticum afgezakt zijn, dat zij naar hunnen naam Aduaticum Tungrorum en voorders alleen Tongeren gedoopt hebben of niet; zeker
[9]p1515)schijnt het mij dat Aduaticum, Tongeren, en zijne bewooners, Tungri geheeten zijn.
Was 't gebied van Tongeren groot, en strekte het zich van genen zoowel als van dezen kant de Maas uit? Ik geloof het. Toch en zou ik niet denken, dat alle plekken, die den naam van Tongeren dragen, tot hun rijk behoorden. Tongerloo (in den Kempen), Tongerloo (onder Eindhoven), Tongerloo (bij Maeseyck), Tungebrooi (bij Weert), Tungrinne (in de naamsche gouw), dat waren vroeger, schat ik, eigendommen of goederen van 't Capittel van Tongeren, en zijn omdieswil met den naam van Tongeren beduid geworden.
Maaslanders. Tacitus en meer oude schrijvers spreken al van de Masaci, Masegavi, Masavi, Maselandi of de bewooners van de Maas, de Masegouw, de Maasauw, 't Maasland.
De Maaslanders geeft Tacitus voor geburen: de Bethasii (rond Geets- en Wals-Bets), de Tungri, de Caninefaten (tusschen Waal en Maas) en de Sunici (tusschen Keulen Tongeren en Bethasien).
Laat ons dat eens nader bepalen, al is het dan ook uit latere oorkonden: Pepinus van Herstal noemt pagus Mosariorum 't land waar Suestra (714) in ligt. Nu, Suestra, Suvestra, dat zijnen naam aan eene beek te danken heeft, is ons Zusteren van allewijl.p1616)In 847 Marsna, en in 968 O.H.J.Ch. Mersen genoemd, wordt ons hedendaagsch Meerssen ook als in de Maasgouw geteld.
Als in de Maasauw wordt, in den tijd van Karel de Groote Gangluden (Gangelt, Vucht) aangehaald.
Deze Masegouw, de bovenste, had voor hoofdstad Tricht, daar 't veer was, waar de Aduatikers over de Maas moesten, om met Corriovallum (Valkenburg) te onderhandelen. Omdieswil werd die stad Tricht geheeten, en staat zij in de omstreken onder dien naam nog bekend. Doch, doen later, in de onderste Maasgouw, nog een ander Tricht, Uttricht of Onder-Tricht ontstond, werd onze stad Ob-tricht of Maastricht genaamd.
Gennapiers. Rond Gennep waren Germanen gevestigd die Menapiers (of liever Gennapiers en niet met die uit Vlaanderen te verwisselen) geheeten werden.
't Schijnen deze te zijn die Tacitus Gugerni (Gocheneers) heet en die ook diks als Clévii (Klevensers) voorkomen.
Om nu de oude schrijvers, die van dezen en van genen kant de Maas Menapiers zetten, te doen overeen komen, neemt men aan, dat er een deel Gennapiers, in Caesar zijnen tijd, van dezen kant de Maas zijn komen woonen, en dat zij onder Keizer Augustus eenvoudig Tassanders geheetenp1717)zijn geworden
Tassanders Voor de Romeinen hunnen tijd woonden de Aduatici tot in den Kempen toe. Als deze nu door de oorlogen verdund waren, zijn de Gennapiers en de Taxanders hunne plaats komen innemen. Deze lesten woonden, van genen kant den Demer, tot aan de Bataven en de Caninefaten toe.
De Thassanders hunne gouw, zegt Renerus monnik van St Laurens, bij Luik, was niet ver van Maastricht verwijderd. Voorders zegt de zelfste, dat Belisia (Bilsen) aan den ingang van Thessandrië ligt.
Budel of Buel werd bij Toxandrië geteld door Karel den Grooten (779. O.H.).
In een schrijven van den H. Willebrordus, zijn Bobanschot (Boschot), Alfem (Alphen), Pieplo (Poppel), Hinnesloten (Hulsel), Diosna (Diessen), Wadradoch (Wedert, Weert) en Buslot als in Toxandrië aangegeven.
Ste Geertrui heur erf, gelegen in Bergom (Geertruidenberg), in de gouw van Taxandrië (966 O.H.)
Tot Lier strekte het hem uit en de Nita of Nethe was van eenen kant zijn grensscheiding.
Taxandrië, Toxandrie, Thèssandrië is eert in de 12ste en 13 ste eeuw met den naam van Kempen (kamp of vlakte) gedoopt geworden.
Allerwijl kennen wij als overblijfsels van de Tassanders: Tessenderloo (plaats van de Tessanders), en 't dorp Tassen bij Diest.
't zij hier nog eens opgemerkt dat er op huiden, in 't oud Taxandrië, twee verschillende tongvallen gesproken worden: Brabandsch en Limburgsch, en dat ik Tessenderloo en Tassen niet tel als in den Kempen gelegen.p1818)De Saliers. De Franken (vranke en vrije mannen) huisden eerst tusschen de Saxers en de Allemannen en waren verdeeld in Ripuarios of bewooners van de oevers (van den Rhijn) en in Salios, die van de rivier Sala (of Yssel) hunnen naam schijnen gekregen te hebben.
Van daar door de Saxers verdreven, drongen de Saliërs in 't Batavenland, waar ze op een nieuw verjaagd en verdund werden door de Quaden (Kwaden), die Caesar Chamavi heet, en die de Saxers hunne bondgenooten waren.
Ze gongen hen dan verschuilen in Taxandrie. Een deel vestigde zich rond Berg-op-Zoom, Zevenbergen en Geertruidenberg; een ander deel niet ver van Tessenderloo, rond 't jaar O.H. 357 (bij Ammianus[10] lib. 17).
Keizer Julianus stond hun dat deel van ’t romeinsch grondgebied toe en leefde eentigen tijd met hen in vrede. De Quaden integendeel werden door de Romeinen beoorloogd en overwonnen, en kregen de plek Minechelen, waar in de Salische wetten ook spraak van is, en die nu nog Quaedmechelen genoemd wordt, als hunnen thuis aangewezen.
Bethasii of Betsen. Bethasia lag omtrent in dezelfste streek die later 't Haspengouw genoemd is geworden. Immers, Geets- en Walsbets, twee dorpen die hunnen naam bewaard hebben, liggen daar ook. Tacitus zegt dat de Maaslanders hunp1919)geburen waren, en zet ze niet ver van de Sunici noch van de Tungri af ((lib. 4 Histor.)
Franci-ripuarii. In den tijd dat er zooveel woeste volkeren op 't romeinsch rijk vielen, (rond 406 O.H.J.Ch.) staken de Vranken-Ripuarii ook den Rhijn en de Maas over, vielen op het Tongersch gebied (Tongeren, 't land van Loon en 't Haspengouw), op 't Maasland van beide zijden de Maas, en op Taxandrie, maar vestigden zich bijzonder rond Diest, Halen, Wuestherck en Hasselt.p2020)Van daar kreeg het land van Tongeren den naam van Francia Gallicana. Allewijl heet de vlakte tusschen Herck en Halen nog Klein-Vrankrijk; 't broeck tusschen den Demer en de Laak (onder Schuelen), 't Vrankenbroek; eene schans in Zonhoven, de franke schans; en bij Diest leit nog 't Koningrijk, waar ze in 1622 zooveel frankische oudheden opgedolven hebben. Bij Herck en Diest bestaat er buiten 't dorp Zeelhem (heim der Saliers) ook nog Sellik (vicus Saliorum) en Selbemde (baand[11] van de Saliers).
Hier was 't dat de salische wetten opgesteld werden door vier gasten: Salegast, Windegast, Bodegast en Wuysegast, die te Zeelhem, Windehoven, Boldenhoven (bij Leeuw), en Wuse of Wuestherck hunnen 't huis haden; zoo leert het ten minste eene goedgevonden fabel.
Hier was 't ook dat de Vranken (5de eeuw) hunnen eigen koning uitriepen, die zijn hof vestigde te Diest. (899) Dioste, Dysporgum, Dispargum, Disbargum, dat is burg, borg van Diest, en Disthemium, dat is heim van het died, van het volk, ziet daar zijne verschillende namen, alweêr volgens alle waarschijnlikheid. Van hier hebben de Franken hun gebied van alle kanten uitgebreid, en hen later op 't romeinsche rijk geworpen; zoo dat ons Klein-Frankrijk de wieg is van 't groot Vrankrijk.p2121)Nu een kort overzicht van dat alles:
In 't land van Tongeren - Aduatikers;
in de Masegouw - Maaslanders;
in 't noorden van holl. sLimburg - Gennapiërs;
in den Kempen - Tassanders; (romeinsche tijd)
in Klein-Frankrijk - Saliërs;
in 't Haspengouw - Betsen;
Over dat alles bijkans is er eene laag gekomen van Franci-Ripuarii.
Deze hebben hen, hier en daar, gemengeld met het reeds gezeten volk; op andere plekken hebben zij terras leticas, dat is, ledige of onbewoonde velden gevonden, en gaan bewoonen.
zoo dat hunne taal hier en daar de overhand gehouden heeft, terwijl zij op andere plaatsen voor de verschillige andere tongvallen heeft moeten onderdoen.
Wi en waar dat gebeurd is, dat laat ik iemand anders uitereen doen, die er meer mag over weten als ik.
Alven.[13]
Dat en zijn geen Awelkens of Kabouters, zoo als er te Bree bv., in de kelders van de oude vestingen gewoond hebben, en waarvan de wichter[14] nu nog zingen:
V. Piepelĕremüske bo zitste doa?
A. In den awelekalder.
V. Wat deiste doa?
A. Schoon wikse en al wat tich neet en raakt.[15]
Neen, alven of zwanejoffrouwen zijn in de noordsche fabelleer goed van de Alvermennekens onderscheiden. Deze hadden de eerd, d'ander de locht en 't water voor woonplaats.
In den Kempen zijn ter nog van allerlei gekend.
I De Zwanejoffrouwen of Lochtalven, dat zijn nette meiskens, heel in 't wit gekleed, met geitenvoeten, en kommen 's nachts in den maneschijn in de weiden en langs de bosschen dansen en springen. Als die 's morgens de vâmen[16] van heur klederen (de herfst- of zomerdraden) in de wei ziet bommelen of zweven, en de klaver en 't gras daal[17] liggen, dan zijn ze ter geweest en dat is een teeken van geluk en voorspoed.
Hun koning heet Auberon, Alberon,[18] dat 't zelfde is als Elberich,[19] dien wij al, als vorst van de Hussen of de Antonen aangehaald hebben. Hun koningin is Titania.[20] Wat ze bliksems/goed en rap konnen, dat is hun met eenen tooverband in zwanen veranderen en daarvoor heeten ze dik zwanejoffrouwen.
Gedaanteverwisselingen kenden ze in Engeland ook; lees de “Midsummernightsdream” van Schakespeare mer eens; ook al in de oude fabelleer waar ze somtijds al zwanejoffrouwen genoemd worden.
Deze geesten en hebben nooit niet bestaan whij de Kabouters, mer zijn, als bekans alle noordsche Gotten en Geesten uit den natuur geboren.p2De gouden en zilveren stralen van de Maan schijnen immers ook spooksels in de weiden en aan de rander van de bosschen! Wie en zou er in den maneschijn geene witte gedaanten meenen te zien die tusschen de schemen rond dansen en ondereen deun maken? Daarvoor is 't dat er dik van de Alven gezegd word, dat ze bij den eersten zonnestraal moesten versteenen, als ze dan in hun Elfheim nog niet terug en waren. De zon verdrijft immers die spooksels allegaar, en blijft er een staan, dan zal 't licht hem in een' boom, een' struik of zoo iets veranderen en versteenen.
II De Boe- of de Boeteman is ook overal nog goed gekend. Dat is een elfsch wezen, eene zwert- of kwade elf. Een stierenkop of bullebak met twee vurige horens die 's avonds in de donker hoeken van de kamer, lachenterens en springenterens komt spooken, en die door niemand gezien en werdt[21] als door kinder die met den helm geboren zijn, en door de honden die gele plekskens boven hun oogen dragen.
En waarachtig als 't vuur aan 't nalaten is, dan zal een schrikachtige mensch in de donker hoeken van allerlei spooken zien verschijnen, die daar dansenterens met den kop schudden, en hem met vurige oogen aangrinsen.
III De Nikkers, waar de Edda ook al van kalt, zijn wateralven die de wichter met eenen haak in 't water trekken als ze te kort op den kant gaan spelen. Op veel plekken heeten ze omdieswil, “'t Menneke met den haak.” In Duitschland is 't bekend, dat de zielkens van de kinder die zoo verdrinken, door de Nixen p3onder eenen omgestulpten[22] pot gezattten werden. Dan gaan deze Watergeesten rond die kruik dansen en zingen om den kleinen gevangenen te plagen. ’s Nachts hoors du zoo dik die zielkens janken en klagen als du alleen bij de wijers staats.
Dat vertelselke zal waal zoo lang blijven bestaan als de moeders bang hebben, dat hun kinder in ’t water reddelen en verdrinken. ze zouden ter zoo gemakkelik inrammelen en omdieswil moeten zij ze mer den schrik op ’t lijf jagen voor ’t Menneken met den Haak
IV De Aschepoesterkens zijn een soort van elvermennekens, die ’s nachts het vuur kwamen aanhouden, in den tijd dat er nog geen zwegelkens[23] of stoskens en waren, en dat de menschen ’t vuur onder de asche reekten. In d’asche van den heerd zaten ze immeraan, mer zoo haast als er wat laweit in ’t huis gemaakt word, gongen ze ter van door.
’t En was geen goed teeken als die huisgeestekens niet meer en kwamen. - Ik geloof het wel, want als de stilte en de rust ’s nachts verstoord werden, dan is er ook iets dat niet goed en is; ofwel iemand die trakt om ’t huis te komen, ofwel iemand die ziek ligt, of zoo iets. Dat d’Aschepoesterkens dan mer immertoe ’t huis komen, om ’t vuur te bewaren
V De Grijze Meer en de nachtmerrie zijn nog twee kwade zwertalven.[24]
De eerste zit in den domp verstoken, die ’s avonds van de broeker optrekt. Daarveur heet die grijze mist, die zoo geheimzinnig opkomt ik en weet whij en van waar, ook gewoonlik zelf de grijze meer, bv. in ’t Haspengouw.p4De tweede komt ’s nachts de menschen als een beer op de borst liggen en de peerden in den stal plagen en kruisen.
Zet ’s avonds uwen rechtschen voet ’t eersten in ’t bed, zoo zegt het volk toch, laat uwe klonken met de muil naar u toe staan gapen, hangt eene kruidwisch tegen den wand van den stal, en ze zal u of uw peerden niet en dorren plagen.
De menschen en hebben van deze naturelike krankheid geenen uitleg konnen vinden, en hebben daarom een soort van geest, eene zwertalf als den oorsprong tervan aanzien. Zoo zoekt het volk van alles eenen uitleg, en in den tijd dat het de oorzaak en de beteekenis van den Donder, den Zomer, enz, enz, nog niet en wist heeft het tot eene alike rei van valsche gotten besloten (?). Zelfs allewijl hoort ge als uitlegging van den Donder : “Sinte Pieter is boven de wolken aan ’t kegelen.”
God zij geloofd dat wij niet meer in dat oud wangeloof opgetrokken werden, en dat wij de eenige en eerste oorzaak van alles kennen:
daer alle dinghe euwelec siin in,
den sone die dbegin es van den beginne,
den heiligen geest[25] - - - - - - - - - - - - - -
De vader, hi vermaght al gader;
de sone, hi es de wiisheit dies vader;
de heilighe geest, hi es so goet![26]
p5Aristoteles, de Stagyriet,[27] Ctesias,[28] Pomponius Mela,[29] Plinius – de H. Augustinus, de Sint Hieronymus en menigen anderen Kerkvader - die gewagen allegaâr van alike stammen van Dwergen die overal moeten bestaan hebben voor de Historische volkeren Ja, tot in Africa toe bestonden ze: dat komen ons Diodorus van Siciliën en Strabo getuigen; -ja, tot in Asië, whij ’t ons de oudste annalen van Japan bewijzen.
III In ’t middelen van Europa zullen wij Duitschland opteekenen.
Hier zijn ze gekend onder den naam van Wicht, Ding, Kobolt, Hold, Henselmänchen, enz.
De Nibelungen (Nevelingen), in de oude zagen, zijn Dwergskens die diep in de eerde schatten opgraven, en ’t goud in hun rotsspleten en holen bearbeiden.
De dwergen waren hier fijne smeden en goudbewerkers, en hun koningen, zooals Wieland, Goldemar, Rubezaal,[30] Elberich, enz, waren de henstigste.
Ortnit (in een gedicht uit de 13ste eeuw) op zoek naar Aventuren, vond onder eenen grooten lindeboom een klein kind liggen te slapen. ’t Droeg om zijn leden een wonderschoon gewaad, met goud en edelgesteentens versiert whij die oud noch jong ooit een dragen zaags. Hij had wel willen weten, wie dat kind was, en zei hem: waar is dijne moeder, dat du hier zoo alleen in den kulenschaai ligs? Ik zal di geen kwaad doen, daar bist du te schoon voor! En wat draags du een rijk en ridderlik kleed! O, wou God uit den Hemel dat du mijn zoon waars! Vier jaar kons du oud zijn, volgens dijn groodde: waar is toch dijn moeder, mijn aanvallig kind?p6De Koning pakte 't kind op den arm en wou het na zijn peerd dragen, mer hij kreeg van den kleinen zoo een stoot tegen de borst dat hij hem niet verder meer en kost dragen.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Nu, zegt mij toch, kleine, wie du bist? Toen sprak de kleine: ik ben een wilde Dwerg, en bezit in Lamparten bergen en dalen in overvloed.
Nu, zegt mij toch, kleine, whij du heetst? Wils du mij noemen dan zegt mer: Alberich; ik ben koning als du; al hebst du veel landen ik heb er nog wel drijmaal meer; en zooals du op eerde hebst geld en goed, ik ook heb onder d'eerde al wat ik wil; en ik werp, whij ‘t mij belieft, mijn zilver en goud rond, en al die ik geerne zie maak ik rijk als water diep.
Dat Dwergsken was de vader van Ortnit zelf!
x
x x
Deze overlevering is dus overoud en algemeen. In den ouden tijd nogtans bestonden ter tusschen de volkeren geene onderhandelingen, whij nu; daar waren geene dagbladen noch tijdschriften; en toch was die zage in heel Europa gekend. Ze moet dus op de waarheid rusten! Ons attas hielden overal vol, dat ze deze mennekens hier gevonden en verslagen hadden. Hadden ze deze zaag uit hunnen vinger gezoken, dan zouden ze toch slimmer geweest zijn van te zeggen, dat ze heel groote Reuzen hier aangetroffen en overrompeld hadden. Daar had nog wat eer ingestoken!
Omdieswil besluit ik, dat er vroeger een volk bestaan heeft dat aan leiding tot zoo een vertelsel gegeven heeft.p7Dat voorhistorisch volk stamde natuurlik af van Adam, want “God deed van éénen alle de geslachten komen, die over de alike eerde wonen.” 't Waren ook zonen van Noah want Noah aleen met zijn huisgezin is aan den Zondvloed ontsnapt.
't Zal dus dat volk geweest zijn dat hem 't eerste van den toren van Babel verwijderd heeft, en misschien wel de nazaten van Cham.[31]
x
x x
Volgens dat stelsel zullen wij de Kempensche overleveringen eens uitereen doen.
De vloek van Noah over Cham, de ondeugd van dat volksken in eenen grilligen graad, 't overspannen werk van menschen die 't eerste de wereld op een nieuw moesten gaan ontginnen, zullen wel genoeg geweest zijn, tunkt mij, om de Dingen, Antinen, Hussen, Kabouters enz enz eenige spannen kleinder te maken als de gewoon menschen.
Nu, de andere volkeren, de Historische, die na hen uit Asiën afgedrommeld kwamen, en hen overwonnen en verdreven hebben waren sterke, reusachtige lui. 't Geeft omdieswil geen wonder dat deze de onnoozelheid van de overwonnen fel overdreven hebben, en ze op den langen duur tot de groodde van een wicht van vier jaar, of zelfs later tot anderhalven voet deden dalen.
Bij de aankomst van de ander volkeren waren de Alvermennekens gedwongen van hen in holen van bergen en in 't donker van de bosschen te versteken (daarvoor heeten ze Eerd- of Bergmennekens), en van 's nachts bij p8eentige medelijdende menschen te gaan werken om hunnen kost te verdienen.
Zoo moeten ze in 't begin van 't Kristendom uitgestorven zijn, want de menschen zeggen dat den Angelus ze heeft voortgejaagd.
In 't begin worden ze van hun overwinners veracht, mer later, als ze weg waren als klein gottekens aanzien, met de Alven verward en Alvermennekens geheeten. Hun leven in verborgen klooven en krochten, hun werken in den nacht was ook zoo geheimzinnig, zoo spookachtig; en onze noordsche volkeren bezonder, waren zoo eenvoudig, zoo bijgeloovig en zoo genegen voor 't geheimzinnige!
Op die wijs valt het gebruik goed uit te leggen, dat onze voorouders tot in de 8ste eeuw bewaarden, van aan den ingang van de verlatene holen en spelonken eten en drinken te gaan zetten, met ik en weet niet wat een bijgeloovig gedacht. Dit gebruik is gemeld in veel geschriften van dien tijd en in verschillige gewestelike kerkvergaderingen, want de Kerk veroordeelde een gebruik dat doen nog aleen een wangeloovigheid kost zijn.
Een lesken over de vergelijking, bij ’t volk gehaald -
Ieder Vlaamsch dichter mag bij ons Vlaamsch volk gaan les halen, dunkt mij, wilt er de wetten kennen van de eigenaardige en natuurlike, passende en dichterlike beeldspraak of vergelijking. Mer de geleerde of schijngeleerde vraagt zoo voor een goeden raad aan den ongeleerden en menig slimmerik meent dat het braaf wat wijzer en treffeliker is van in Griekenland of - te Roomen oranjen - of olijfboomen gaan te halen die er hier komt laten verkraatsen[33] en vergaan, als dat er den edelen eik en den liefeliken keersenboom van zijn eigen land zou kweeken en verzorgen voor ’t kostelik hout of de lekker vrucht.
Zoo gelooft ook menig dichter of schijndichter dat er noodzakelik, om echten zang te zingen, de Grieken of Latijnen moet nadoen, van buitenlandsche, onnatuurlike, onbegrepene en voor ’t volk onvattelike schoonheden dichten moet. Der schildert er mij bijv. zwitsersche bergen, die hij, noch zijn lezers nooit en zagen, beschrijft en bezingt den blauwen Italiaanschen hemel waar dat er nooit ondergestaan heeft, spreekt mij van goden en godinnekens die goddanken al lang gestorven zijn en - de dichter werkt met beelden om beter te schilderen en sterker te roeren - maakt er mij vergelijkingen met zaken en wezens die somwijlen heel en gansch onbekend zijn, wilt ijs bij vuur doen passen, goud met verguldsel besmodderen en den weelderig gehaarden kop met een vremde pruik van dood haar versieren.
’t Eenvoudig mer dichterlik volk is veel redeliker, wilt het de kracht en den zin van gedacht of gevulen versterken en verkleren. ’t En vraagt hem niet af: hoe zou Homeer of Virgiel dat zeggen, in wat voor een landstreek gaan ik mijn beeld nu halen? - Neen, het hoeft immers zijn oogen mer op zijn land latenp2te vallen, in zijn eigen wonder natuur te lezen, om zijn gedacht of zijn gevulen treffend en levendig leeren te verbeelden.
Zijn oog en is niet gemaakt om den schitterenden hemel der oostersche landen te bewonderen, mer ze vindt toch zoo treffende schoonheden in den bleeken Noordschen hemel.
’t Laat dan ook geren den kemel aan den Araab en den leeuw in zijn woestijnen en vindt zijnen os en zijn peerd, sterk en schoon genoeg voor hem. In Kempeland en vindt ge geen slangen, mer meester Reinaard is er bekend whij kwaad geld.
Wilt ons heiboerken nu iemand zijn slimmigheid en doortrokken streken doen uitschijnen: “ laat hem los! ‘t is ne vos!” zegt het u al knipoogend, en gij kent uwen gast.
En ziet het mij toch eens aan! Al ‘t gedierte dat in Kempeland en Limburg t’huis is of ooit t’huis was, heeft daar zijn plaatsken gekregen in de volksvergelijkingen:
zoo slim als een vos; – zoo valsch als een kat; – zoo lomp als een kalf; – zoo hol als een koei; – zoo lui als een verken; – als een das; – zoo hel als een bijken; – zoo gezond als een visch in ’t water; – zoo zuut als een lam; – zoo kwaad als een rups; – zoo gulzig als een wolf; – zoo sterk als een peerd; – zoo ziek als een hond; – zoo blind als een mol; – zoo klein, zoo stil als een muisken; – zoo vet als een sleks; – als een das; – zoo mager als een specht; – zoo zot als een musch; – zoo grijs als een duif; – zoo rap als een eekhoornken; – loopen whij een haas, whij een hert; – springen whij een konijn; – zingen whij een nachtegaal; – whij een klijster; – schedderen whij een ekster; – snurken whij een os; – kakelen whij een hin; – vechten whij hanen; – een mensch whij een beer; – whij een iegel; – ’t Is een ratteke! een wezel! een uil! enz; enz; enz.
Mer nooit zult ge den eenvoudigen kempeneer hooren zeggen: loopen whij een struisvogel; brieschen whij een leeuw, gelijk ’t de lieden van ’t struisvogels- en leeuwenland wel zullen doen.p3Ieder land immers, ieder gouw, ja, heeft eigen vergelijkingen die voor hem allemaal even treffend en waar zijn.
Ik hoef mer naar Vlaanderen, 't oude land der wevers te gaan om hooren te zeggen: zoo zot als een haspel. Hier zeggen ze liever: zoo gek als een rad.
“Zoo lang als een hommelperse (hopstaak)” zegt de Vlaander weer; – “zoo lang als een boonstaak” is 't woord van den Kempeneer, die meer aan boon - als aan hopstaken gewend is.
En gaat niet denken dat het volk mer op geraakt aan en van lieverlede vergelijkt. Bij lange niet! Doorgrond zijn vergelijkingen mer eens, en ge zult seffens ondervinden dat het pront en alleen die wezens en zaken voor vergelijkinspunten pakt die de onmiddelik treffende en wonder uitkomende eigenschap bezitten waar 't zijn gedacht meê verbeeldt en versterkt, en komen er somwijlen eens manke vergelijkingen te berde, 't zijn er gewoonlik die éénen mensch aleen eigen zijn en die nooit algemeen gebruikt en worden.
Wat is er bijvoorbeeld al heller en levendiger op de kempische hei te zien als 't erg en ieverig bijken dat er in den blijden zonneschijn over ronkt en wippenterens van bloemken op bloemken, hun kelkskens zoo neerstig leêgpompt? Wat maakt er al meer beschaar en laweit in ons stil dennebosschen als de ekster die er aan 't schedderen is, wanneer ge er komt of niet? Wat verbeeldt er al treffender de belachelike woede van een krikkel[34] mer onmachtig vrouwmensch, als de rups die heur ineenkrimpt en uitrekt en heuren stekeligen rug, zoo driftig doet plooien en golvelen dat alles roert en vechten wilt wat aan heur is, als ge ze eens aanraakt met ... een strooispierken?
Hoe sterk doet de Vlaming, 't gedacht van felle groodde, hoogde en breedde niet uitkomen als er uitroept: een mensch whij een boom! Zoo hoog als de kerketoren! een kot whij een schuurdeur! En als er zegt: zoo diep als de kerketoren hoog is, treft u zijn gedacht dan minder als dat van den zeeman die zegt: zoo diep als de zee ofp4als dat van den bergbewoner den afgrond voor voorbeeld van diepde pakt? Zoekt mij al treffender vergelijkingen als de volgende, die alle oogenblikken van de lippen onzer landsliên afrollen:
– zoo zwart als een moor, als een moren, als pek, als de schouw; – zoo geel als een wesp, als was, als een peer; – zoo gruun als gras; – zoo rood als bloed, als vuur; – zoo donker als de hel; – zoo kleer als de zon, als de dag, als water; – zoo rap als de wind die waait, als een pijl uit den boog; – zoo zeker als goud; – zoo zwaar als lood; – zoo hard als steen; als staal, als een kei; – zoo scherp als een naald, als een mes, als een schaars; – zoo malsch als boter; – zoo vet als spek, modder-, of moosvet; – zoo mager als een stek, als een graat, houtmager; – zoo zuut als honing, als suiker; – zoo zuur als eek;[35] zoo bitter als roet, als gal; – zoo zacht als zijde, als een veêr; – zoo rijk als water diep (is); – zoo arm als Job, als de straat; – zoo oud als de straat; – zoo dun als een lat, als een haarspier; – zoo rond als een bol; – zoo sterk als ijzer (passivè), als een peerd (activè); – zoo heet als een oven; – zoo koud als ijs; – zoo vlak als de hei; – zoo droog als poeier, als een stokvisch; – zoo bleek als de dood; – zoo recht als een keers; – zoo lekker als haas ('t lekkerste wat er is, meent het volk) que di rôsti, zegt de Waal; – zoo licht als een pluim; – zoo stijf als een plank; – zoo doof als een steen, als een visch, als een port;[36] zoo gek als een rad, als een deur; – zoo blij als een kind; – grinsen[37] whij een kind; – honger hebben whij een heimaaier; – klinken whij een bel; – schreeuwen of ge in een tang hangt; – enz. enz. Daar worden er zόó bij honderden gehoord.
Ge zijt daar door den duur zoo danig gewend aan die vergelijkingen, dat ge de schoonheid, de dichterlikheid en levendigheid er of bekans niet meer gewaar en werdt.
Mer ga ze eens na, ontleed er den waren zin eens van, zoek eens waarvoor het volk ze zόόp5gedicht heeft en ge zult dik verbowereerd staan voor de schilderachtigheid en den rijken zin der eenvoudige en korte beeldspraak.
Want iedereen weet het en moet het gevoeld hebben: die korte vergelijkingen doen dikwijls een gansch tafereel vol leven voor onze verbeelding komen,[38] schilderen ons een levend wezen in de volle waarheid en dichterlijkheid van zijne eigenaardige natuur.
Zegt ge, bijvoorbeeld: zoo sterk als een peerd, ge hebt het edel dier voor u staan met zijn gespierde leên en zijn stralenden blik; “ ’t is zoo scherp als een naald!” roept ge uit en ge voelt ze u bena in uwen vinger bijten; “zoo zuut als honing” smetst ge wellustig en ge vuult hem smelten op uw tong; “zoo koud als ijs!” gilt ge, en ge rijst van de kou bij ’t gedacht; “zoo sterk als ijzer. “... o ‘t edel metaal, dat harder werdt, hoe meer dat ge er op hamelt!
En wat is mij ’t volk fijngevoelig in zijn keus! Wat weet het de kleuren en tinten der dingen dik kunstig te ontdekken en doen uit te schijnen!
Zoo, bijvoorb., om de groote wittigheid en netheid van een voorwerp te bedieden, heeft het verschillige vergelijkingen, mer denkt niet dat het ze allegaâr zal gebruiken om één zelfde gedacht te verdutschen. Neen, ge zult hem nooit hooren zeggen dat een lijk zoo wit is als zilver, dat een mensch zoo wit als sneeuw word van den schrik noch dat een kleer en gezond vel zoo wit is als een wand. Want de glans van ’t zilver, de maagdelike wittigheid van den sneeuw, de gemaakte, blasse[39] en fletsche kleur van den wand, bedieden ieder een bepaalde wittigheid en geen ander. Is ’t zόό niet?
x
x x
Nog een bewijs van de waarheid en gepastheid der volksvergelijkingen is dees: dat ze dik zoo oud zijn en altijd zoo algemeen bekend en gebruikt.
Noem mij een land waar ’t lood en ’t goud bekend zijn en waar ze niet en dienen p6voor de volmaaktste voorbeelden van zwaarde en glans?
Onze Kempeneer en heeft van over lang al geen beren of wolven te zien gehad in zijn bosschen, noch er een hert zien in loopen: toch blijft er zeggen, whij ’t zijn voorouders hem geleerd hebben: een mensch whij een beer, zoo gulzig als een wolf en die loopen kan whij een hert.
Sedert wanneer zijn woorden als: ijskoud, hemelhoog, waterdun, zonnekleer, schatrijk, doodarm, enz. al niet in onzen eigen taalschat geraakt! - Hoe fijngevulig het volk in zijn keus is, ziet ge hier nog uit dat het niet gauw wezens of handelingen als vergelijkingspunten pakken zal, die onzichtbaar zijn, want die en worden niet gemakkelik genoeg gevat noch en zijn zoo schilderachtig als onder de oogen levende en roerende schepsels: “Zoo rap als een pijl uit den boog, als de wind die waait” zegt het volk dan ook veel liever als “zoo rap als een kogel, als ’t gedacht” -
Dan verbeeldt het ook liever met wezens uit Gods wonder natuur, met levendige en ongekrookte schepsels als met doode en onvolmaakte werken van menschenhanden.
’t Eenvoudig volk heeft het doelwit verstaan dat uit ieder schepsel Gods straalt, ’t begrijpt, zonder ’t zelf te weten, den diepzinnigen “sijmbolism” (?) van den natuur, ’t vindt zijn oorbeelden van de een of de ander eigenschap zóó gemakkelik in de wijs schepping, dat ge waarlik den dichter moet gelijk geven die zoo wonderschoon gezongen heeft:
der naturen stemme klaar,
der naturen stem die Gods is.
_________________________________
Zalig hij die niet te trotsch is
om de lessen ga te slaan
______
die van God geschreven staan,
‘t zij met blommen, ‘t zij met sterren,
‘t zij hier bij ons, ‘t zij daar verre en
‘t zij ze spreken ofte niet,
p7al de talen die men ziet
in den glim van rooze of druive,
in den eenvoud van de duive,
in de driestheid van den hoen,
in den zotten kallekoen,
in wat, voor die luisteren wil,
spreekt, aan 't herte sprekend, stil:
't wezen, 't werken en 't gebod
van den goeden grooten God.
( G. Gezelle, Pachthofschilderinge)
Ja, die lessen "van God geschreven" heeft het eenvondig mer verstandig volk begrepen en als het den verdierlikten of den valschen mensch den onteerende naam van het dier geeft waar ons Heer den duivel der onkuischheid in joeg, of dien van 't serpent waar onze aartsvijand hem in verstak om de onnoozel vrouw doen te vallen, bewijst het dit kleer genoeg.







