<Resultaat 204 van 2182

>

p1
Mynheer en Eerweerde Vriend,

Ik ben uitdermate bly dat Gy de moeite doet van ons te schryven over Fr. Weale vooreerst, en dan over M. Buckley.

Dat Francis preusch was, dat heb ik een beetje gezien, maer nooit gepeisd dat hy zou durven met zyn zelven boffen hebben. By ons is ‘t, zoo als Gy zegt, hy en gebaert van geen koude[1] en hy zal hem daer wel van zwichten.

Aengaende den lof dien hy krygt van ons, die is kleene; want ik voor my, ‘k en houde er niet veel van, om jongens te beboffen, vooreerst om ze niet preusch te maken, en alsdan omdat er by de begaefdheden die ze kunnen hebben, nog altijd veel onvolmaektheden te vinden zyn. Zoo, daervan gaendep2moogt Gy gerust zyn.

Maer wat ik allang gezien heb, en waerover hy menigen keer heeft vermaend en berispt geweest, en wat ik ook tegen zynen Papa gezeid heb, is dat hy zoo wel niet meer en leest als in den beginne, en dat hy soms wel zou durven met zyn vingers spelen in de kerke. Dat is het byzonderste waerover dat hy berispt is geweest; en wat hetgene betreft waervan Gy gesproken hebt, weest verzekerd dat wy ons uiterste best zullen doen om hem dat af te breken, en is ’t mogelyk dat hy eens van zyn leven priester worde, dat hy het zal worden.

Nu, aengaende M. Buckley, noch ik die nog al veel by hem ben, noch Mr. Timmerman, die zyn meester is, noch de andere professors, voor zoo veel als dat ze hem kennen, twyfelen geenszins of hy zal priester worden[2]

Dat hy geerne t’ Uliedenp3zou zyn, dat versta ik geheel gemakkelyk; hy zou daer zoo wat meer met Engeland kunnen boffen, peis ik, en beter aenhoord worden; maer het gaet zoo groot dat in Engeland, alles perfect is, en by ons, oh! t’ is al maer crotte en bugt, en onverschilligheid, en werkloosheid. ’T kan wel wat van zyn, niet waer, maer het steekt af, omdat het altyd daerop uit komt. –

Voorders, hy studeert wél; en is godvruchtig.

Dat zyn de voornaemste onderrigtingen die wy over hem kunnen geven, en zy zyn zoo nauwkeurig als mogelyk.

Veel groetenissen van de HH. Timmerman, Van de Maele, en van de andere heeren.

Michel zal U schrijven geheel in ’t korte[3]

Ge weet waerschynlykp4niet dat hy nu al omtrent veertien dagen broeder van liefde gespeeld heeft by een ziek engelschmanneke[4] dat hier nu sedert drie weken toegekomen is, en dry dagen na zyn aenkomst ziek geworden is, aengedaen van de hersenkoortsen. Nu is ’t wat beter; maer indien het geneest, ’t zal van de Doctoors niet zyn, ze zeggen ’t zelve; ’t zal door de menigvuldige gebeden zyn die er voor hem gedaen worden ten allen kante, en voornamelyk ter eer van ’t heilig Herte.

Gelieft het ook in Uwe goede gebeden een weinig indachtig te zyn, als ook Uwen ootmoedigen Dienaer in Christo,
F. De Grendele presbyter.

Noten

[1] Hij doet alsof er niets aan de hand is.
[2] F. Weale ontving zijn priesterwijding te Londen op 07/06/1879. Over de waarschijnlijke priesterwijding van M. Buckley is onrechtstreekse informatie te vinden in een brief van James Chadwick, bisschop van Hexham en Newcastle, aan de Brugse bisschop Faict, gedateerd 23.12.1876 (Briefwisseling Engelsen, III, p. 310).
[4] In het tweede P.S. van zijn brief aan Gezelle van 01/07/1864 schrijft Buckley vanuit Tielt “I have been up 8 nights watching a sick boy, an English boy here.” In deze brief hier is op p. 4 sprake van een “ziek engelschmanneke” waarvoor Buckley al veertien dagen zorgt. Deze informatie laat toe de brief van De Grendele nauwkeuriger te dateren rond half juli 1864.

Register

Correspondenten

NaamDe Grendele, Felix; De Grendel
Datums° Beveren (Roeselare), 05/01/1836 - ✝ Beveren, 11/12/1917
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; onderpastoor; pastoor; auteur
BioFelix De Grendele was de zoon van Ferdinandus De Grendele, wever, en Coleta Degrendele. Hij werd laureaat in de gemeenteschool van Ardooie (1849) en de normaalschool te Torhout (1854). In de personeelslijst van het kleinseminarie te Roeselare staat hij vermeld als onderwijzer aan het Sint-Michielsinstituut (1853-1858). In de "palmares" is hij pas te vinden voor de retorica (1858) en het filosofiejaar (1859). Hij werd leraar aan het college van Tielt op 27/12/1861. Hij werd tot priester gewijd te Brugge op 18/12/1862 door bisschop Delebecque van Gent, die de wellicht zieke Mgr. Malou verving. De Grendele verliet Brugge al na anderhalf jaar theologie. Hij was toen halfweg de twintig en zeker ouder dan de meesten van zijn medestudenten. Waarschijnlijk had hij in Roeselare al bewezen dat hij als onderwijzer in staat was de humaniora in te halen. Vermoedelijk mocht hij nu hetzelfde doen met de theologie. In het college van Tielt heerste een pionierssfeer rond een klein en hecht korps, geïnteresseerd in Engels en de Engelsen en betrokken in de persstrijd. De Grendele kende niet alleen Engels, maar uit de correspondentie van Aloïs Vandemaele met Guido Gezelle blijkt dat hij ook actief was als journalist. Hij had Gezelle daarbij als mentor en was als schrijver een voorbeeld voor Aloïs Vandemaele. Mogelijk heeft Mgr. Malou hem dus in die gespannen jaren omwille van zijn talent en betrouwbaarheid al vroeg in de strijd gegooid. Vervolgens werd hij directeur van de Xaverianenschool te Wervik (23/07/1869), onderpastoor te Anzegem (14/09/1876), pastoor te Koolkerke (19/09/1881), Gijzelbrechtegem (27/06/1884) en Oostkerke bij Diksmuide (10/10/1894).
Links[odis]
Relatie tot Gezelleoud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity; correspondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamDe Grendele, Felix; De Grendel
Datums° Beveren (Roeselare), 05/01/1836 - ✝ Beveren, 11/12/1917
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; onderpastoor; pastoor; auteur
BioFelix De Grendele was de zoon van Ferdinandus De Grendele, wever, en Coleta Degrendele. Hij werd laureaat in de gemeenteschool van Ardooie (1849) en de normaalschool te Torhout (1854). In de personeelslijst van het kleinseminarie te Roeselare staat hij vermeld als onderwijzer aan het Sint-Michielsinstituut (1853-1858). In de "palmares" is hij pas te vinden voor de retorica (1858) en het filosofiejaar (1859). Hij werd leraar aan het college van Tielt op 27/12/1861. Hij werd tot priester gewijd te Brugge op 18/12/1862 door bisschop Delebecque van Gent, die de wellicht zieke Mgr. Malou verving. De Grendele verliet Brugge al na anderhalf jaar theologie. Hij was toen halfweg de twintig en zeker ouder dan de meesten van zijn medestudenten. Waarschijnlijk had hij in Roeselare al bewezen dat hij als onderwijzer in staat was de humaniora in te halen. Vermoedelijk mocht hij nu hetzelfde doen met de theologie. In het college van Tielt heerste een pionierssfeer rond een klein en hecht korps, geïnteresseerd in Engels en de Engelsen en betrokken in de persstrijd. De Grendele kende niet alleen Engels, maar uit de correspondentie van Aloïs Vandemaele met Guido Gezelle blijkt dat hij ook actief was als journalist. Hij had Gezelle daarbij als mentor en was als schrijver een voorbeeld voor Aloïs Vandemaele. Mogelijk heeft Mgr. Malou hem dus in die gespannen jaren omwille van zijn talent en betrouwbaarheid al vroeg in de strijd gegooid. Vervolgens werd hij directeur van de Xaverianenschool te Wervik (23/07/1869), onderpastoor te Anzegem (14/09/1876), pastoor te Koolkerke (19/09/1881), Gijzelbrechtegem (27/06/1884) en Oostkerke bij Diksmuide (10/10/1894).
Links[odis]
Relatie tot Gezelleoud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity; correspondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamTielt
GemeenteTielt

Naam - persoon

NaamBuckley, Michael Joseph
Datums° Cahir, Tipperary, 1837 - ✝ Youghal,
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; antiquair; zaakvoerder; ontwerper van religieuze meubelen
VerblijfplaatsIerland
BioMichael Buckley werd geboren in 1837 in Cahir, Tipperary als de zoon van John George Buckley. Zijn Hij vestigde zich in de Minderbroedersstraat 8, later 7 te Brugge. Uit de brieven blijkt dat hij leerling was aan het kleinseminarie te Roeselare voor het schooljaar 1857-1858 hoewel hij nergens in de Palmares vermeld wordt, maar wel in het Grand Livre Internat. In 1858 vinden we hem terug bij de jozefieten te Geraardsbergen en in april 1861 schrijft hij vanuit Tienen waar hij leraar is in het St.-Stanislascollege. Dan brengt hij een jaar door in het Drievuldigheidscollege te Leuven, een bijhuis van de jozefieten, van oktober 1861 tot juli 1862. Na een kort verblijf te Brugge gaat hij dan naar Château de Magery, Sibret, Province de Luxembourg, waar hij meehelpt aan een of ander godvruchtig werk o.l.v. Count de Rochepaule. Met het oog op een eventuele priesteropleiding ging hij naar het St.-Jozefscollege te Tielt. Zijn verblijf daar wordt betaald door Elga Robinson, vrouw van Arthur Robinson. Ook was hij bevriend met zijn neef Cuthbert Robinson en wilde hij naar zijn voorbeeld binnentreden in de orde van Manning, the Oblates of St. Charles. In januari 1865 schrijft hij vanuit Vigan en vraagt hij Gezelle hem terug te halen naar Tielt waar hij leraar Engels zou kunnen zijn en tevens zou kunnen verder studeren. Hij verbleef ook enige tijd in Portugal. Buckley was een fervent aanhanger van de neogotische beweging en hij stichtte samen met Adolf Duclos, Antoine Neurath en Louis Grossé in maart 1864 de Heilige Beeldekensgilde te Brugge. In 1881 werd hij partner in de firma Cox & Buckley voor religieuze kunst in Londen. Buckley en zijn firma maakten ook glasramen voor kerken. In de volkstelling van 1891 staat hij ingeschreven als vrijgezel, wonend als huurder in Buckingham Street, 17 Londen. Na het failliet van de firma Cox & Buckley verhuisde hij naar Ierland, waar hij in Youghal een glas- en metaalatelier, 'Decorative Arts Guild of Youghal', oprichtte. Hij was er lid van de 'Cork Historical and Archaeological Society'. Verder was hij ook een ontwerper en vertegenwoordiger van de Brugse kunstgilde. In het jaar van zijn overlijden zou hij Belgische kunstenaars naar Youghal halen. Hij stierf op 2 augustus 1905 in zijn huis, Montmorenci, Youghal en hij werd begraven op het kerkhof van North Abbey, Youghal. Hij leverde ook bijdragen aan diverse kunsttijdschriften en hij schreef ook in de "Waterford Journal" (1903) over het verleden van zijn vader John George Buckley die als jonge man, als passagier op een schip naar een familielid in Newfoundland samen met de bemanning was gevangen genomen door een Franse kaper en enige tijd in Frankrijk gevangen zat en er nadien ook geruime tijd in vrijheid verbleef.
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Some past members of our Society (with portraits) Author: J. C. Journal of the Cork Historical and Archaeological Society, 1907, Vol. 13, No 75, page(s) 144-146; https://www.dia.ie/architects/view/747/BUCKLEY%2C+MICHAEL+JOSEPH+CUNNINGHAM+%2A ; https://www.findagrave.com/memorial/183826712/michael-joseph_g-buckley ;
NaamDe Grendele, Felix; De Grendel
Datums° Beveren (Roeselare), 05/01/1836 - ✝ Beveren, 11/12/1917
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; onderpastoor; pastoor; auteur
BioFelix De Grendele was de zoon van Ferdinandus De Grendele, wever, en Coleta Degrendele. Hij werd laureaat in de gemeenteschool van Ardooie (1849) en de normaalschool te Torhout (1854). In de personeelslijst van het kleinseminarie te Roeselare staat hij vermeld als onderwijzer aan het Sint-Michielsinstituut (1853-1858). In de "palmares" is hij pas te vinden voor de retorica (1858) en het filosofiejaar (1859). Hij werd leraar aan het college van Tielt op 27/12/1861. Hij werd tot priester gewijd te Brugge op 18/12/1862 door bisschop Delebecque van Gent, die de wellicht zieke Mgr. Malou verving. De Grendele verliet Brugge al na anderhalf jaar theologie. Hij was toen halfweg de twintig en zeker ouder dan de meesten van zijn medestudenten. Waarschijnlijk had hij in Roeselare al bewezen dat hij als onderwijzer in staat was de humaniora in te halen. Vermoedelijk mocht hij nu hetzelfde doen met de theologie. In het college van Tielt heerste een pionierssfeer rond een klein en hecht korps, geïnteresseerd in Engels en de Engelsen en betrokken in de persstrijd. De Grendele kende niet alleen Engels, maar uit de correspondentie van Aloïs Vandemaele met Guido Gezelle blijkt dat hij ook actief was als journalist. Hij had Gezelle daarbij als mentor en was als schrijver een voorbeeld voor Aloïs Vandemaele. Mogelijk heeft Mgr. Malou hem dus in die gespannen jaren omwille van zijn talent en betrouwbaarheid al vroeg in de strijd gegooid. Vervolgens werd hij directeur van de Xaverianenschool te Wervik (23/07/1869), onderpastoor te Anzegem (14/09/1876), pastoor te Koolkerke (19/09/1881), Gijzelbrechtegem (27/06/1884) en Oostkerke bij Diksmuide (10/10/1894).
Links[odis]
Relatie tot Gezelleoud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity; correspondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamTimmerman, Pieter Jan; Timmerman, Jean
Datums° Oostnieuwkerke, 13/10/1838 - ✝ Kortemark, 02/05/1908
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; onderpastoor; pastoor
BioPieter Timmerman was leerling aan het kleinseminarie (1853-1859) van Roeselare. Hij werd tot priester gewijd te Brugge op 18/12/1862) en werd in februari 1862 leraar syntaxis en grammatica in het college te Tielt. Hij was achtereenvolgens onderpastoor te Bulskamp (16/01/1867 ), Moorslede (11/09/1867) en Roeselare (10/01/1872), pastoor te Bovekerke (15/10/1879), te Zonnebeke (28/07/1883) en te Kortemark (19/07/1895). Ter ere van zijn intrede als pastoor van Kortemark in juli 1895 schreef Gezelle het gedicht Al temmerhout in Cortemarck en is het niet; nochtan.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; oud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity; gelegenheidsgedicht
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamVandemaele, Aloïs
Datums° Zwevegem, 09/06/1834 - ✝ Asper, 06/03/1912
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; directeur klooster; aalmoezenier; pastoor
BioAloïs Vandemaele werd geboren te Zwevegem als zoon van een bakker. Hij studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare. De vier jaar jongere Vandemaele leerde er Gezelle kennen die er toen ook leerling was (schooljaar 1849-1850). Gezelle vertrok om te studeren aan het grootseminarie te Brugge. Vandemaele begon vanuit Roeselare zijn correspondentie met Gezelle. Zijn eerste bekende brief dateert van 15 december 1850, Vandemaele was toen 16 jaar. Hij en Gezelle waren dus schoolvrienden. Na zijn seminarieopleiding keerde Gezelle terug naar het kleinseminarie als leraar waar hij ook les gaf aan Vandemaele tijdens het schooljaar 1854-1855. Vandemaele deed zijn intrede in het grootseminarie te Brugge op 01/10/1856. Als seminarist werd hij lid van Gezelles Confraternity. Op 01/10/1859 werd Vandemaele leraar fysica en wiskunde aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge en op 17 december van dit jaar ontving hij zijn priesterwijding. Op 10/04/1861 werd hij leraar Latijn, Engels en wiskunde aan het Sint-Jozefscollege te Tielt, waar hij via Guido Gezelle Engelse studenten naartoe trachtte te krijgen, in eerste instantie om zijn studenten beter hun Engels te kunnen laten oefenen. Het was de bedoeling om hen na de collegetijd in Tielt door te sturen naar het Engels seminarie in Brugge, zodat zij als priester het katholieke geloof zouden verspreiden in Engeland. Op 22/04/1868 werd hij onderpastoor te Oostrozebeke (Sint-Amandskerk) en op 24/05/1871 te Poperinge. Daarna werd hij overgeplaatst naar Kortrijk waar hij op 08/10/1874 bestuurder werd van de Congregatie van de zusters Paulienen en tevens aalmoezenier van de gevangenis. Op 26/10/1878 volgde zijn eerste aanstelling als pastoor te Oostduinkerke (Sint-Niklaaskerk), en daarna, op 06/02/1889, werd hij nog pastoor te Lauwe. Op 23/02/1900 nam hij daar ontslag.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; schoolvriend; oud-leerling; aanvrager gelegenheidsgedicht (Te Lauwe)
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamWeale, Francis Lawrence; Weale, Frank
Datums° Islington, 15/11/1855 - ✝ Reading, 28/05/1906
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; kapelaan; rector
VerblijfplaatsEngeland
BioFrancis Weale was het eerste kind van W.H. James Weale en Helena Walton. Hij was leerling aan de bisschoppelijke colleges te Tielt en Brugge, waar hij les kreeg van Hugo Verriest. Hij studeerde verder voor priester aan St. Edmund's, Ware en St. Thomas's Seminary, Hammersmith, Londen. Zijn priesterwijding ontving hij te Londen op 07/06/1879. Hij was kort kapelaan te Farnham en te Tichborne (1883) en sedert 1880 priester aan de St James' Church te Reading. In 1884 volgde hij L. Hall op als rector (hoofdpriester) in Reading. Hij overleed in Reading op 28 mei 1906.
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamWeale, William Henry James; Francis Mary of the Angels
Datums° St. Marylebone, Londen, 08/03/1832 - ✝ Clapham, Londen, 26/04/1917
GeslachtMannelijk
Beroepkunsthistoricus; conservator; auteur
VerblijfplaatsEngeland
BioWilliam Henry James Weale werd in London geboren op 8 maart 1832 als zoon van James Weale en Susan De Vesien. Hij studeerde Grieks, Hebreeuws, geschiedenis en theologie aan King's College, Londen (1843-1848). Hij kwam in contact met Frederick Oakeley, kapelaan van St. George's Southwark en bekeerde zich onder zijn impuls op 09/02/1849 tot de Rooms-Katholieke Kerk. Oakeley werd pastoor te St. John, Islington en deed een beroep op James om een kloostergemeenschap te stichten. Weale was toen brother Francis Mary of the Angels. Met een groepje bekeerlingen kwam hij voor de eerste keer naar Brugge voor de bisschopswijding van Mgr. Malou. Hij reisde doorheen België. Vervolgens was hij een korte tijd ambtenaar. Hij gaf daarna les aan een Katholieke armenschool voor Ierse kinderen verbonden aan de kerk van St. Johannes de Evangelist in Duncan Terrace. Daar werd hij op heterdaad betrapt door getuigen terwijl hij een jongen met een lineaal mishandelde. De jongen was ondertussen bewusteloos. Weale gaf toe dat hij een opvliegend karakter had. Voor het ernstig afranselen van die zesjarige leerling John Farrell, werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Hij vertrok op een lange reis door Europa waardoor zijn interesse voor de middeleeuwen en kunst werd opgewekt. Op 30/08/1854 huwde hij met Helena Amelia Walton. Ze kregen 11 kinderen. In december 1854 kwam hij naar Brugge, waar hij zich in 1857 definitief vestigde. Hij maakte kennis met de gebroeders Bethune, de architect Brangwyn en King, belangrijke vertegenwoordigers van de christelijke kunst en bouwstijl in Vlaanderen. Weale bestudeerde de kunst en de liturgie van de middeleeuwen. Hij ontdekte verloren kunstwerken en identificeerde schilders. Hij was lid van de Commission royale d'art et d'archéologie (1860) en briefwisselend lid van de Belgische Koninklijke Commissie voor monumenten (1861). In 1863 was hij ook de stichter van de Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas die de studie van de oude christelijke kunst ging stimuleren. Hij was ook medestichter en de eerste conservator van de Société Archéologique. Deze vereniging richtte het eerste historische museum van Brugge op, de voorloper van het huidige Gruuthusemuseum. Samen met Gezelle stichtte hij 'Rond den Heerd' (1865) maar zette de samenwerking stop op 26/05/1866. Hij schreef talrijke artikels en bijdragen tegen betaling. In 1863 ging hij als vertegenwoordiger werken voor de firma Chance Brothers Glass Works in Birmingham. Hij leverde o.m. glas aan Jean Bethune en Samuel Coucke. In 1872 werd hij verbonden aan het South-Kensington Museum en belast met het catalogiseren van Nederlandse kunstvoorwerpen. Op 03/08/1878 verliet hij Brugge en vestigde zich te Clapham, Londen. Hij importeerde er o.m. liturgische boeken voor de uitgevers Desclée de Brouwer (1883-1885). In 1890 werd hij conservator van de National Art Library in South-Kensington maar werd in 1897 tot ontslag gedwongen. In 1899 organiseerde hij in de New Gallery te Londen een tentoonstelling over de Vlaamse Primitieven, gevolgd door een grote tentoonstelling in Brugge in 1902. Enkele belangrijke werken: 'Guide book for Belgium', 'Aix-la-Chapelle and Cologne' (1858), 'Bruges et ses environs' (1862), 'Hans Memlinc' (1865), 'Bibliographia Liturgica' (1886), 'Analecta Liturgica' (1889), 'Bookbindings in the National Art Gallery' (1898), 'Hubert and John van Eyck' (1908).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; vriend; Rond den Heerd; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Karen Ellis Rees, William Weale, Brother Francis and the Bad Boy. Op: London Overlooked. True Stories from the Old Smoke: https://london-overlooked.com/weale/

Naam - instituut/vereniging

NaamSint-Jozefscollege Tielt
BeschrijvingHet Sint-Jozefscollege werd gesticht in 1686 als Latijnse School door de Minderbroeders. Na een onderbreking in de Franse tijd werd terug heropend in 1830 door de Minderbroeders. Vanaf 1848 viel het volledig onder de bevoegdheid van het bisdom. Daardoor waren er nauwe contacten met het kleinseminarie. Er werden ook Engelse leerlingen gehuisvest. Gezelle had er contact met oud-leerlingen, leraars en principaals.
Datering1830
Links[odis]

Titel[rond 15/07/1864], [Tielt], Felix De Grendele aan [Guido Gezelle]
EditeurPaul Thoen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderDe Grendele, Felix
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[rond 15/07/1864]
VerzendingsplaatsTielt (Tielt)
AnnotatieDatum gereconstrueerd op basis van brief van Buckley aan Guido Gezelle van 01/07/1864 nr. 4629; in het tweede P.S. schrijft Buckley vanuit Tielt: "I have been up 8 nights watching a sick boy, an English boy here." In deze brief hier is op p. 4 sprake van een "ziek engelschmanneke" waarvoor Buckley al veertien dagen zorgt. Deze informatie laat toe de brief van De Grendele nauwkeuriger te dateren rond half juli 1864. ; adressaat en plaats gereconstrueerd op basis van de brieftekst.
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, 209x134
blauw, vierkant geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 linksboven: 1863? // M. Buckley // in Thielt (potlood, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7534
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|13895
Inhoud
IncipitIk ben uitdermate bly dat Gy de
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.