Op den achter kant van uw geëerd tijdschrift, lees ik dat alle bydragen, de minste zelfs, met eene dankende hand zullen aanveerd worden;[3] na zoo eene vriendelikke uitnoodiging, kan ik aan de genegenheid niet weerstaan U myne kleine opzoekingen en vindingen mee te deelen. Ik beweer niet iets byzonders gevonden te hebben, ‘t is zelfs mogelik dat de woorden ergens anders opgenomen zijn, of dat gy ze reeds kent; maar ik beroep my nog eens op bovengemelde uitnoodiging, en voeg er by: ik ben onervaren in het vak. Ik geef U dus voor de woorden alle mogelikke uitleggingen, en laat het aan U over, te volledigen hetgeen U mocht bevallen. Ik begin dus:
1. - Aker, (mannelik) zegt men te Peer veel voor emmer of ketelp22. - Belloor, (gemengde o) heb ik te Peer eens gehoord. Dit is de uitlegging, die men my gaf van het woord: Dat is een theepot met een kraantje aan, onder kan men bluschkolen indoen, om den thee werm te houden. Zulke trekpotten wierden vroeger gebruikt als men natbezweet gedanst was op de bal.
3. - Bōtterik, (mannelik) Een houten getuig, dat men in de keuken, en misschien elders ook, achter en voor op de kar zet, als er hooi, koren, mutsaarden, enz. moeten vervoerd worden, opdat het hooi, enz. niet voor of achter zou afschieten.
4. Brikkelen, (onzijdig werkwoord). “Wat ligt ge daar op uwen stoel te brikkelen, moet ge er afvallen!” Te Peer gehoord. - Alzoo wordt brikkelen gebruikt overal, waar men ‘t gedacht van zich in gevaar te stellen wil uitdrukken. B.V.: met vuur brikkelen; - aan ‘t water brikkelen. - Die zoo iet doet, heet brikkeleer. Zou daar soms het latijnsche periculum niet inzitten?
5. - Brods, (mannelik zelfstandig naamwoord) (de o luidt gelijk in brommen). Het wordt gezegd van een diklyvigen jongen. “Wat voor een brods komt daar aangekwatst!” te Peer gehoord.p36. - Broek, of brok, als de o luidt gelijk in brommen. (vrouwelik zelfstandig naamwoord) = Broeihen.[4]
7. - Brombeer, (vrouwelik zelfstandig naamwoord) - beren (zuivere e); dat zijn dikke zwarte beziën[5] die, in heggen, aan dorenstruiken wassen. “Foei! eet die bromberen niet op; Bartholomeus is er, van den nacht, met zijn wit peerd overgereên; ze zijn allegaar vergiftigd!” te Peer gehoord -
8. - Bronker. (mannelik). Bronkers zijn dikke gekleurde boonen, waar de kinderen mee spelen, en zy gelden voor twee kleine boonen.
9. - Dam. (vrouwelik) = is het hout aan de karberriën vastgemaakt, om onder de berriën te plaatsen, als men de kar wil recht zetten.
10. - Dras, (mannelik zelfstandig naamwoord) = de uitgetrokken koffie, die onder in de pot blijft.
11. - Eikemolder, (mannelik): wordt te Peer gezegd voor Meikever, of Moleneer.
12. - Fernijnken, zoo heet men te Peer een vlinder.
13. Enselen, (onzijdig werkwoord) = is steekelen, krakeelen, twisten zonder ophouden voor eenep4 nietigheid. “Is dat enselen nog niet gedaan? ik zal seffens eens tusschen bei komen!” te Peer gehoord -.
14. - Gracht, (mannelik). zegt men, te Peer en rondom, tegen de opeengeschoten aarde, waar de heggen opstaan, in de velden. Dus den zin, die ‘t woord gracht, thuis heeft, is ‘t tegenovergestelde van den gewonen zin.
15. - Gravelen, (onzijdig werkwoord), = is binnensmonds of halfluid over alles klagen en grommelen, als ware er niets gelijk ‘t behoorde; - dus: ontevreden zijn zonder reden, en die ontevredenheid uitdrukken met vervelende woorden. Die zoo doet, is een graveleer. ‘t Schijnt dat er de oude menschen onderhevig aan zijn: - “Ik kan zyn gegravel niet meer uitstaan; dat is den ganschen dag door zonder ophouden!” — ‘Och! ‘t is een oud mensch, wat kunt ge er aan doen!” te Peer gehoord.
16. - Heilige-Geest, (mannelik zelfstandig). Zoo heeten by ons groote witte boonen met roode spikkels op. De kinderen spelen er mee, en gelijk de Bronker, telt een Heilige-Geest voor twee kleine boonen.
(te vervolgen.)p5Vervolg.
17. - Heksel, (onzijdig zelfstandig naamwoord), wordt te Peer gebezigd voor het ondereengemengeld hooi en strooi, dat met de scherfbank klein gesneden wordt, en tot voeder voor het vee moet dienen, in den winter. Te Lommel heet men dat kapsel. Zou daar geen hakken en kappen inzitten?
18. - Karwāts, (vrouwelik zelfstandig naamwoord), wordt gezegd tegen de zweep, die men gebruikt als men te peerd of met de koets uitrijdt. Somtijds ook voor eene zweep met vele ledere riemen aan, die dient om ‘t stof uit de kleederen te slaan. De zweep, die langs de kar gebruikt wordt, heet smak te Peer, en klap te Lommel. My dunkt, dat zijn klanknabootsende woorden.
19. - Hoort [6] (vrouwelik), is een getuig van wisschen of latten gemaakt, en wordt gebruikt om er verschgebakken koeken, wittebrood, enz. op te zetten.
20. - Kouhand, (vrouwelik), is een yzer, dat men by de boeren aan de heerdstede vindt, en dat gebruikt wordt voor potten af te nemen en op te zetten, om de handen niet te branden.
21. - Kraan, (vrouwelik), bestaat uit twee balken, haaksch p6ineengezet, en dient om, by de boeren, den koeketel op en van het vuur te doen.
22. - Kroensel,[7] (vrouwelik). Op andere plaatsen kroosel, groosel, enz.; in woordenboeken kruisbes, stekelbezie.
23. - Kwezel,[8] (vrouwelik) Dat is een vod, waar men ‘t zelfde gebruik van maakt, als van de kouhand.
24. - Meelbreker, (mannelik) = De Meelbreker is gemaakt van afgestroopte berketakken, die byeengebonden zijn; hy dient om ‘t meel, dat in de melk gedaan wordt, klein te kloppen.
25. - Moel, (vrouwelik), zegt men te Peer voor moelie.[9]
26. - Mustert,[10] (mannelik) -en. Zoo wordt te Peer gezegd in plaats van mutserd of mutsaard.
27. - Oeligt, (vrouwelik). De ōēligt is de plaats nevens den dorschvloer, waar koren, haver, enz ingetast wordt.
28. - Opkelder, (mannelik) = is de kamer boven den kelder; alzoo genaamd de gansche Kempen door.
29. - Ovenzwoel, (vrouwelik). Dat is ‘t gene gebruikt wordt om brood en ander gebak in of uit den oven te schieten.
30. - Poot, (vrouwelik): Dit woord wordt in de Kempen, gebezigd in plaats van wortel of peen.p731. - Praatmuts, (vrouwelik) = die geerne praat = praatmoër.
32. - Pul, (vrouwelik), Dat is een kieken, dat eieren begint te leggen.
33. - Rek (vrouwelik), is of wel een enkel planksken, of wel twee latten boven een planksken, tegen den muur gemaakt, om schotels, tellooren, enz., op te zetten, en koffiepotten, kannen, lanteernen, enz. aan te hangen.
34. - Schap, (onzijdig), wordt gebruikt in plaats van het woord schapraai.[11]
35. - Schollik (de); is een voorschoot te Peer.
36. - Spellebus, (de), is een speldenkoker.
37. - Toemaat, te Peer mannelik gebruikt in den zin van nagras.
38. Trakken (onzijdig werkwoord), is blyven hangen, zich niet vooraan maken, iets in ‘t lang trekken. “Wat trakt die kerel lang, hy moes al over uren hier zijn!” - te Peer gehoord.
39. - Troffel, (vrouwelik), wordt gezegd tegen de schup, die dient om kolen in de kachel te scheppen.
40. - Werel,[12] (den). - Als, in de Kempen, knecht of meid zich verhuurd hebben, krygen zy dadelik een stuk van vijf frank. Dit p8stuk heet werel.
41. - Zou, (vrouwelik). In de Kempen krygen de slooten, langs wegen en in beemden gelegen, den naam van zou. Met ‘t zoumes worden de zouën alsook de beken geveegd.
Myneheeren Opstellers, uit de lezing van deze bidrage, zult gy reeds opgemerkt hebben, dat ik geen felle vriend van de ij ben. In den uitgang lijk kan ik ze niet zien. Zoo dikwils als ik lijk geschreven heb is ‘t met tegenzin geweest. Maar zoolang als er niets van hooger hand uitgaat, moet een student stillekens den bek toehouden, al is het dan geerne of noode. Maar om den uitgang in ‘t meervoud te zetten, heb ik de k verdubbeld; omdat, dunkt me, de i altijd en overal niet even kort is. De ij in andere woorden te veranderen is moeielikker. Op ‘t einde, nogtans, der lettergreep, heeft ze, ten minste, geene twee stipkens noodig.
Myneheeren, hiermede eindig ik, en mocht ik U maar een woord hebben doen kennen, dan reeds achtte ik myne moeite beloond; verondersteld zelfs dat ik niets onbekends opgegeven hebbe, dan nog geef ik den moed niet op, dat staat geenen Vlaming, en om ‘t U te verzekeren, beloof ik van nu af nieuwe opzoekingen te doen.[13]







