<Resultaat 472 van 2031

>

p1
Zeer Eerw. Heer enz.[1]

Bedanke u van herten.

Zou geern fransch vlaamsche, hollandsche, hoogduitsche adressen hebben van zulke lieden die omtrent zeker zouden inschrijven. Komt ge er tegen zet ze op een stuk papier en zendt ze mij.

Ban-nutte, (= ba-lutte?) heb ik vast, voor n° 2[2] Afwachten heb ik veranderd[3] nomen[4] was te late. Hier zingt men een oud liedtje

“‘k kan ’t niet anders nômen
Als mijn hinnetjche”[5]

Ronsefalen = ronsen en falen = zoeken en niet vinden?[6]

Hage ende veld, nagel en vel, of hagel ende velt (=steen) ’t schijnt mij zeker dat ’t ne vloek is; Oudemans vertaalt het = verduiveld. De Duitschers zouden zeggen : sie kann “Hagel, donner, blitz ŭnd blei“ schnell laufen, Grimm. Hagel en veltsteen, of hagel en dondersteen zijn twee landbouwers plagen. De twee eerste schrijfwijzen, in ’t geval de 3e deugende is, zou Grimm umdeutungen heeten. Vergelijk Roche de Gaete = in de roste geete en chambre obscure = Slambroucks schure.p2Is ’t vermoordége of vermoordĕge[7]

builen en puilen = voor mij id. blazen en dat ervan komt zelfs staat in mijn gedacht tamelijk vaste t gene de volgende figuur verbeeldt

s – p – uw – en?

Len

p = buiden – zen – sten (schen?)

jen – wen

van daar hebt gij builen, puilen, buidel, puid, buize (een dikke drinken) buize, kabuize , windbuie, de wind buischt puist, kapuist. Zelfs is buigen geen ronde buigte, tegen knok, knie die eene hoekte zou beteekenen? Grimm en geheel de oudheid is met mij. blare = blaze : die zijn gat verbrandt moet op de blaren (elders de blazen) zitten. Bleine. Blague-à-tabac. wijst naar een oud blagen = bladen = blaaien, blaai van daar? blagene,? blegene, bleine, blene, blenne blinne? vergelijk pustula[8] tuber[9] van tumeo[10]

Wat is zoo drooge, zoo uitgedroogd zijn als ne koekuit, alias als ne/een koekuits vee (vé)? (olet!)

Zoudt gij altemets Kramers niet kunnen missen? Ik hadde uwe goede zenden liever van elks wat.[11]

Blijve dankbaar
Guido

Noten

[1] De brief is een antwoord op de briefkaart van L.L. De Bo van 28/04/1881. In deze briefkaart stelt De Bo voor om het woord "afwachten" te veranderen in afwaken. Gezelle nam "afwaken" als lemma op in zijn eerste nummer. De brief van Gezelle is dus geschreven na de brief van de Bo en vóór de publicatie van het eerste nummer van Loquela Meiavond 1881 (= 30/04/1881)
[2] Antwoord op vraag gesteld in: Vragen en antwoorden. In: Loquela: 1 (Meiavond 1881), p.7, (vraag 4). De publicatie van De Bo’s antwoord volgde al onder het lemma “banutte” In: Loquela: 2 (Wiedmaand 1881) 2, p.9 Zie ook Antwoorden op n°4. In: Loquela: 2 (Wiedmaand 1881) 2, p.14
[3] Zie Lemma “afwaken” in: Loquela: 1 (Meiavond 1881) 1, p.1 Afwachten is inderdaad aangepast naar afwaken zoals De Bo voorstelde in zijn briefkaart van 28/04/1881 . De brief van Gezelle is dus geschreven na de brief van de Bo en vóór de publicatie van Loquela op Meiavond 1881 (meiavond = de avond voor 1 mei, dus 30/04/1881).
[4] Zie onaangepast “nomen” Aarsle aasle. In: Loquela: 1 (Meiavond 1881) 1, p.6
[5] Het gaat om het Westvlaamse stapellied Myn hinnetje, waarvan de eerste strofe luidt “’k gynge zo verre naer Holland, naer Holland, waer da ‘t ‘r een hinnetje was, ze vroegen mij in Amsterdam hoe heèt jen hinnetje dan? Refrein : Tjieptjen heèt myn hinnetje, ‘k kan ‘t nie anders noemen of myn hinnetje”. In de tweede strofe gaat het om “een haentje” dat Koekelakaene heet, in de derde om een hond die Steirtjeround heet, dan een katte (Krabbelewatte), een zwyn (Zeurenazyn), een ganze (Immeleranse), een koe (Bytmaetoe) en een peird (Langesteirt). In het refrein worden alle namen van achteren naar voren herhaald, te beginnen met het laatst genoemde dier, tot Tjieptjen heèt myn hinnetje, ‘k kan nie anders noemen of myn hinnetje (eigen optekening ca. 1980 door de editeur te Oostkamp, e.a.). Veel voorkomend lied. Het feit dat Gezelle het in deze brief uit 1881 al een oud liedtje noemt, wijst op de hoge ouderdom ervan, en op de levenskracht van stapelliederen in het algemeen.
[6] Zie lemma “ronsen” In: Loquela: 1 (Meiavond 1881) 1, p.3
[7] In deze brief plaatste Gezelle boven de é van vermoordége en de oo van vermoordĕge Gezelle een horizontaal streepje om de “stemzate”, de klemtoon, aan te duiden. Dit konden wij typografisch niet weergeven.

Zie lemma ”vermoordege” Loquela: 1 (Hooimaand 1881) 3, p.20.

[8] Vertaling (Latijn): puistje
[9] Vertaling (Latijn): knol
[10] Vertaling (Latijn): tumor
[11] Deze zin is het antwoord van Gezelle op de vraag van De Bo in zijn briefkaartje van 27/04/1881 uit Elverdinge:?” :“Heb je liever geheel de A en dan de B, etc.; ofwel telkens iets van iedere letter gelijk nu in Loquela?”

Register

Correspondenten

NaamDe Bo, Leonard Lodewijk
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/071873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamDe Bo, Leonard Lodewijk
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/071873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Titel - ander werk

TitelBijdrage tot een Middel- en Oudnederlandsch woordenboek uit vele glossaria en andere bronnen bijeengezameld (7 dln.)
AuteurOudemans, A.C.
Datum1870-1880
PlaatsArnhem
UitgeverVan Marle
Links[dbnl]
TitelAlgemeene Kunstwoordentolk
AuteurJacob Kramers, Jz
Datum1847
PlaatsGouda
UitgeverG.B. Van Goor
Links[dbnl]
TitelDeutsches Wörterbuch
AuteurGrimm, Jacob; Grimm, Wilhelm
Datum1854
PlaatsLeipzig
Uitgever[s.n.]
Links[wikipedia]

Titel[29/04/1881], [Kortrijk], [Guido Gezelle] aan [Leonard Lodewijk De Bo]
EditeurJohan Van Eenoo
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
Verzender[Gezelle, Guido]
Ontvanger[De Bo, Leonard Lodewijk]
Verzendingsdatum[29/04/1881]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie; adressant gereconstrueerd op basis van het handschrift en de handtekening; plaats gereconstrueerd op basis van biografische gegevens; datum gereconstrueerd op basis van de inhoud: De brief is een antwoord op de briefkaart van L.L. De Bo van 28/04/1881 (nr.5191) In deze briefkaart stelt De Bo voor om het woord "afwachten" te veranderen in afwaken. Gezelle nam "afwaken" als lemma op in zijn eerste nummer. De brief van Gezelle is dus geschreven na de brief van de Bo en vóór de publicatie van het eerste nummer van Loquela meiavond 1881 (= 30/04/1881)
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, 212x137
wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 2 zijden beschreven, purperen inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan L. De Bo. (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8611
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|16275
Inhoud
IncipitBedanke u van herten.
Samenvatting opstart van Loquela. o.m. over het woorden: banhutte: (zie: vraag 4 in Vragen en antwoorden in: Loquela Jrg.1 (Meiavond 1881), p.7 (vraag= Wat is te zeggen; "Ge'n zult gij mij in de Banhutte nie lee'n, peis-je?" De stemzate op hutte. Of moet ik banutte schrijven? Gezelle publiceerde het antwoord op de vraag onder het lemma "banutte" in: Loquela Jrg.2 (Wiedmaand 1881) nr.2, p.9); afwachten, nomen, ronsefalen, Hage ende veld, vermoordége, builen en puilen, koekuit...
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.