<Resultaat 579 van 2647

>

p1

Zal van my afgeschreven zyn, en eenigzins gewyzigd, van een oud en naamloos handschrift dat, geloove ik, notaris Angillis my in den tyd leende. Het stuk is op de zeven wee'n van O. L. V.[1]

Wat schoone prente van S. Luitgaarde.[2] Kunt gy my zulk geen afdruk op Bristol bezorgen?

Heb brieven[3] van Leopold te Groningen verzoekende proeven van Westvlaamsche dicht- en taalveerdigheid; uit te geven in Holland.[4]

p2

Noten

[1] In Rond den Heerd werd het stuk ’De zeven wee’n van Onze Lieve Vrouw’ gepubliceerd, hertaald door Gezelle, met de vermelding ’volgens een oud hs‘. (Rond den Heerd: 10 (21 maart 1875) 21, p.138). Het gedicht werd in 1656 geschreven door Norbertijn Adriaan De Buck, bestuurder van de Veurnse Sodaliteit van de gekruiste Zaligmaker en van zijn bedrukte Moeder staande onder het kruis. Het werd gezongen in de Sint-Walburgakerk te Veurne op Goede Vrijdag bij de zeven staties van Maria’s lijden. (zie T. Luyssen, Het Jubelfeest te Veurne. In: Rond den Heerd: 22 (14 juli 1887) 33, p.258.) Het oorspronkelijke handschrift bevindt zich in een register van de sodaliteit. Het is niet duidelijk of Gezelle het handschrift via notaris Angillis, Theodoor Luyssen of Leopold Slosse in handen kreeg. Het staat in elk geval niet in het verzamelhandschrift van Joannes Bale dat Gezelle van Angillis leende en dat zich nu in de KB Den Haag bevindt.
[2] In: Rond den Heerd: 10 (14 maart 1875) 16, p.125.
[3] De oorspronkelijke brief bleef niet bewaard, wel een herinneringsbrief van later dat jaar.
[4] De vraag had te maken met de voorbereiding van het boek Van de Schelde tot de Weichsel, Nederduitsche dialecten in dicht en ondicht, dat hij met zijn neef L. Leopold in de jaren 1876-1881 voltooide. Die had in 1868 in de bundel Uit Zuid-Nederland: Vlaamsche verzen en versjes reeds gedichten opgenomen van Guido Gezelle, Eugeen Van Oye en Karel De Gheldere.
KerFort gMaune Treutje Zie: Guido Gezelle, Zantekoorn: treutje. In: Loquela: 13 (wintermaand 1893) 8, p.63: ”Keuntje (De Bo) - ”Een treutje is een koninksken, un roitelet, in ’t Fr.” Geh. Destelbergen.abr. Zie: Guido Gezelle, Zantekoorn: treutje. In: Loquela: 13 (wintermaand 1893) 8, p.63: ”Keuntje (De Bo) - ”Een treutje is een koninksken, un roitelet, in ’t Fr.” Geh. Destelbergen.

Register

Correspondenten - personen

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamAngillis, Angelus August Eugeen
Datums° Rumbeke, 08/05/1830 - ✝ Rumbeke, 30/11/1870
GeslachtMannelijk
BioAngelus August Eugeen Angillis werd geboren op 8 mei 1830 in Rumbeke. Na zijn studies aan het Klein Seminarie in Roeselare begon hij een opleiding notariaat aan de Katholieke Universiteit Leuven. Daar sloot hij zich aan bij Met Tyd en Vlyt, waarvan hij secretaris werd. Zijn studies rondde hij niet meteen af en hij keerde in 1853 terug naar Rumbeke, waar hij als notarisklerk aan de slag ging. Uiteindelijk behaalde hij toch zijn diploma en werd in 1861 benoemd tot notaris in Rumbeke. Kort daarna werd hij ook stadsarchivaris van Roeselare. Angillis had een uitgebreid literair netwerk en was lid van de Société d'Émulation in Brugge. Daarnaast richtte hij in Rumbeke het letterkundig genootschap Vereenigde Vrienden op. Hij publiceerde verschillende werken, waaronder Liederen eener onbekende kloosterlinge uit de 13e eeuw (1854, samen met Edward Van Even), Geschiedenis der Rousselaersche Rederykerskamer (1854), en het tijdschrift Rumbeeksche Avondstonden (1856-1858). Ook leverde hij bijdragen aan diverse tijdschriften en dagbladen. Angillis leerde Guido Gezelle kennen als studiegenoot aan het Kleinseminarie en bleef tijdens zijn Roeselaarse jaren met hem in contact. Via zijn connectie met het Gentse tijdschrift De Eendragt speelde hij een belangrijke rol in Gezelles doorbraak in 1855. Hij werkte ook mee aan Rond den Heerd en voerde met Gezelle een correspondentie over oude handschriften. Angillis overleed op 30 november 1870 in Rumbeke.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; studiegenoot
BronnenJ. Huyghebaert, Ange August Eugeen Angillis, in N.B.W. XII (1987), k. 27-32; J.Van Iseghem, Guido Gezelles "Vlaemsche Dichtoefeningen", p.180-185.
NaamLeopold, Johan Albert
Datums° Groningen, 20/05/1846 - ✝ Groningen, 23/01/1922
GeslachtMannelijk
Beroepleraar, directeur, schrijver
VerblijfplaatsNederland
BioJohan Albert Leopold was een Nederlandse pedagoog, schooldirecteur en schrijver. Hij werd opgeleid tot onderwijzer in Beerta en vervolgde zijn studies met een hoofdonderwijzersakte en een middelbare onderwijsakte voor Nederlandse taal en letterkunde. Zijn loopbaan bracht hem langs diverse onderwijsinstellingen, waaronder de Rijkskweekscholen in Groningen, Middelburg en Nijmegen, waar hij uiteindelijk directeur werd en in 1922 stierf. Leopold had een brede interesse in letterkunde, dialectologie en pedagogiek. In 1875 had hij contact met Gezelle naar aanleiding van een baanbrekende bloemlezing van Nederduitse dialecten Van de Schelde tot de Weichsel (1876-1881) die hij samen met zijn neef Lubbertus Leopold voltooide.
Relatie tot Gezellecorrespondent

Naam - plaats

NaamGroningen

Titel - ander werk

TitelUit Zuid-Nederland: Vlaamsche verzen en versjes
AuteurLeopold, Lubbertus
Datum1868
PlaatsGroningen
UitgeverJ. B. Wolters
TitelVan de Schelde tot de Weichsel, Nederduitsche dialecten in dicht en ondicht
AuteurLeopold, L; Leopold, J.
Datum1882
PlaatsGroningen
UitgeverJ.B. Wolters

Titelxx/[03/1875], Kortrijk, [Guido Gezelle] aan [Adolf Juliaan Duclos]
EditeurKoen Calis; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2025
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis; Universiteit Antwerpen, Gezelle Guido aan Duclos Adolf Juliaan, Kortrijk (Kortrijk), xx/[03/1875]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2025 Available from World Wide Web: link .
Verzender[Gezelle, Guido]
Ontvanger[Duclos, Adolf Juliaan]
Verzendingsdatumxx/[03/1875]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieJaartal en maand gereconstrueerd op basis de brieftekst: verwijzing naar: 'De zeven wee'n van Onze Lieve Vrouw' gepubliceerd in Rond den Heerd: Jrg.10 (21 maart 1875) nr.21, p.138; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie ; adressant gereconstrueerd op basis van het handschrift.
Gepubliceerd inBrieven van, aan en over Gezelle II, p.175-176 (144b)
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen, 107 mm x 174 mm
papier, wit
papiersoort: 1 zijde beschreven, inkt, purper
Staat volledig [?]
Vormelijke bijzonderheden papiermerk: Bath
brief staat op zijde 1
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan Duclos (inkt, hand P.A.) ; idem boven in het midden: door G. Gezelle ? (potlood, schuin, onbekende hand); op zijde 2: fragmentarische notities: er[...] // Fort g[...] // Maune [...] Treutje [...] // abr. [...] (inkt, hand G.G.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8661
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|16932
Inhoud
IncipitZal van my afgeschreven zyn, en eenigszins
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.