Na bevoegde en wederzydsche wenschen, van uwe geluk, en een zalig nieuwjaar; aan ulieden en aan al de onzen die te Leuven verblyvende zyn, zende ik u, by dezen, bewys dat ik aan Hiawada[1] niet zoo onwerkzaam gebleven ben als gy wel zoudt kunnen peizen. Neem uit hetgene hierby ligt van de Vrienden[2] hetgene u dienstig is en 't gene onvertaald of onverbeterd gebleven is laat het my, op een ander papier gezet, wederom geworden.[3]
Gy zult belet hebben dat ik in het stuk Mondamin, uit de dichtoefeningen, een en ander wat gewyzigd hebbe, gy kunt het, zoo gy wilt, ook te bate nemen.
Het spyt my dat ik niet thuis en was, wanneer gy my zyt komen bezoeken.
Ik heb met veel genoegen Alb’s "eerste gedichten ontvangen met eenige reken van zyn hand,[4] ik bly my daaromme dat hy zyne Meesters en Vrienden, zelfs openbaarlyk, blyft erkennen, ja nl. zyn zy ook Priesters.[5] Bedankt hem a.u.b. van mynentwege, en zegt dat ik geheel zynen boek met veel genoegen gelezen hebbe en in veel deelen bewonderd; dat meer is, veel goeds verwachte ik uit den boek en van den schryver daarvan. God geve hemp2veel geluk, en een goed zalig Nieuwjaar, met veel navolgende jaren, boeken, eerepenningen en kroonen.
Dat hy nu wilde voor myn oud Jaer ‘30 zorgen, nu dat ik zoo beleefd geweest hebbe, ten zynen opzichte.[6]
Gy spreekt van mynen name enz.[7] ja en zeer geerne, op voorwaarde dat ik alles wel nazie eer ’t uit komt.
Daar is nu al genoeg, peize ik voor eenen keer, ik ga nu uwen laatsten brief[8] herlezen en zien of ik er kan aan beantwoorden,







