<Resultaat 646 van 2896

>

p1

Na bevoegde en wederzydsche wenschen, van uwe geluk, en een zalig nieuwjaar; aan ulieden en aan al de onzen die te Leuven verblyvende zyn, zende ik u, by dezen, bewys dat ik aan Hiawada[1] niet zoo onwerkzaam gebleven ben als gy wel zoudt kunnen peizen. Neem uit hetgene hierby ligt van de Vrienden[2] hetgene u dienstig is en 't gene onvertaald of onverbeterd gebleven is laat het my, op een ander papier gezet, wederom geworden.[3]

Gy zult belet hebben dat ik in het stuk Mondamin, uit de dichtoefeningen, een en ander wat gewyzigd hebbe, gy kunt het, zoo gy wilt, ook te bate nemen.

Het spyt my dat ik niet thuis en was, wanneer gy my zyt komen bezoeken.

Ik heb met veel genoegen Alb’s "eerste gedichten ontvangen met eenige reken van zyn hand,[4] ik bly my daaromme dat hy zyne Meesters en Vrienden, zelfs openbaarlyk, blyft erkennen, ja nl. zyn zy ook Priesters.[5] Bedankt hem a.u.b. van mynentwege, en zegt dat ik geheel zynen boek met veel genoegen gelezen hebbe en in veel deelen bewonderd; dat meer is, veel goeds verwachte ik uit den boek en van den schryver daarvan. God geve hemp2veel geluk, en een goed zalig Nieuwjaar, met veel navolgende jaren, boeken, eerepenningen en kroonen.

Dat hy nu wilde voor myn oud Jaer ‘30 zorgen, nu dat ik zoo beleefd geweest hebbe, ten zynen opzichte.[6]

Gy spreekt van mynen name enz.[7] ja en zeer geerne, op voorwaarde dat ik alles wel nazie eer ’t uit komt.

Daar is nu al genoeg, peize ik voor eenen keer, ik ga nu uwen laatsten brief[8] herlezen en zien of ik er kan aan beantwoorden,

verzekerende u, in tusschentyd dat ik u zeer toegenegen ben en met achting lief hebbe in Jezus Christus
GuidoGezelle

Noten

[1] Dit gaat over de vertaling van The Song van Hiawatha. In 1855 verscheen The Song of Hiawatha, een lang episch gedicht van 5400 verzen van Henry Wadsworth Longfellow. Guido Gezelle gebruikte het in zijn lessen aan het kleinseminarie van Roeselare, vertaalde een zang (1857) en nam een aangepaste versie op in Dichtoefeningen (1858). Hugo Verriest bracht Longfellow als leraar aan het kleinseminarie opnieuw onder de aandacht en publiceerde twintig jaar later onder het pseudoniem Owais’sa een vertaling van de eerste zang van Hiawatha in Rond den Heerd. Hij startte in de Roeselaarse lettergilde het vertaalproject van The Song of Hiawatha en gaf Emile Lauwers, toen student aan het kleinseminarie, de opdracht. Verriest bewerkte Lauwers’ vertaling en publiceerde die onder het pseudoniem Owais’sa in De Vlaamsche Vlagge. Op vraag van Verriest werd Gezelle in de late zomer van 1878 opnieuw bij de vertaling betrokken. Lauwers, Verriest en Gezelle werkten samen aan de vertaling. Ontevreden over het project zal Gezelle later de vertaling naar zich toe trekken, wat in 1886 leidde tot de publicatie van zijn eigen vertaling van Hiawatha.
[2] ’De vrienden’ is Zang VI.
[3] Emiel Lauwers had hard gewerkt op zijn vertaling tijdens de vakantie en de eerste maanden dat hij in Leuven verbleef (september-oktober-november). In een brief aan zijn vriend Camiel Marichal lichtte hij dit toe, op 7 januari 1879, en zijn brief verschaft meteen véél achtergrondinformatie. Hij had contact gehad met Emiel Demonie, die de voorzitter was van de West-Vlaamsche Gilde, en die gilde zou Lauwers’ vertaling uitgeven. Zij zouden werken met inschrijvingen op de komende vertaling. Daartoe moest er een ’prospectus’ komen met enkele vertaalde fragmenten als propagandamiddel. In zijn brief aan Camiel spoort Lauwers hem aan ’zoo veel inschrijvingen mooglijk’ te verzamelen. Emiel Demonie, priester-leraar aan het kleinseminarie, zou instaan voor deze ’voordruk’. Lauwers mikte op 400 ’afdruksels’ en hij wenste er 10 van te krijgen en zou die aan Guido Gezelle en Hugo Verriest toesturen uit dankbaarheid voor hun hulp. Verriest slaagde erin om bij de drukker Van de Ghinste in Ieper zo’n voordrukje te laten verschijnen, hij getuigde hierover bij Caesar Gezelle. Het werd een klein exemplaar van 10 bladzijden op 5 blaadjes recto verso, met daarin de ’Binnenleidinge’ en Zang ’I. De Paaispijpe’. Eén proefdrukje bevindt zich in het Guido Gezellearchief (nr. 1958 K).
[4] De brief is niet bewaard gebleven in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge. Ook de bundel (meer) zit niet in zijn handbibliotheek.
[5] Priesters: zinspeling op het gedicht ’Priester‘ in Gezelles bundel Gedichten Gezangen en Gebeden, of zinspeling op Rodenbachs gedicht ’Ter Gelegenheid ener eerste misse van 1877’, verschenen in Eerste gedichten.
[6] Op 29 april 1876 had Albrecht Rodenbach samen met zijn ’studiemeester’ Jozef Axters een bezoek gebracht aan Gezelle in Kortrijk, en toen kreeg hij de verzameling van ‘t Jaer 30 mee van Gezelle. Onder de belofte die bundel terug te bezorgen. Op 3 januari 1878 blijkt dit nog altijd niet het geval te zijn en Gezelle hoopt dat Rodenbach toch goed zou zorgen voor zijn ‘kollectie‘. Op 6 september 1878 stuurde Gezelle hem een kaartje met een gedichtje op en Rodenbach reageerde hierop in een brief van 24/09/1878 aan Gezelle: ” Het heeft mij het geheugen ververscht aangaande iets dat ik toch nog niet vergeten had, te weten, dat gij mij overtijd uwe kollectie van het jaar 30 gegeven had, over langen tijd, en dat ik er u nog altijd van ontriefd hield.” Rodenbach ontleende dus Gezelles ’kollectie’ van zijn polemisch blad. Verder in dezelfde brief verontschuldigde Rodenbach zich en schoof hij de schuld van deze lange wachttijd op Zeger Maelfait die de verzameling op zijn beurt in bruikleen gekregen had van Rodenbach. Op het einde van de brief volgde een belofte: ”Ik zal den boek zenden zoohaast ik hem wederkrijge”.
[7] In zijn brief van 02/01/1879 aan G. Gezelle schrijft Lauwers: ”Het ware goed, Mijnheer, en ten anderen zeer rechtveerdig, liet gij toe van uwen naam te zetten op onzen boek. God zij geloofd, die naam is machtig reeds en erkend als goed door velen.”
[8] Brief van E. Lauwers aan G. Gezelle van 02/01/1879. Hierin vroeg Lauwers Gezelle om hulp bij een reeks moeilijke vertalingen uit Hiawatha.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLauwers, Emiel; Rik (pseudoniem)
Datums° Ingelmunster, 23/10/1858 - ✝ Kortrijk, 29/05/1921
GeslachtMannelijk
Beroeparts
BioEmiel Lauwers was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare samen met Albrecht Rodenbach. Hij kreeg er les van Hugo Verriest met wie hij het tijdschrift De Nieuwe Tijd oprichtte. Samen met Verriest was hij in 1886 betrokken bij Gezelles vertaling van The Song of Hiawatha. Hij studeerde geneeskunde te Leuven en vestigde zich in 1888 als chirurg te Kortrijk, en was er werkzaam aan het Heilig-Hartziekenhuis. In 1896 stichtte hij samen met Alfons Depla en Roose een nieuwe ziekenhuis (Sint-Antoniusinstituut). Hij was ook vertaler van Duitse en Engelse geneeskundige werken.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Biekorf

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamLauwers, Emiel; Rik (pseudoniem)
Datums° Ingelmunster, 23/10/1858 - ✝ Kortrijk, 29/05/1921
GeslachtMannelijk
Beroeparts
BioEmiel Lauwers was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare samen met Albrecht Rodenbach. Hij kreeg er les van Hugo Verriest met wie hij het tijdschrift De Nieuwe Tijd oprichtte. Samen met Verriest was hij in 1886 betrokken bij Gezelles vertaling van The Song of Hiawatha. Hij studeerde geneeskunde te Leuven en vestigde zich in 1888 als chirurg te Kortrijk, en was er werkzaam aan het Heilig-Hartziekenhuis. In 1896 stichtte hij samen met Alfons Depla en Roose een nieuwe ziekenhuis (Sint-Antoniusinstituut). Hij was ook vertaler van Duitse en Engelse geneeskundige werken.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Biekorf

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamRodenbach, Albrecht; Berten; De selscuttere
Datums° Roeselare, 27/10/1856 - ✝ Roeselare, 23/06/1880
GeslachtMannelijk
Beroepschrijver; dichter
BioAlbrecht Rodenbach was een schrijver en dichter die geboren werd in Roeselare op 27 oktober 1856. Hij genoot zijn opleiding aan in het kleinseminarie van Roeselare en was er in 1867 leerling aan de section préparatoire waar hij Gustaaf Flamen als priester-leraar had. Hij was van 1870 tot 1878 leerling van de humaniora, waar hij deel uitmaakte van de ‘wonderklasse’ van Hugo Verriest, oud-leerling van Gezelle. In 1875 ontstond er op school grote ophef toen de leerlingen tijdens een feest ter ere van de superior geen toestemming kregen om Rodenbachs lied ‘Het Lied Der Vlaamsche Zonen’, ook bekend als ‘De Blauwvoet’ voor te dragen. Het verbod leidde tot een studentenprotest tegen het anti-Vlaamse schoolbeleid dat bekendstaat als de ‘Groote Stooringe’. Met zijn gedicht startte hij een studentenbeweging genaamd de Blauwvoeters die gedichten en teksten publiceerden om Vlaamsgezindheid te promoten. Hieruit volgde onder meer het tijdschrift "De Vlaamsche Vlagge". De Blauwvoeterij vloog over naar Leuven toen Rodenbach en zijn klasgenoten er in 1876 gingen studeren. Rodenbach was erg actief in het studentenleven. Zo was hij medestichter van dagblad "Het Pennoen" en de "Vlaamsche Studentenbond". Daarnaast was hij lid van de Sint-Tillogilde en de toneelvereniging de Sint-Jansgilde. Later verminderde zijn engagement echter en spendeerde hij meer aandacht aan zijn literaire werken. Op 23 juni 1880 kwam hij op slechts 23-jarige leeftijd in zijn geboortestad te overlijden aan tuberculose. Na zijn dood groeide Rodenbach uit tot een icoon van de Vlaamse Studentenbeweging en Roeselare. In 1909 werd daar als eerbetoon een standbeeld van hem onthuld.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/rodenbach-albrecht#roeselare-en-de-groote-stooringe
NaamLongfellow, Henry Wadsworth
Datums° Portland (Maine), 27/02/1807 - ✝ Cambridge (Massachusetts), 24/03/1882
GeslachtMannelijk
Beroepschrijver; dichter; pedagoog; bibliothecaris
VerblijfplaatsAmerika
BioHenry Wadsworth Longfellow studeerde aan Harvard en werd bibliothecaris. Na een reis door Europa (1826-28) werd hij de eerste hoogleraar Moderne Talen. In 1854 verliet hij Harvard om zich volledig aan het schrijven van poëzie te wijden. Zijn gedichten zijn erg toegankelijk omdat ze gaan over herkenbare thema’s en geschreven zijn in een eenvoudige, maar bloemrijke taal. Longfellow maakte ook talrijke vertalingen en heeft daardoor vele Europese poëzie voor Amerikanen toegankelijk gemaakt. Diverse van zijn uit de Amerikaanse folklore geputte thema’s en figuren (zoals Hiawatha) hebben deze folklore in Europa bekendheid gegeven. Guido Gezelle had grote bewondering voor Longfellow en vertaalde zijn epos Hiawatha.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellevertaald door Gezelle

Titel - gedicht van Guido Gezelle

TitelMondamin (Amerikaansch verdichtsel over den oorsprong van het mais ofte liet Indisch kooren)
PublicatieDichtoefeningen (Verzameld dichtwerk, deel I), p. 174
TitelPriester
PublicatieGedichten, Gezangen en Gebeden (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 111

Titel - werk van Guido Gezelle

Titel(Vlaemsche) dichtoefeningen
Links[gezelle.be]
TitelGedichten, gezangen en gebeden. Een schetsboek voor Vlaemsche studenten.
Links[gezelle.be]
TitelThe Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch.
Links[gezelle.be]
Titelt Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke lieden.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelEerste gedichten
AuteurRodenbach, Albrecht
Datum1878
PlaatsRouselare
UitgeverDe Meester

Titel03/01/1879, Kortrijk, Guido Gezelle aan [Emiel Lauwers]
EditeurKarel Platteau
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKarel Platteau, Gezelle Guido aan Lauwers Emiel, Kortrijk (Kortrijk), 03/01/1879. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Lauwers, Emiel]
Verzendingsdatum03/01/1879
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieBriefversie van datering: den 3 's jaars 1879; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Fysieke bijzonderheden
Drager papiersoort: 2 zijden beschreven
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden papier met briefhoofd: afbeelding, Geloofd zij Jesus Christus
Toevoegingen op zijde 1 linksboven: Dr Lauwers (schuin, onbekende hand)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8747
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.16999
Inhoud
IncipitNa bevoegde en wederzydsche
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.