<Resultaat 351 van 1594

>

p1
Myn achtbare Heer
Mynheer Johan Winkler
aen den Kleenen Houtweg
tot
Haerlem
Nederland
 
p2
Hooggeachte en zeer dierbare,

Uw "schaap" en is niet "verloren"[1] maar te mynen in tyden binnengeloopen; ik wachtte u te bedanken tot dat ik u schaap voor schaap leveren kan, hetgene ik, in korte dagen van hier, van mynen snellen uitgever verzekerd ben en hope te kunnen doen.

Ik heb het groot genoegen gehad, in uw geleerd en edelmoedig "opstel"[2] meeklank te vernemen van hetgeen ik, kind zynde, te Brugge bewonderde, de ooryzers[3] van de Sente Kruusche[4] ja, van de Brugsche vrouwen. Sedert dien ben ik op zoek naar het friesche dat alhier nog mag te vinden zyn. Zaliger myne moeder was, onder ander, eene Devriese/n ega; wie weet al of er my, omtrent of in het herte geen friesche bloed aan 't leven en is! Gisteren nog hoorde ik hier zeggen, van eene vasten maaltyd, dat het maar "mageren dei" en was. (Dei = dag!) Te Brugge, op den gevel van een huis dat een Devriese bouwde, staat er, in 't steen gekapt, ni fallor[5] "Altyd vreese ick"; de Devreese'n zyn hier p3talryk; zouden die waarnemingen ook naar geen "Friesen over de grenzen" wyzende zyn? En onze Robrecht de Vriese?

Ik ben u hertelyk dankbaar over het bericht dat gy Loquela hebt willen in den navorscher[6] en in de korrespondenz[7] etc. bekend maken; vele, schier alles verwachte ik van deze en al uwe andere goe genegentheid. Den navorscher zal ik wel ievers vinden, hope ik, voor de korresp. en wete ik niet waar gezocht; wist ik hoeveel gekost en hoe ingeschreven, ik en zou ze voortaan, noch kunnen noch willen missen. Le Muséon, eene nieuwe revue van la société scientifique, te Leuven, verzoekt my[8] een schryven over la science flaminguiste, in de alderbreedste opvatting van den zin diens woords; daaraan ben ik bezig en daarin moet uw Dialecticon te berde komen[9] Mag ik u myn opstel zenden, eer ik het late in druk gaan, en uwe wenken, verbeteringen, aanvullingen daarop verzoeken? My dunkt, van over zoo lange, dat la science flaminguiste by de Assyrio-p4logie, de Egyptologie, la science américaniste[10] enz. niet en moet achterstaan.

Wat gaat er komen van Tacco de Beer's onze volkstaal? Zou 't gemeend en recht gemeend zyn, 't gene zy beloven, die Heeren, en zouden wy, eindelyk, als meêgerechtigd in den dietschen taaleigendom komen te gelden?

Wat heeft het my deugd gedaan, uwe smakelyke garenaards[11] te plaaschen![12] Hebt gy De Vries zyn Nederlandsch woordenboek daarover niet geraadpleegd, en zyt gy wel in derdaad te vreden over gaar-(en)aard van gaar = geer = gier = keer? Van waar halen ze de n? Zyn 't geene garenaards, van garen, garn engelsche yarn? Men verzekert my dat men hier ook zegt gärenwinde, gärenkuts = garenwinde, garenkoopman. En is t wel echt dat de zwem van de gerenaards eener gierende, zwierende beweginge is. Professor Verriest Medicinae Doctor te Leuven verzekert my van neen 't. Omtrent den ijser[13] die veel vyvers spyst en met de zee heft en daalt, hebben wy, in veel vischputten, gerenaards in 't zoet water. Ik verlange om hunne p5wegen te kunnen gadeslaan! Laat ons dat ne keer effen klappen in Loqa. Uwe welverdiende, (al te wel eilaas[14]) bemerking op de Vlamingen die eene vreemde liever als hunne moeder aan heuren gelavenderden[15] rok hangen[16] staan in 'k we' n't hoeveel onzer Vlaamsche gazetjes overgedrukt. Hoe meer zulke zalve hoe beter, en 't moesten der meer als ik zyn om u te bedanken.

Groete ulieden ten vriendelykst en blyve met herhaalde betuig van diepe erkentelykheid.
Uw toegenegen
Guido Gezelle

Onschuld voor dezen ongekuischten brief: Ik en ben niet gewend zoo in eenen keer weg te schryven.

Noten

[1] In zijn vorige brief (06/03/1882, Haarlem) vroeg Winkler zich af of Gezelle de opgestuurde geschenk-afdruk van het opstel “Friesland over de grenzen“ ontvangen had, dan wel of hij naar dit ”verloren schaep” zou moeten gaan zoeken bij de lokale post.
[2] J. Winkler, Friesland over de grenzen. In: De Tijdspiegel 39 (1882). In zijn opstel legt Winkler uit dat de naam ”Friesland” niet enkel van toepassing is op de provincie Friesland zelf, maar ook op andere gebieden in Nederland en Duitsland. Hij vertelt over de evolutie van deze verwantschap doorheen de geschiedenis. De overdruk is aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle (nr.: GGB 1065).
[3] Onderdeel van de vrouwelijke hoofdtooi in de noordelijke provincies van Nederland en Zeeland. Oorspronkelijk werd deze metalen beugel voor rond het hoofd gebruikt om mutsen of haar op de plaats te houden, maar uiteindelijk groeide het uit tot pronkstuk. Het kreeg de naam ’oorijzer’ doordat het vaak enkel zichtbaar was ter hoogte van de oren. In de 19e eeuw was het oorijzer een kenmerkend onderdeel van de Friese streekdracht. Ook in Vlaanderen werden oorijzers gedragen, doch bescheidener, waaronder in Brugge, waar Gezelle ze opmerkte.
[4] Sint-Kruis is een plaats in West-Vlaanderen, gelegen ten oosten van de historische binnenstad van Brugge. Sinds 1971 is het een officiële Brugse deelgemeente.
[5] Vertaling (Latijn): als ik mij niet vergis
[6] Vermelding van Loquela zie: J. Winkler, Geschiedenis der Letterkunde. In: De Navorscher: 31 (1881) p.560-561.
[7] Vermelding van Loquela zie: J. Winkler, Loquela. In: Korrespondenzblatt des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung: 6 (1881) 7, p.73-74.
[8] De contacten verliepen via Gustaaf Verriest, collega van de Leuvense professor Charles de Harlez. Op 02/02/1882 stuurde hij de Harlez‘ naamkaartje en vroeg hem iets voor Le Muséon te schrijven. Op 01/03/1882 drukte Verriest zijn blijdschap uit over Gezelles (niet bewaarde) toezegging. De uiteindelijke publicatie volgt pas in 1885. (E. Depuydt, La science flaminguiste. Een onbekende tekst van Guido Gezelle voor Le Muséon. In: Biekorf 112 (2012) 1, p.60-66)
[9] In 1885 publiceerde Le Muséon een opstel van Gezelle: G. Gezelle, Etudes de philologie neerlandaise. Les Flaminguistes. In: Le Muséon: 4 (1885). Deze tekst is een sleuteltekst voor wie Gezelles taalpolitieke houding wil begrijpen. In zijn opstel stelde Gezelle dat de tweetaligheid van Vlaanderen gunstig was voor het behoud van de Vlaamse taal. De tekst zorgde voor controverse omwille van Gezelles opstelling t.o.v. de standaardtaal. Voor de functies die de volkstaal niet kan opnemen verkiest hij het Frans boven het ”fatsoenlijk Hollands” om beïnvloeding te vermijden. Uiteindelijk werd het Dialecticon niet vermeld in zijn tekst. (zie: E. Depuydt, La science flaminguiste. Een onbekende tekst van Guido Gezelle voor Le Muséon. In: Biekorf 112 (2012) 1, p.60-66)
[10] Uit kladhandschriften bewaard in het Guido Gezellearchief zien we dat Gezelle te rade ging bij de Dictionnaire de la lange française van Littré. Naar analogie van het lemma ”Américaniste” bouwt hij het begrip ”flaminguiste” op. Hij is een wetenschapper, een taalarcheoloog, die de taal van het volk wil verzamelen, bewaren en ontwikkelen. (E. Depuydt, La science flaminguiste. Een onbekende tekst van Guido Gezelle voor Le Muséon. In: Biekorf 112 (2012) 1, p.60-66)
[11] garnalen
[12] J. Winkler, Taalkunde van de Vlaamsche, Hollandsche en Friesche vischmarkt. In: Rond den Heerd: 17 (22 januari 1882) 9, p. 65-67. Dit was een reactie op een opstel uit de vorige jaargang: D., Geernare en garnaal. In: Rond den Heerd: 16 (6 november 1881) 50, p. 397. In zijn opstel verklaarde Winkler dat het Vlaamse geernare, het Hollandse garnaal en het Friese garnaat allen afkomstig zijn van hetzelfde oorspronkelijke woord: geernaart of garnaart. Hierover merkte Adolf Duclos aan het einde van datzelfde nummer nog op dat men in Brugge en Blankenberge niet geernare maar geernaart zegt, om aan te tonen dat de ’t’ uit het oorspronkelijke woord daar niet verloren ging: A. Duclos, Van hier en van elders. In: Rond den Heerd: 17 (22 januari 1882) 9, p. 72.
[13] De IJzer is een rivier in West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen. Het is de enige rivier die op Belgisch grondgebied in zee uitmondt.
[14] helaas
[15] Lavendel werd vroeger als etherische olie gebruikt bij het wassen van kleren.
[16] In zijn artikel in Rond den Heerd schreef Winkler: ”... een nieuw bewijs dat de nieuwerwetsche Vlamingen, die hun oud en schoon en eerlik vlaamsch verruilen voor nieuw en leelik hollandsch, die den geernaart uit den mond des volks verkwanselen tegen den garnaal uit de hollandsche boeken, zeer dom zijn, geheel verkeerd doen, en, in figuurliken zin gesproken, hun oude en eerlike vlaamsche moeder als 't ware een slach in 't aangezicht geven, om een vreemde, met allerlei weerdelooze flodders behangen, te volgen.” (J. Winkler, Taalkunde van de Vlaamsche, Hollandsche en Friesche vischmarkt. In: Rond den Heerd: 17 (22 januari 1882) 9, p. 66). Hiermee verwees hij naar de foutieve eerdere publicatie in de vorige jaargang van het tijdschrift, waarin geernare en garnaal werden beschouwd als hebbende een verschillende oorsprong. Gezelle publiceerde dit fragment in Tegenkomsten brieven etc in Loquela: 1 (Lente 1882) 11, p.87-88

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamDe Meester, Jules
Datums° Roeselare, 04/01/1857 - ✝ Wetteren, 06/02/1933
GeslachtMannelijk
Beroepdrukker; uitgever
BioJules De Meester was de zoon van een schoenmaker. Hij vestigde zich in 1877 als boekhandelaar en later ook als uitgever in de Zuidstraat te Roeselare, vlakbij het kleinseminarie. Katholiek en Vlaams was zijn handelsmerk. Hij werd een belangrijke drukker van Guido Gezelle. Samen met de Leuvense boekhandelaar en drukker Karel Fonteyn gaf hij in 1878-1880 vier delen uit van het Verzameld Dichtwerk van Gezelle, en een tweede uitgave van het verzameld werk in 1892-1893. Hij was ook de uitgever van het taalkundige tijdschrift Loquela.
Relatie tot Gezellecorrespondent; drukker werk Gezelle
Bronnen http://users.skynet.be/sb176943/AndriesVandenAbeele/druk_gezelle.htm ;
NaamDe Vries, Matthias
Datums° Haarlem, 09/11/1820 - ✝ Leiden, 09/08/1892
GeslachtMannelijk
Beroeptaalkundige; hoogleraar; auteur
VerblijfplaatsNederland
BioMatthias De Vries studeerde aan de Rijksuniversiteit Leiden en promoveerde er op 13 december 1843 in de Letteren. Hij begon als docent Nederlands en geschiedenis aan het Stedelijk Gymnasium in Groningen. Hij werd benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde op 20 juni 1844. Op 28 november 1849 werd hij hoogleraar in Groningen en in 1853 hoogleraar in Leiden. Hij gaf er taal-en letterkunde en tot 1860 ook vaderlandse geschiedenis. Hij was werkzaam tot 15 september 1891. Samen met Lambert Allard te Winkel stelde hij het Woordenboek der Nederlandsche Taal samen, in de later naar hen genoemde spelling De Vries-te Winkel. Hij was buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
NaamDe Vriese, Monica
Datums° Wingene, 31/03/1804 - ✝ Heule, 30/04/1875
GeslachtVrouwelijk
BioGuido Gezelles moeder was een boerendochter, die opgroeide op een kleine boerderij, het “Walleke” te Wingene. Via haar zus Clara, die als religieuze werkte in het Gentse Bijlokehospitaal, leerde Monica De Vriese Pieter-Jan Gezelle kennen, die er werkzaam was als tuinman. Ze trouwden op 2 juni 1829 en woonden in de Rolweg te Brugge. Als huwelijkscadeau kreeg ze zestien cent mee en de stam van een kriekenboom om er meubels uit te zagen. Guido Gezelle werd elf maanden na hun huwelijk geboren op 01/05/1830. Voor de bevalling had ze haar testament opgemaakt, dat zich nu nog in het Gezellearchief bevindt. Na Guido kregen Monica en Pieter-Jan nog zeven kinderen waarvan er slechts vier in leven bleven. Ze verhuisde in januari 1849 naar de overkant van de de Rolweg (nr. 43). In 1871 verhuisde ze samen met haar tachtigjarige, zieke man naar Heule en nam er haar intrek bij hun dochter Louise. Ze stierf er op 30 april 1875.
Relatie tot Gezellefamilie: moeder van Guido Gezelle
BronnenBriefwisseling Engelsen
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVerriest, Gustaaf (jr.)
Datums° Leuven, 24/12/1880 - ✝ Leuven, 16/01/1951
GeslachtMannelijk
BioWas doctor in de wis- en natuurkunde. Werd in 1906 hoogleraar te Leuven en wou er een Vlaamse elite vormen en het gezelschapsleven op gang brengen. Werd in 1938 stichtend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België.
BronnenBriefwisseling Engelsen
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
Naamvan Vlaanderen, Robrecht; Robrecht I "de Fries"
Datums° ca. 1029-32 - ✝ Kassel, 13/10/1093
GeslachtMannelijk
Beroepgraaf van Vlaanderen Artesië en Zeeland; regent van Holland
BioRobrecht I de Fries was graaf van Vlaanderen vanaf 1071 tot aan zijn dood in 1093. Onder zijn bestuur kende het graafschap een periode van relatieve stabiliteit en innerlijke vrede. Hij staat bekend om zijn binnenlandse hervormingen die met behulp van de steun van de steden het grafelijk gezag verstevigden, ten nadele van de voorrechten van de adel en geestelijken. Hij huwde in 1063 met Geertruida van Saksen, weduwe van graaf Floris I van Holland en vestigde zich in het toekomstige Holland (vanouds een deel van Frisia, vandaar ‘de Fries’). Na de dood van Boudewijn VI kwam hij terug naar Vlaanderen om er de macht te grijpen. Dat leidde tot een lange strijd met Richilde van Henegouwen en met de bisschop van Utrecht, wat uiteindelijk in zijn voordeel verliep. In 1086 trok hij op pelgrimstocht naar Jeruzalem. Na zijn terugkeer in 1091 maakte hij van Brugge een echt Europees handelscentrum en bouwde een kasteel in Wijnendale, waar hij overleed op 13 oktober 1093
Links[wikipedia]

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamLeuven
GemeenteLeuven
NaamSint-Kruis
GemeenteBrugge
NaamHaarlem

Naam - instituut/vereniging

NaamSociété des Lettres et des Sciences (Louvain)
BeschrijvingUitgever van het tijdschrift Le Muséon, Revue d'études Orientale. Het tijdschrift werd in 1881 door Ch. De Harlez opgericht en is gespecialiseerd op het gebied van het oude christelijke en middeleeuwse oosten.

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelFriesland over de grenzen
AuteurWinkler, Johan
Datum[s.d.]
Plaats[S.l.]
Uitgever[s.n.]
TitelWoordenboek der Nederlandsche Taal
AuteurDe Vries, D.; Te Winkel, L.A.
Datum1864-2001
Plaatss-Gravenhage
UitgeverNijhoff
Links[wikipedia]
TitelAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon
AuteurWinkler, Johan
Datum1874
Plaatss-Gravenhage
UitgeverMartinus Nijhoff
TitelDe Navorscher. Tijdschrift, Een middel tot gedachtewisseling en letterkundig verkeer tusschen allen die iets weten, iets te vragen hebben, of iets kunnen oplossen (periodiek)
AuteurLeendertz, P.; e.a.; Winkler, Johan (medewerker)
Datum1851-1960
PlaatsAmsterdam
UitgeverFrederik Muller
TitelKorrespondenzblatt des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung (periodiek)
AuteurWinkler, Johan (medewerker)
Datum1876-
PlaatsHamburg
UitgeverDer Verein
TitelLe Muséon: Revue d'Études Orientales (periodiek)
AuteurAssociation sans But Lucratif Le Muséon ; Société des Lettres et des Sciences (Louvain)
Datum1881-
PlaatsPeeters
UitgeverLeuven
TitelOnze volkstaal, tijdschrift gewijd aan de studie der Nederlandsche tongvallen
Auteurde beer, Tacco H.
Datum1882-1890
PlaatsBlom & Olivierse
UitgeverKuilenburg

Titel[07/03/1882], [Kortrijk], Guido Gezelle aan Johan Winkler
EditeurSofie Meneve
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2022
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
VerzenderGezelle, Guido
OntvangerWinkler, Johan
Verzendingsdatum[07/03/1882]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieDatum en plaats gereconstrueerd op basis van poststempel.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.42
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, 213x137 ; omslag: 73x112
wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, purperen inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden op zijde 4: stempel: afbeelding, Guido Gezelle Museum
briefomslag bewaard met adres en poststempel, afgestempeld
Toevoegingen op zijde 1 midden in de bovenrand: 87 ? (potlood, onbekende hand)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8838
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|17098
Inhoud
IncipitUw "schaap" en is niet "verloren" maar te mynen
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.