<Resultaat 252 van 2155

>

p1
Monsieur l’Abbé,

Voici tout ce que j'ai pu trouver sur les bolides[1] je vous envoie sous enveloppe ces fragments détachés - J’avais pensé d’abord vous envoyer les journaux entiers sous bande – mais envoyer le Journal de Bruges au rédacteur du Jaer 30! - Quel scandale![2] Le monde des postes et des chemins de fer s’en serait ému - Madame Popp en eût été instruite – et le lendemain un flamboyant “article” nous aurait appris que “les journaux cléricaux ne craignent pas de puiser aux sources impures du libéralisme” - N’est-ce pas là l’argot du métier? -

J’attends toujours Ste Walburge et ses viriles vertus[3] Je tâcherai de viriliser mon style pour lui faire honneur – Plaisanterie à part – je ferai de mon mieux pour que vousp2soyez content – En retour - vous prierez un peu pour mon frère[4] n’est-ce pas? - Et si vous avez parmi vos clients – quelqu’une innocente et pure – dont la prière monte véritablement comme un encens devant le Seigneur – voulez-vous – s’il vous plaît - lui recommender cette intention? Je vous en serais très reconnaissante -

J’ai oublié de vous dire hier que – ma tante et moi – nous vous en voulons mortellement pour avoir mis Ste Godelieve au 7[5] C’ toujours été le 6. Et maintenant avec votre 7 – nous voilà déroutées - et nous ne savons plus quand il ne peut pas pleuvoir[6] “T’ is misschien schrikkeljaer”- dit la crétinière[7] pour expliquer le changement de date sans désavantage pour son confesseur – Mais cette explication ne nous satisfait que très imparfaitement -

J’ai l’honneur d’être - Monsieur
p3
l'Abbé -
Votre très humble et toute dévouée servante
Marie Caïmo
Jabbeke – 3 Juillet.

Noten

[1] Marie Caimo verwijst onder meer naar artikels uit de Journal de Bruges over meteorieten (luchtstenen, aerolieten of vuurballen) die neergevallen waren. Zie: Nouvelles Diverses. In: Journal de Bruges (27 en 28 juni 1866). Ook De Landman (1 juli 1866) rapporteerde er uitgebreid over.
[2] Journal de Bruges was een liberale krant.
[3] Mogelijk gaat het over de ampullen met heilige olie van Sint-Walburga. Gezelle bestelde de flesjes uit Eichstät. Uit andere correspondentie blijkt dat hij ze binnen zijn netwerk verspreidde. Ook schreef hij er een artikel over, dat verschenen is in ‘Rond den Heerd’ 1 (1866), 22, p. 172.
[4] Omdat ze in latere brieven over haar broer Jean Liévin Caïmo schrijft, refereert ze wellicht ook hier aan hem. Minder waarschijnlijk bedoelt ze haar andere broer, François Caïmo.
[5] Verwijzing naar de Dagwijzer in Rond den Heerd 1 (30 juni 1866) 31, p.240. Daar wordt Sint Godelieve op 7 juli vermeld. Gezelle reageert in het slot van het volgende nummer (7 juli 1866) 32, p.254: “M. C., S. Godelieve staat den 7 Julij in 't calendarium van 't Bisdom.”
[6] Verwijzing naar de volksweerspreuk ‘Als het op Godelieve (6 juli) regent, regent het voor zes weken’. 6 juli is de feestdag van de H. Godelieve. Nu de datum veranderd is, weten de schrijfster en haar tante niet meer wanneer het niet zal regenen.
[7] Ook wel ‘crétine’: dwaze vrouw, zottin.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamCaïmo, Marie Colette Joséphine
Datums° Tolhuis (Schelle), 28/01/1829 - ✝ Oostkamp, 18/12/1873
GeslachtVrouwelijk
BioMarie Caïmo was de jongste dochter van militair Hyacinthe Ferdinand François Ghislain Caïmo (Schelle, 1796 – Heppen, 1847) en Marie Claeyssens (Ruiselede, 1797 – Brugge, 20/11/1841). Ze stamde uit een katholieke adellijke familie uit Jabbeke met Italiaanse roots. Guido Gezelle schreef een artikel in Rond den Heerd 03/11/1866 over de familie, waarin we leren hoe de in 1570 geboren Hyppolite Caïmo - Otto in het artikel - naar de Nederlanden kwam door zijn militaire carrière. De bekende Brugse bisschop Joannes-Robertus Caïmo was de broer van Maries grootvader. De familie maakte deel uit van het netwerk rond "’t Jaer 30" en ondersteunde de katholieke activiteiten. Zelf bleef Marie ongehuwd en stierf te Oostkamp op vierenveertigjarige leeftijd op 18 december 1873.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Rond den Heerd; 't Jaer 30
BronnenArchiefbankbrugge.be; Luc Schepens, De provincieraad van West-Vlaanderen 1836/1921, Tielt, 1976, p.420 en 489. J. Gailliard, Bruges et le Franc V, Brugge, 1862, p.230-231; bidprentje Marie Caïmo

Briefschrijver

NaamCaïmo, Marie Colette Joséphine
Datums° Tolhuis (Schelle), 28/01/1829 - ✝ Oostkamp, 18/12/1873
GeslachtVrouwelijk
BioMarie Caïmo was de jongste dochter van militair Hyacinthe Ferdinand François Ghislain Caïmo (Schelle, 1796 – Heppen, 1847) en Marie Claeyssens (Ruiselede, 1797 – Brugge, 20/11/1841). Ze stamde uit een katholieke adellijke familie uit Jabbeke met Italiaanse roots. Guido Gezelle schreef een artikel in Rond den Heerd 03/11/1866 over de familie, waarin we leren hoe de in 1570 geboren Hyppolite Caïmo - Otto in het artikel - naar de Nederlanden kwam door zijn militaire carrière. De bekende Brugse bisschop Joannes-Robertus Caïmo was de broer van Maries grootvader. De familie maakte deel uit van het netwerk rond "’t Jaer 30" en ondersteunde de katholieke activiteiten. Zelf bleef Marie ongehuwd en stierf te Oostkamp op vierenveertigjarige leeftijd op 18 december 1873.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Rond den Heerd; 't Jaer 30
BronnenArchiefbankbrugge.be; Luc Schepens, De provincieraad van West-Vlaanderen 1836/1921, Tielt, 1976, p.420 en 489. J. Gailliard, Bruges et le Franc V, Brugge, 1862, p.230-231; bidprentje Marie Caïmo

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamJabbeke
GemeenteJabbeke

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamCaïmo, Marie Colette Joséphine
Datums° Tolhuis (Schelle), 28/01/1829 - ✝ Oostkamp, 18/12/1873
GeslachtVrouwelijk
BioMarie Caïmo was de jongste dochter van militair Hyacinthe Ferdinand François Ghislain Caïmo (Schelle, 1796 – Heppen, 1847) en Marie Claeyssens (Ruiselede, 1797 – Brugge, 20/11/1841). Ze stamde uit een katholieke adellijke familie uit Jabbeke met Italiaanse roots. Guido Gezelle schreef een artikel in Rond den Heerd 03/11/1866 over de familie, waarin we leren hoe de in 1570 geboren Hyppolite Caïmo - Otto in het artikel - naar de Nederlanden kwam door zijn militaire carrière. De bekende Brugse bisschop Joannes-Robertus Caïmo was de broer van Maries grootvader. De familie maakte deel uit van het netwerk rond "’t Jaer 30" en ondersteunde de katholieke activiteiten. Zelf bleef Marie ongehuwd en stierf te Oostkamp op vierenveertigjarige leeftijd op 18 december 1873.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Rond den Heerd; 't Jaer 30
BronnenArchiefbankbrugge.be; Luc Schepens, De provincieraad van West-Vlaanderen 1836/1921, Tielt, 1976, p.420 en 489. J. Gailliard, Bruges et le Franc V, Brugge, 1862, p.230-231; bidprentje Marie Caïmo
NaamCaïmo, François Louis Joseph; Caïmo, Frantz
Datums° Schelle, 15/06/1827 - ✝ Gent, 24/07/1896
GeslachtMannelijk
Beroepgrondeigenaar; provincieraadslid; ridder
BioFrançois Louis Joseph, genaamd Frantz Caïmo werd op 15 juni 1827 te Schelle geboren als zoon van militair Hyacinthe Ferdinand François Ghislain Caïmo (Schelle, 1796 – Heppen, 1847) en Marie Claeyssens (Ruiselede, 1797 – Brugge, 20/11/1841). Hij woonde in Jabbeke als grondeigenaar toen hij er op 11 juni 1856 trouwde met zijn nicht Félicie Livine Marie Dewilde (1832-1890), grondeigenares, en dochter van notaris Felix Amandus Dewilde (+Wingene, 1838), burgemeester van Ruiselede en liberaal provincieraadslid. Félicies moeder was Monica Claeyssens (+Ruiselede, 1846), die de zus was van zijn eigen moeder Marie. Het echtpaar François en Félicie had vier kinderen: Robert Marie (1857-1872), François Auguste (1859-1861), Julienne Emerence (1862-1894) en Louise Leonie (°1866). François Caïmo zelf was van 1868 tot 1872 katholiek provincieraadslid voor het kanton Ruiselede. Hij werd in de adelstand verheven in 1867. François en Félicie hadden hun hoofdverblijfplaats op de Mallebergplaats in Brugge, maar zouden een kasteel in Jabbeke gehad hebben. François overleed op 24 juli 1896 in Gent.
Links[wikipedia]
BronnenArchiefbankbrugge.be; Luc Schepens, De provincieraad van West-Vlaanderen 1836/1921, Tielt, 1976, p. 420 en 489. J. Gailliard, Bruges et le Franc, V, Brugge, 1862, p. 230-231 Delcampe (bidprentje Marie Caïmo) Rijksarchief
NaamCaïmo, Livinus Joannes Ludovicus; Caimo, Jean Liévin
Datums° Schelle, 08/05/1826
GeslachtMannelijk
Beroeplegerkapitein
BioJean Liévin Caimo werd op 5 augustus 1826 in Schelle geboren als zoon van de militair Hyacinthus Caimo (Schelle, 1796 - Heppen, 1847) en Maria Claeyssens (Ruiselede, 1797 - Brugge, 20/11/1841). Hij was de oudste broer van Marie Caïmo en komt ter sprake in een artikel van Guido Gezelle over de familie Caïmo: volgens Gezelle is hij "opperveldtuigmeester van 't oostenrijksch leger, Aartshertog Aalbrecht". Hij was – zonder toestemming van de Belgische overheid – in dienst getreden van het Oostenrijkse leger, waar hij kapitein werd bij het 10de regiment van de Huzaren. De Oostenrijkse overheid verleende hem de adellijke titel van graaf. In 1857 diende hij zijn ontslag in als kapitein, om op 11 juni 1857 met barones Nathalie de Mainau (Eiland Mainau, Duitsland, 06/12/1836 - ?, voor 1876) te trouwen en liet zich naturaliseren tot Zwitser. Het echtpaar betrok het herenhuis Lilienberg in Ermatingen, Zwitserland, gelegen op een glooiende heuvel tussen Seerücken en Untersee. Samen kregen ze twee dochters: Marie Liévine en Virginie Jeanne.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezelleonderwerp in Rond den Heerd
Bronnen https://nl.geneanet.org/ ; Rond den Heerd: 1 (3 november 1866) 49, p.385; J.J. Gailliard, Bruges et le Franc ou leur magistrature et leur noblesse avec des données historiques et généalogiques sur chaque famille, vol. 5. Brugge: J. Gailliard, 1862, p. 231-232
NaamBoussart, Caroline Clémence; Popp, Caroline
Datums° Binche, 12/12/1808 - ✝ Brugge, 02/12/1891
GeslachtVrouwelijk
Beroepauteur; hoofredacteur
BioCaroline Cléménce Boussart werd op 12 december 1808 in Binche geboren als dochter van kolonel ridder Félix Boussart (1771-1814) en Thérèse Picot de la Perouse (1775-1850). In 1827 huwde ze met Philippe-Christian Popp (1805-1879) en verhuisde het koppel naar Brugge, waar Philippe-Christian benoemd was tot controleur bij het kadaster. Vanaf 1850 drukte en publiceerde hij de naar hem genoemde kadasterplannen. Toen op 1 april 1837 de katholieke krant Le nouvelliste de Bruges (later La Patrie) verscheen, richtte P.C. Popp meteen de liberale pendant Journal de Bruges op, met Caroline Popp aan het hoofd. Zij zou, als eerste vrouw ooit, gedurende meer dan 50 jaar de krant leiden als hoofdredactrice, bijgestaan door haar dochters Antoinette en Nelly, die de krant later verderzetten. De Journal de Bruges bleef bestaan tot in 1953. Caroline Popp pleitte voor het onderwijs voor de volksvrouw en de afschaffing van de doodstraf. Zij was een verdienstelijk schrijfster, bewonderd door Georges Rodenbach, Victor Hugo en Emile Verhaeren. In haar "Récits et légendes des Flandres" (1867) verscheen "Serena, de legende van de kant", een verwijzing naar de uitbuiting van de kantwerksters door de katholieke kantscholen in die tijd. Bij haar dood wijdde de New York Herald een artikel aan haar.
Links[wikipedia]
Bronnen https://podcasts.apple.com/be/podcast/6-caroline-popp-de-eerste-belgische-journaliste-en/id1573923101?i=1000531652272; https://gw.geneanet.org/
NaamClaeyssens, Colette Josephe
Datums° Ruiselede, 26/02/1797 - ✝ Brugge, 27/12/1870
GeslachtVrouwelijk
BioColette Josephe Claeyssens werd op 26 februari 1797 te Ruiselede geboren als dochter van Liévin Jean Claeyssens, burgemeester van Ruiselede, en Anne Josephine De Schryver. Zij trouwde op 10 november 1819 in Ruiselede met François Joseph Macaire D’Hont (Brugge, 03/03/1776 - Sint-Andries, 02/11/1830), zoon van Jean Bernard D’Hont (+Sint-Michiels, 1817) en Jeanne Vandewalle (+Sint-Michiels, 1811). Deze François D’Hont had kinderen uit een eerste huwelijk met Colette Vande Male, waaronder Eduard D’Hont-De Waepenaert, auteur van "Quartiers généalogiques des familles flamandes" (1871). Colette overleed in Brugge op 27 december 1870.
Bronnen https://nl.geneanet.org/; https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/88758 (kasteel Jabbeke); https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/74824 (kasteel Sint-Andries); https://www.google.be/books/edition/Parochieboek_of_beschryving_van_van_Jabb/hI5bAAAAQAAJ?hl=nl&gbpv=0; https://www.google.be/books/edition/Pasicrisie_belge/j0kH8u0oY68C?hl=nl&gbpv=0; https://www.google.be/books/edition/Dhont_contre_Ca%C3%AFmo_Faits_moyens_pour_le/5tdpQIbk_BUC?hl=nl&gbpv=0;

Naam - plaats

NaamJabbeke
GemeenteJabbeke

Titel - werk van Guido Gezelle

Titelt Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke lieden.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelJournal de Bruges et de la province
Datum1837-1953
PlaatsBrugge
UitgeverPopp

Titel03/07/[1866], Jabbeke, Marie Colette Joséphine Caïmo aan [Guido Gezelle]
EditeurJohan Van Eenoo; Marc Carlier (research)
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderCaïmo, Marie Colette Joséphine
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum03/07/[1866]
VerzendingsplaatsJabbeke (Jabbeke)
AnnotatieJaartal en adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, ?
wit
papiersoort: 3 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden briefpapier: afbeelding gedrukt in zwarte inkt: de naam Marie in gotische letters met daarboven een gravenkroon met drie fleurons, tweemaal drie parels en een klimmende hond met halsband
Toevoegingen op zijde 1 bovenaan: Aan G. Gezelle 3/7/(1866 (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID GezellearchiefAanw. 676
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|26477
Geschiedenis 27/04/2021, Rijksarchief Kortrijk: Teruggave Antoon Viaene
Inhoud
IncipitVoici tout ce-que j'ai
Tekstsoortbrief
TalenFrans
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.