Uw correspondent van Zondag laatst, die D. teekent, schijnt goed de geschiedenisse van sint Bruno, en nog wat erbij te kennen.[2]
t Is waar dat sint Bruno doceerde te Rhyemen; 'k zal erbij voegen dat hij opvolgentlijk lesse gaf in de studia humaniora, in de wijsheid en in de Godheid, hetgene de Bollandisten klaar bewijzen in den commentarius prævius tot zijn leven.
De betrekkingen die tusschen de Metropolies Rhyemen en Brugge bestonden, kunnen nog opgehelderd worden door de gifte die Ebbo, Aartsbisschop van Rhyemen, in 842 aan Grave Boudewin den Iseren deed, het lichaam te weten van sint Donatianus, zijnen voorzaat, dat bestemd was om in Bruggen Kathedrale vereerd te worden zoodra Grave Boudewin den Burg zou verschansd hebben.
Tot verder bewijs daarvan zal ik nog bijbrengen dat men in ons bisdom in 't jaartellen den styl van Rhyemen volgde, die bestond in het jaar te beginnen met Paaschen. Ja, dat men zelfs de gewone schrijfmanieren, die elders in Vrankrijk gevolgd wierden, niet aan en nam, om te beduiden of een dag voor of na Paaschen kwam. Aldus, van eenen dag, waarover men, zonder aanteekeninge, zou kunnen getwijfeld hebben of hij voor of achter Paaschen viel, en zetten de capitelacten van sint Salvators niet: ante of post pascha, noch ook: more gallicano, gelijk elders overal, maar: more scribendi prouincie Rhemensis.[3] Dit zal verder in dezen mijnen brief blijken uit hetgene ik aanhale uit gemelde acten. -
Laat mij nu, eerweerde Heer ende Vriend, wederkeeren naar Bisschop de Hauwere, waarvan ik begonnen heb te spreken, op sinte Rosalia laatstleden, bladz. 338.[4]
Maar eerst moet ik u vragen dat gij zoudt de woorden Bisschop van Tererburg dood doen, achter den name van Drogo; alsook de o van Meeussono veranderen in eene e. ' k Zou u ook nog moeten vragen waarom gij gedrukt hebt Hugo Doens, in plaatse van Hugo Coens, en waarom gij achter Meeussone, Meeuwsseune stelt met een?, alsof het zou eene questie zijn of Meeussone en Meeuwsseune hetzelfste is. Misschien omdat gij twijfeldet of ik het woord wel geschreven hadde, maar ik verzekere u dat, in het stuk dat in 1380 geschreven is, de name gespeld staat zoo ik hem geschreven hebbe. Pater Soller en heeft dit stuk niet nauwkeurig afgeschreven, zoo ik gezien hebbe, wanneer ik zijne uitgave vergeleek met het oorspronklijk pergament.
Nu, een kruisken en een vaantjen over de missen die gij mij hebt doen begaan, aangezien dat ze toch niet onverbeterd en zullen geboekt blijven.
Voor de Hauwere, zet Sanderus en, na hem, Pastor Ocket, in zijn handschrift, De Harwere; elders, in zijne handschriften en vinde ik deze laatste spellinge niet, maar de houwere, dhauwere, ab houerio, of kort af Houerius.
Hoort hoe Wilhelm de Hauwere Deken wierd van sint Salvators.
Heere ende Meester Pieter de le Carreest, alias Carreest of de le Kerrest, Deken van sint Salvators, was dezer wereld overleden den 18 Junij 1552, en, op den zelfsten dag had het Capitel, in zijne vergaderinge, Meester Aarnout Dierckens, Pastor van de Gouden Portie, aangesteld om 't gezag te oefenen tijdens de vacantie van de Dekenije.
Eenige dagen later, te weten op den 21 van de zelfste maand, hielden de Kaneuniken kiezinge, en de meerderheid van stemmen viel op Meester Jan Baheyt, hunnen confrater, en Commissaris van het Hof van Doornijk.
Heer Baheyt was wel te vreden over zijne kiezinge, ook, den 27 Junij bedankte hij plechtiglijk de Kaneuniken, zoo de capitelacten het ons doen weten. En, al is het dat de capitelacten het zwijgen, zoo peize ik, zonder vermetel oordeel, te mogen erbij voegen, dat de bedankinge zal het leven gekost hebben aan meer als een kopstuk uit Meester Baheyt zijnen kelder.
't Ging Baheyt gedenken zoo vroegtijdig bedankt te hebben. Immers Keizer Karel had zijnen Deken gereed, en die Deken was Bisschop Wilhelm De Hauwere. Het sleepte nogtans een tijdeken aan, en de Kaneuniken van sint Salvators en roerden niet, ten minsten voor zoovele het te vernemen is uit de capitelacten.
Het was bij Pauselijke gunste, dat de benoeminge tot geestelijke weerdigheden en tot al de kerken van 't Rijk, den Keizer toekwam. De keizerlijke brieven van benoeminge van De Hauwere tot de Dekenije van sint Salvators zijn gegeven te Bergen, den 16 Julij 1552.
Maar, wilde De Hauwere Deken gekozen worden door 't capitel, hij moest eerst Kaneunik zijn.
Hij vroeg gevolgentlijk om zijne cantorije in de Capellekerke te Brussel, aan sint Jooris autaar, te verwisselen tegen de canonicale prebende aan sinte Kathelinen autaar in de collegiale van sint Salvators, welke prebende alsdan bezat Meester Pieter Brondhon, Priester van 't bisdom van Kamerijk. De verwisselinge geschiedde, en, den 30 Oest 1552, presenteerde Heere en de Meester De Hauwere zijne brieven van collatie van den Bisschop van Doornijk, zijner Hoogweerdigheid Karel de Croy. Den zelfsten dag nam hij bezit en wierd geinstalleerd, door Meester Aarnout Dierkins, die, om reden van het openstaan der Dekenije, het voorzitterschap bekleedde.
Daarna, altijd op den zelfsten 30 Augusti, na den inhoud van de keizerlijke brieven, die de Capitelheeren verzochten hem te willen kiezen of vragen, wierd hij Deken gekozen.
De brieven van den Bisschop van Doornijk aangaande zijn canonicaat staan uitgeschreven in den Registrum III, folio 150 verso, en deze van den Keizer nopens de Dekenije, ibidem, folio 152, recto.
De prebende aan sinte Kathelinenautaar was gevestigd in de nog bestaande sinte Kathelinen capelle, het capelleken voorbij dat van Karel den Goede, dat alsdan sint Lieven capelle was, en waar de Schrijnwerkers hunnen dienst deden.[5]
In de capelle waar Heere ende meester de Hauwere zijne prebende had, vierden de Wagenmakers hunne diensten sedert den 28 julij 1516. Het is in dit capelleken dat het geschilderd glasraam van den zeer eerweerden Heere Kaneunik Andries te zien is. Sinte Katheline is er nog te aanschouwen, in beelde, boven op den autaar, en haar wiel speelt in de versieringen van den tuin.
De Hauwere draagt in al deze acten den titel van Bisschop van Sarrepta. Het is geweten dat de Bisschoppen van Doornijk, om reden van de uitgestrektheid van hun bisdom, alsdan, even als nu de Aartsbisschop van Mechelen, wijbisschoppen hadden. Vele onder dezen waren Bisschoppen van Sarrepta in partibus, en resideerden te Brugge. Meester de Hauweres voorzaat, Johannes Destraux, was Bisschop van Sarrepta sedert 1543. Wanneer de Hauwere gewijd wierd, waar en door wien, is mij tot nu toe onbekend gebleven.
Ondertusschen terwijlen dat de Hauwer Deken was van sint Salvators, kwam de pastorije van sinte Walburge open te vallen, die, als ook de pastorije van sint Jacobs, onder het patronaat van het capitel van sint Salvators stond. Immers Meester Jooris Vandenberghe, als Procurator van Meester Wilhelm de la Couronne, had de pastorije, namens dezen laatsten, opgezeid, ter cause van permutatie tegen de eeuwigdurende geestelijke kosterije, custodiam siue matriculariam,[6] die gesticht was in de prochiekerke van Waerdamme.
Volgens capitulaire acten, wierd de collectie tot de openstaande pastorije gedaan ten voordeele van Heere ende Meester de Hauwere, op den 27 Februarij, volgens de wijze van 't jaar te rekenen die in voegen was in 't Rhyemsche, more scribendi prouincie Rhemensis,[7] van 't jaar 1557. Dat is, volgens de nieuwe tijdrekeninge, op den 27 Februarij 1558. Immers wij beginnen het jaar met den 1sten Januarij, daar in de provincie van Rhyemen het jaar met Paaschen begon, en 't capitel van sint Salvators stond onder Doornijk, 't welke bisdom van eersten af deel gemaakt had van de aartsbisschoppelijke provincie van Rhyemen.
De act van bezitneminge van de Hauwere, als Pastor van sinte Walburge, is van den 4 Maarte, 't zelfste jaar 1558.
Maar wanneer stierf Bisschop De Hauwere? Sanderus antwoordt: Omtrent 1560. Er is middel van dit nader te bepalen.
Hij was misschien reeds ziek op den laatsten October 1558, immers in capitelacte van dezen dag, wanneer kaneuniken Pieter Strekelinc en Pieter Cocquel bezit namen van hunne prebenden, wierd het capitel voorgezeten door Meester Pieter Verdonck, de oudste van de drie Pastors van sint Salvators, in de afwezigheid van den Deken.
Daarmede nogtans en komen wij niet verre; want er zou kunnen gemeend worden, en 't heeft ook zijne waarschijnelijkheid, dat Bisschop De Hauwere ten tijde misschien op vorminge was, wijbisschop zijnde van Doornijk.
In de capitelacten van sint Salvators vind ik diesaangaande op den 24 Februarij, feestdag van sint Matthijs, van 't jaer 1558, volgens den styl van Rhyemen, 1559 volgens onze tijdrekening: “Aangezien zaliger gedachtenisse, de eerbiedweerdige Heere ende Vader in Christo, Meester Wilhelm De Hauwere, Doctor in de Godheid, laatste Deken van de collegiale kerke van sint Salvators te Brugge, daags te vooren, 's nachts, 't gene zonder bittere droefheid niet en kan vermeld worden, den tol aan de nature betalende, zijnen geest aan den oppersten schepper, zijnen Heere, wedergegeven heeft, de Heeren van 't capitel, vergaderd......”
Wij hebben daar gevolgentlijk de date van Heere ende Meester De Hauwere zijn overlijden, te weten hij stierf op den 23 Februarij 1559, volgens den nieuwen styl.
Zijn opvolger, den zelfsten dag gekozen, en goedgekeurd door keizerlijke brieven van Philips II, van 28 Julij 1559, was Heere ende Meester Dionysius Paulin, Kanonik van sint Salvators, die, den 23 October van 't zelfste jaar bezit nam van zijne dekenije.
Daar is 't al dat ik tot nu toe vernomen hebbe, aangaande Bisschop De Hauwere.
Ten naasten keer eenige woorden over de andere persoonen die te voorschijn komen in den act van verheffinge van sinte Godelieven Reliquien, die door De Hauwere gedaan wierd.






