Volgens Pater Soller, acta sanctæ Godelevæ, bladz. 78, staat op Heere De Hauwer's zegel zijn patroon sint Wilhelm verbeeld, in biddende houdinge.
De verbeeldinge van den Engel die tot hem uit de lucht komt vindt haren uitleg in de volgende regelen uit de Generale legende der Heiligen van RibaDineira en Ros-Weydus, eerste deel, bladz. 286.
De legende, na verteld te hebben dat sint Wilhelm zijne woonste verkozen had in een hol, niet verre van het huis van den Patriarch van Jerusalem, en dat hij negen jaar daarin verbleven heeft, zegt voort in dezer voegen:
“Hij brocht veel nachten over in het gebed, hij beweende bitterlijk zijne zonden, hij sloeg op zijne borst, ende hij leidde meer eens Engels leven als dat van eenen zoo grooten zondaar ofte sterffelijk mensch: ende alzoo begonste de Heere hem te toeven, ende Engelen tot hem te zenden, die hem dikwijls bezochten, vermaenden ende vertroosteden.”
Aldus de Generale legende, in het leven van sint Guilihelmus, Eremijt, Hertog van Guyenne en Grave van Poictiers.
Over sint Wilhelm, leest R. d. H., II. 83 en IV. 82.
Misschien dat de trek die zou kunnen voor eene opkrinkelende slange genomen worden, rechts van dien zegel, den rotsewand verbeeldt van het hol waarin de Heilige woonde. Misschien is het ook wel eene slange, tot verbeeldinge van 't gene hem de duivel deed uitstaan te Pizza, in Italien, te weten, volgens de zelfste Generale legende, bl. 287: “Als hij op eenen nacht in zijne eenzaemheid was in een vierig gebed ende beschouwinge van God, zoo kwam daer eene groote menigte van duivelen, met een groot gedruisch ende getier, ende in verscheiden ende schromelijke gedaanten, van peerden, leeuwen, tigeren, beren, serpenten, ende andere wilde beesten, brieschende, ende een iegelijk zijn geluid makende, om hem te vervaren......”
Doch achter dit gebeurde verschijnt onze lieve Vrouwe, en niet een Engel, gelijk op den zegel verbeeld is.
Een der geleerdste meêschrijvers van R. d. H. is mij gisteren komen zeggen, dat hij meent dat ik mis ben wanneer ik tot voorzaat van Meester De Hauwere als Suffragaan van Doornijk opgeve Johannes Destraux. “Immers”, zeide hij mij, “volgens Sanderus, wierd broeder Niklaais de Burellis, gezeid Bureau, van 't order der Minderbroeders, Bisschop van Sarrepta en wijbisschop van Doornijk in 1520; hij stierf ten jare 1551 en wierd begraven ten Recolletten, aan den tweeden pilaar, rechts al inkomen.” Wat Johannes De Witte aangaat, die te Brugge geboren wierd den 6 Augusti 1475, en later, Prediker geworden, Bisschop van Cuba gewijd wierd, de brave en moedige man, na loop van jaren, en te enden gevrocht, kwam weder naar zijne geboortestad. “Wel is waar”, zegde mijn bezoeker, “hij oefende meermaals zijn bisschoppelijk ambt in onze stad, maar hij en mag toch geen Suffragaan van Doornijk genoemd worden. Wat aangaat Rogier de Jonghe ofte, op zijn latijnsch, Rogerius Juvenis, van 't order der Eremiten van sint Augustijn, — zijn leven en zijn portrait staan in Pater Keelhoffs Histoire du l'ancien couvent des ermites de saint Augustin à Bruges, bladz. 213 en volgende, — deze en wilde nooit, uit ootmoedigheid, het ambt aanveerden van Wijbisschop dat Bisschop Karel de Croy hem vroeg te bekleeden. Ergo dan, De Hauwers voorzaat, als Wijbisschop, was Niklaais de Burellis.”
Aldus sprak mijn geleerde vriend, volgens Sanderus. Maar ‘k hebbe hier bij der hand een stuk uit de jaren 1600, wezende eene “liste des suffragans de l'Eglise cathedral de Tournaij”. Het stuk eindigt aldus: “La liste cij dessus at été verifié par les autheurs et autres monumens par devant les six commissaires nommé par le chapitre a l'examen de laditte verification, en foij de quoij nous avons signé les presentes etoit signé par ordonnance monian secrè.” Het is een afschrift, zoo men ziet, van eene lijste gemaakt bij order van 't capitel van....? ter oorzake van....? Wie brengt er daar licht over, alsook over den name Monian, dien ik niet en kenne ?
Op deze lijste staat Johannes Destraux, als Bisschop van Sarrepta, onder Karel de Croy, te beginnen met den jare 1543. Zij en is zoo volledig niet als deze van Sanderus; de Hauwere zelve en staat er niet op vermeld, al is het dat Lucas Jacobi er ten voorschijn komt, die, navolgende Sanderus, De Hauwers opvolger was, Bisschop van Sarrepta gemaakt zijnde door zijne Heiligheid Pius IV, in 1561.
Daar De Hauwere Wijbisschop was, volgens Sanderus, sedert 1552, zou Destraux het geweest hebben van 1543 tot 1552, negen jaar lang.
Daar tegen is dat Niklaais de Burellis maar en stierf in 1551, volgens Sanderus. Ja, volgens eenen saarter,[3] die ik hier voor mij liggen hebbe, met Niklaais hangenden ronden zegel eraan, op rood lak, getuigt Heere ende Meester Niklaais, Bisschop van Sarrepta, dat hij den 13 Januarij van 't jaar 1546, more scribendi provincie remensis,[4] dat is, volgens onze tijdrekeninge, van 't jaar 1547, op verzoek van de devote in Christo zonen ende dochteren den Meester ende de Meesteresse alsook de religieuse persoonen van sint Jans hospitaal, te Brugge, in 't Bisdom Doornijk, gewijd heeft eene capelle, gelegen in de kerke van gezeid hospitaal, slinks, als men inkomt, waar eertijds een autaar gesteld wierd en geconsacreerd ter eere van God en van de heilige Anna, Apollonia en Brigidda.
Daarbij, volgens de chronike van sint Andries, door Aarnout Goethals, uitgegeven door den Heere Weale, was het Niklaais die, den 6 Maarte 1547, nieuwe styl, Johannes van der Weerden bevestigde als Abt van sint Andries.
Daaruit volgt dat Destraux maar ten vroegsten en zou kunnen wijbisschop van Doornijk geworden zijn in 1547, te nemen nog dat de Burellis zou opgehouden hebben van zijn ambt van wijbisschop uit te oefenen, eenige jaren voor zijne dood.
Uitleg blijft noodig: voor den oogenblik en zie ik er niet klaar door. Wie zal er licht brengen?
Nu eenige woorden op de andere persoonen, die in sinte Godelieven verfierteringe De Hauwer tot getuigen dienden.
A. Meester Angelus Bave,[5] die den act van sinte Godelieve teekent als Notaris, bekleedde dit ambt voor het capitel van sint Salvators sedert 1551: hij teekende den eersten keer den capitelact van 20 Julij. Zijn voorzaat droeg name Ferret. Angelus Bave komt den laatsten keer ten voorschijn als Notaris van 't capitel den 4 Julij 1675,[6] en den 16 Oest vind ik Theodorus a Bambeke of D'bambeke.
Angelus Bave vind ik nog achter 't overlijden van Pieter de Corte, eersten Bisschop van Brugge, als doende zijnen eed van Procurator curie episcopalis en commisssarius sive expeditor commissionum.[7] In deze laatste hoedanigheid zullen wij hem verder vinden onder litt. F.
Ik vinde nog eenen meester Angelus Bave, apostelijken Notaris van het bisdom Terenburg, in het tijdschrift La Flandre, 2e deel, bladz. 141.[8] Maar hij teekent een stuk van 1519, berustende in de archivenkamer van den Staat te Brugge. Zou hij de zelfste zijn met den onzen? 't Is reden om te twijfelen, om wille van die date 1519.
Deze Angelus Bavens notarieel teeken staat in 't zelfste werk, op de vijfde plate, numero 51.
B. Johannes Franciscus Affaytadi, alias d'Affaytadi, of Laffetadi, zone van Johannes en kleenzone van Karel,[9] zoo de act het getuigt. Deze laatste was een edelman van Cremona, die naar Antwerpen was komen koophandel drijven.
Ondertusschen was de groote oorlog los geborsten tusschen Keizer Karel en Frans I van Vrankrijk, die moest eindigen met den slag van Pavia, den 24 Februarij 1525, wanneer Frans I gevangen genomen wierd en aan onzen Karel de Lannoy zijn zweerd overgaf.
Anthonis van Luxenburg, Grave van Brienne en Ligny, Baron van Ramera, Piney, Vicomte de Machault, Heere van Ghistel, Tingri, enz., die later, in 1535, met Margriete van Savooien in huwelijk trad, en den 8 Februarij 1557 stierf, had de wapenen opgenomen voor den Koning van Vrankrijk en verdedigde Ligny tegen den Spanjaard, wanneer dit casteel ingenomen wierd. Tot straffe daarover verklaarde keizer Karel zijn landgoed van Ghistel, verbeurd. Wanneer Anthonis in 't slot van Vilvoorde gevangen zat, verkocht hij zijn goed van Ghistel om zijn rantsoen te betalen, en hij verkreeg eraf de somme van 40 duist guldens van Karel Affaytadi, wiens afstammelingen Heeren van Ghistel bleeven, tot dat de Fransche omwentelinge al die heerlijkheden kwam afschaffen. Aldus uit 's Heeren Grave de Limbourg-Stirums nauwkeurig werk getiteld: Le chambellan de Flandre et les Sires de Ghistelles, bladzijde 184.
C. Wilbrecht Le Bleu, die genoemd is in den act van verfierteringe van 1557, was de negen-en-twintigste Abt van sint Andries, bij Brugge. Hij was de opvolger van Heere ende Meester Johannes van der Weerde, die stierf den 11 December 1559. Sedert 1553 of daaromtrent had Le Bleu Coadjutor geweest van zijnen voorzaat van der Weerde, die vervallen was in lamheid, bij zoo verre dat, op de sprake uitgenomen, geene van zijne lidmaten hem dienstig en waren. Als Abt van der Weerde zag dat er aan zijne ziekte geen doen en was noch genezing te verhopen, zeide hij den 21 Februarij 1555 zijne abdije op, den welken dag, onder 't luiden van al de klokken, Heere Le Bleu naar de kerke geleid wierd en in het abbatiaal zitten ingehuld. Wilbrecht Le Bleu beleefde de slechte tijden der Geuzen. Hij was geprofest sedert 1533; wanneer hij Priester wierd en weet ik niet, maar hij was het reeds in 1549.
In vooruitzicht van de komste der Geuzen, deed Le Bleu 't zuiderlijk deel van de Refugie ofte schuilplaatse der Abdije, nu de Capucinessen,[10] R. d. H. II. 412, geheel herstellen. In 1559 kocht hij twee huizen om ze te vergrooten, langs den oostkant, en later kocht hij er nog een derde bij, recht over het domus lanionum,[11] dat moet gestaan hebben rechts, als men van de Vrijdagmart komt, geheel in het begin van de Hauwerstrate, zoo op Marc Gheeraerts afteekeninge van Brugge de tegenwoordige Rue de la Hâche heet.[12] Dit derde huis afgesmeten zijnde, wierd, op de erve ervan, het voorenste deel van de capelle van de Refugie gebouwd. Aldus staat in een handschrift van de zeventienste eeuwe. Daaruit komt het dat, tot voor den franschen tijd, Gilbert Le Bleu's wapens op de balken en in de veisters van den bouw te zien waren, zoo ik het te weten gekomen ben uit Pastor Ockets handschrift.
Tegen dat de Geuzen opkwamen schuilde Abt Le Bleu met zijne Paters in de refugie, verdook daar al het zilverwerk en de kostelijke kerkgewaden van zijne abdije.
Wanneer hij vernam dat de Geuzen de abdije verwoest hadden, sloeg het den ouderling aan zijn herte, hij wierd neêrslachtig, en hij vroeg eenen Coadjutor, den welken hij verkreeg op den 29 Julij 1578, in den persoon van Niklaas Michiels, die Prior was van de abdije. Le Bleu hield voor hem, om te leven, eenen ceins op het Waailand te Snaaskerke, maar willende met eenen Pater de Geuzen ontvluchten, viel hij in hunne handen. Vrijgekocht, ten prijze van veel geld, door zijnen opvolger, verliet hij het klooster, dwalende in armoede, tot dat hij, na zeven jaar, terug keerde, ende zijn leven eindigde, jubilaris, in de refugie, Abt zijnde Pieter Haymeric of Hemerijck, zijn tweede opvolger. Hij wierd begraven den 18 April 1591 in de kerke van het Godshuis sint Juliaans, aan de Bouverijepoorte; hij moest alsdan in de tachentig zijn.
Zijn wapen was: blauw veld met een zilveren sint-Andries-kruis, bevattende een zilveren merel in den ondersten hoek.
't En mag ook niet vergeten zijn dat Le Bleu het gebruik van vleesch te eten in 't klooster afschafte, en de voorige observantie van Bursfeld weder inbracht.
Laat mij toe voor vandage ervan uit te scheeden.






