Over jaar, een stuksken verzen van mij overlezende, deed Heer ende Meester Verriest mij het woord “Kerels” vervangen door dat van “Vlamen”, mij zeggende dat gij dit woord gebruiktet, en het onder andere gebruikt hadt in eene uwer voordrachten.[2] Sedert hebbe ik dan meermaals het woord gebruikt, en nu onlangs heeft eene studentengilde den name van “De Vlamen” op haar blazoen geschreven. Het schijnt dat men het Vlaamsch-zijn van het woord betwist, ten minsten in dien zin, te weten als beteekenende, de “inwoners van het Vlaanderenland”; men zegt dat de vlamingen alzooveel “Vlamen” mogen heeten als de hollanders “hollen”. Ik bidde u, Heer ende Meester, al is 't misschien wat stout van mijnentwege, geef mij desaangaande eenige verklaring en uitleg, opdat ik, als 't nood doet, den beknibbelaars antwoord geve. Geef ons, a.u.b., zoo vroeg mogelijk antwoord en bescheid, en ze zullen u met velen alhier erkentelijk zijn.
p1
Rouselare, Zaterdag nuchtend.
Heer ende Meester[1]
In afwachting, groete u eerbiedig.
Uw “leerling”
Albrecht Rodenbach.
Noten
[1] De locatie van de originele brief is onbekend. De brief is enkel in gepubliceerde vorm beschikbaar: Karel Platteau, Guido Gezelle voelde voor Rodenbach. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (Gent): (1996) 1, p.65.
In het artikel staat in voetnoot: “Bij de oprichting en ondersteuning van een andere nieuwe gilde deed Rodenbach een beroep op Gezelle. Hiervan getuigt een ongedateerde brief, ons bezorgd door prof. R.F. Lissens: Met dank aan prof. R.F. Lissens, die de brief in handen kreeg via apotheker L. Vandenbussche, Menen, op 2 februari 1944. De bezitter deelde mee dat Gezelle de geadresseerde was en dat hij deze brief ‘kreeg voor enkele jaren vanwege de nicht van Guido Gezelle die als kamerjuffer verbleef in 't gesticht te Loppem bij Brugge en daar bevriend was met mijn zuster. Intusschen is die nicht gestorven’ (= citaat uit de begeleidende brief van L. Vandenbussche aan prof. R.F. Lissens)”.
In het artikel staat in voetnoot: “Bij de oprichting en ondersteuning van een andere nieuwe gilde deed Rodenbach een beroep op Gezelle. Hiervan getuigt een ongedateerde brief, ons bezorgd door prof. R.F. Lissens: Met dank aan prof. R.F. Lissens, die de brief in handen kreeg via apotheker L. Vandenbussche, Menen, op 2 februari 1944. De bezitter deelde mee dat Gezelle de geadresseerde was en dat hij deze brief ‘kreeg voor enkele jaren vanwege de nicht van Guido Gezelle die als kamerjuffer verbleef in 't gesticht te Loppem bij Brugge en daar bevriend was met mijn zuster. Intusschen is die nicht gestorven’ (= citaat uit de begeleidende brief van L. Vandenbussche aan prof. R.F. Lissens)”.
[2] Het is niet duidelijk over welke lezing van Guido Gezelle het gaat. In zijn voordracht voor het Davidsfonds op 14 oktober 1875 gaat het wel over ‘Vlamingen’, maar gebruikt hij het woord ‘Vlamen’ niet. We vonden het woord 'Vlamen' wel terug in een veel latere, gelijkaardige lezing uit 1897, gepubliceerd in: Guido Gezelle, Onveroorkondschapte West- Vlamingen. In: Biekorf: 8 (Bloeimaand 1897) 9, p.133-136.






