p1
O Zaarde blomke,
‘et moederhert
der aarde eerst uit-
gekropen,
hoe heerlijk is
uw hoofdsieraad,
met morgendauw
bedropen!
‘et moederhert
der aarde eerst uit-
gekropen,
hoe heerlijk is
uw hoofdsieraad,
met morgendauw
bedropen!
Hoe blijde baait[3]
mijne oogen bei
uw’ kraag, vol di-
amanten,
hoe edel heft
uw’ needrigheid
het groen, van al-
le kanten!
mijne oogen bei
uw’ kraag, vol di-
amanten,
hoe edel heft
uw’ needrigheid
het groen, van al-
le kanten!
o, Ongezien
hoe overschoon,
wie mag de schep-
er[4] wezen
de schilder van
uw' schoonheid en,...
en de oorschoonheid
van Dezen!
hoe overschoon,
wie mag de schep-
er[4] wezen
de schilder van
uw' schoonheid en,...
en de oorschoonheid
van Dezen!
O Blomke, vlucht
den schoot weêr in
die schaars u kwam
te baren:
te schoon is al,
‘t zoo liefgetal
getwinkel van
uw’ blaren!
den schoot weêr in
die schaars u kwam
te baren:
te schoon is al,
‘t zoo liefgetal
getwinkel van
uw’ blaren!
De menschenvoet
zijn ronden doet:
hij zoekt, de God-
vergeten,
zijn’ boosheid aan
Gods goedheid en
uw’ schoonheid af
te meten!
zijn ronden doet:
hij zoekt, de God-
vergeten,
zijn’ boosheid aan
Gods goedheid en
uw’ schoonheid af
te meten!
Hoe schoon gij zijt,
Hoe goed Hij is,
’t en baat al niet:
op heden
wordt, liefst van al,
het schoonste naast
het beste plat
getreden!
Hoe goed Hij is,
’t en baat al niet:
op heden
wordt, liefst van al,
het schoonste naast
het beste plat
getreden!
Kortrijk 20 Feb. 81.
Guido Gezelle






