Achtbare Heer en Vriend[1]
t Is wel besteed dat gij Dr zijt en op zoo onderscheiden wijze geworden. Ik blij er mij om, te meer omdat gij de goe genegentheid[2] gehad hebt van mij uwe goede voorderinge te laten weten.
Is ‘t waar dat gij van zinne zijt naar Kortrijk te komen weunen.
Ik heb dat hooren zeggen maar ’k heb ruize[3] om te gelooven.
’t Zou ton hier allengskens[4] beginnen gaan.
Dank u voor uw bezoek voor uw briefkaarte en voor mijnen kostbaren Ogier, dien de post mij van uwentwege besteld heeft.
Ik ben te wege[5] een bladtjen uit te geven grootte Loq. 6 maal ’s jaar, voor de fransche vlamingen.[6] Zende u in ’t korte breeder bescheid.
Blijve ulieden toegenegen
Guido Gezelle






