Op 1 juli 1925 schreef Walgrave aan Joris Lannoo: Ik ontvang eene aankondiging van Uwe nieuwe uitgave van Gezelle's Gedichten.
Volgens daar gezeid is, moet het 1e deel reeds verschenen zijn en zullen de andere kort opvolgen. De uitgave zal zeer verzorgd zijn, staat er. Dat zal wel, wat de druk betreft ben ik er gerust in. Maar tekst, verklaring? Zullen herhalingen en verkeerde opgaven verbeterd zijn sedert de Hollandsche uitgaven, die alle om 't slechtst zijn? Ik beef bij het denkbeeld dat, als alles verschenen is, wij nog eens een uiterlijk verzorgde, innerlijk gebrekkige uitgave gaan hebben.
Vergeef het mij, maar al wat Gezelle betreft, bekommert mij zoo!
Indien het mag, zend mij de proeven van ieder deeltje éér het voor goed afgedrukt wordt. Dan zal ik U de aanmerkingen maken die anders — te laat — na het verschijnen moeten gebeuren en den indruk geven van beknibbeling.
Er is al een groote fout in de aankondiging[.] Gezelle werd niet geboren den 14 Mei, maar 1 Mei ... Zie wel! Wat zal 't in die boekjes zijn? [...]
Ik vrees. Laat ons al doen dat we kunnen om een zeer correcte uitgave te hebben. Zie naar niemand en zend me zoo ge kunt de proeven; op twee dagen hebt ge ze telkens weer. Ik vraag voor 't werk niets dan een expl. der uitgave als gedachtenis en om de collectie mijner Gezelle-uitgaven. Brief in Letterenhuis, W 183/B
Toon volledige brief