Naar aanleiding van het verschijnen van de elfde (1941) en twaalfde druk (1942) van De vlaschaard ontstond er een geschil over het recht van uitgave. Volgens de firma L.J. Veen berustten de publicatierechten van dit boek bij haar zolang de firma Vlaschaard-voorraden ter beschikking had. Het feit dat ze af en toe toestemming gaf aan andere uitgeverijen tot het brengen van nieuwe drukken, betekende volgens haar niet dat zij van deze bescherming afstand deed. De firma Veen deed voor de verdediging van haar rechten beroep op een contract van 15 mei 1907, waarin staat dat bij elke herdruk van 1000 ex. de somma van Frcs. 750,- te betalen is en waardoor de uitgeverij dus automatisch het alleenrecht voor eventuele verdere uitgaven bezat. Brief van de firma Veen aan Stijn Streuvels van 08.11.1941, Letterenhuis, S 935/B2/Veen
Om het geschil in der minne te regelen, had de firma Veen één ontwerp-contract opgesteld in het belang van alle betrokken partijen. Joris Lannoo, die tegen bepaalde punten bezwaar aantekende, splitste het oorspronkelijke enkele akkoord in drie ontwerp-overeenkomsten op: uitgeverij Veen zou afstand doen van alle publicatierechten op het werk van Streuvels; de firma zou alle exploitatierechten op de voorraden afstaan aan Zonnewende; een derde overeenkomst was die tussen Lannoo en de firma Veen, die ook door Maurits De Meyer van Standaard Boekhandel en door Gilbert Grymonprez van Zonnewende ondertekend werd.
Toon volledige brief