1 
‘En u, professor,’ vroeg ik na een kort stilzwijgen, met een weer opvlammende levendigheid die, ik moet het bekennen, vooral de toestand als geheel gold, ‘zal men zich bij u aan huis niet verontrusten?’ 
 2 
‘Nee,’ sprak de hoogleraar iets stiller. 
 3 
Maar, gelijk dat vaak met overfijne zielen het geval is, scheen hij het onbescheiden te achten, de tere plek die ik zonder het te willen daarin blijkbaar had aangeraakt, hoorbaar te laten kreunen. Snel vervolgde hij: ‘Ik heb niemand meer, en mijn huishoudster is momenteel uit stad, naar familie.’ 
 4 
De trein was eensklaps zijn snelheid beginnen te minderen. We keken beiden uit het raam, maar er viel geen merkbare verandering aan het landschap te bekennen. Dezelfde zwarte velden met de verre vaste sterretjes. 
 5 
‘Zou hij blijven stilstaan?’ vroeg ik gespannen. ‘Ja, zo lijkt het wel.’ 
 6 
Inderdaad. Na nog enkele tientallen meters, in steeds krachtiger geremde vaart, te hebben afgelegd, stopte de trein met een ruk. Met onze ellebogen op de neergeschoven ruit van het raam steunend, leunden we, nieuwsgierig en besluiteloos, zo ver mogelijk naar buiten. Onze wagen bevond zich in het achterste gedeelte van de trein; dus keken we vooral naar voren, verwachtend dat vandaar nu toch eens eindelijk een teken van leven zou komen. 
 7 
Maar behalve het snijdende gesis en het doffe puffen van de locomotief, bleef alles dodelijk stil: niet één portier waarmee werd geklapt, geen enkel gerucht van stemmen, niet het minste sein. De rosse gloed van de machine laaide vuursprankelend in de duisternis; maar geen schim bewoog zich, zwart op licht, tegen die achtergrond. 
 8 
Toen, eensklaps, verbrak een geluid de beklemmende stilte. Het kwam van achteren. Met een ruk keerden we ons hoofd in die richting. Door de dikke schemer kwam iemand hals over kop aangerend, die mij een jongeman toescheen. Hij liep zo hard dat hij ons mèt voorbij zou zijn, zonder ons de minste aandacht te hebben besteed. 
 9 
‘Hee,’ riep ik, ‘hee!’ en wierp hem mijn brandende sigaret voor de voeten. Het gaf een klein sproeiwerk van vonken en miste zijn uitwerking niet. De jongeman schrok, of hij werkelijk in vuur had getrapt, en remde zo plotseling dat hij bijna tegen de grond sloeg. 
10 
‘Hèèè!’ uitte hij daarop in een lozing van lucht, als blies hij daarmee een geweldige druk van zijn hart uit. ‘Hèèè... eindelijk!’ 
11 
Toen begon hij overhaast te vragen: 
12 
‘Weet u ook waar we ons thans bevinden, heren?’ 
13 
‘Nee,’ antwoordden wij ten slotte beiden, nadat ik op professor Hernhutter had gewacht en hij waarschijnlijk op mij. Het kwam er traag uit en moest hem, die ons de vraag gesteld had, wellicht onwillig in de oren klinken. Ikzelf hoorde er, althans in een zekere zin, de stille ontgoocheling in om het antwoord, dat hijzelf daarmee op een ongeuite vraag van ons had gegeven. 
14 
‘Nee?’ schreeuwde de jongen. ‘Weet u het ook niet? Wel God allemachtig!’ Het was net of hij aan het huilen wou slaan, zo’n kinderlijk wanhopige angst lag er in die kreet. Bijna dadelijk zette hij het weer op een lopen, in de richting van de locomotief. Ondanks de duisternis zagen professor Hernhutter en ik elkaar aan. 
15 
‘Kom,’ sprak de geleerde, ‘laten wij ook uitstappen.’ 
16 
‘Ja,’ zei ik en liep hem bijna voor. 
17 
Het leek me of het Avontuur was begonnen. Het lokte me, zoals dat iemand die zich een beetje auteur waant, past; ik verwachtte dat de voortzetting ervan thans buiten de trein was te vinden. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave