1 
Hernhutter bleek zich inderdaad niet te hebben vergist. We waren werktuiglijk de richting uitgewandeld waarin de trein verdwenen was, en ontwaarden weldra een gestalte in wie we dadelijk de jongeman herkenden. Verwezen als hij daar stond, had hij ons waarschijnlijk niet horen aankomen, zodat hij weer vrij heftig schrok. Maar toen hij ons bij het licht van professors sigarepunt terecht had gebracht, bleek hij gelukkig verrast te zijn. 
 2 
‘U bent zeker te laat gekomen om de machinist te ondervragen?’ begon Hernhutter vaderlijk. 
 3 
‘Inderdaad, mijnheer,’ antwoordde de jongen met een bibberig geluid dat als over tranen heenkwam. 
 4 
‘Kom,’ troostte ik, ‘maak je maar geen zorgen. We verkeren namelijk precies in hetzelfde geval. Dus hoef je je niet alleen te gevoelen, en dat is al heel wat. Professor Hernhutter hier trok zich jou zo aan, dat hij daarom zelfs is uitgestapt’ 
 5 
‘Dank u, professor,’ stamelde de jongen op een wijze, die thans ook geen twijfel meer overliet wat de hoedanigheid van onze jeugdige metgezel aanging. 
 6 
‘Jij bent vast student, nietwaar? Wat mij betreft, ik heet X... en ben onder meer leraar.’ 
 7 
Het kwam uit. Val – zo luidde zijn naam – studeerde in de rechten. Hij had een kamer in de universiteitsstad, maar twee keer in de week treinde hij naar huis, bij zijn ouders. Met de gemoedsbeweeglijkheid der jeugd had de student zich al hersteld en bood ons blijmoedig sigaretten aan. Ook Hernhutter aanvaardde: zijn sigaar was immers haast ten einde gerookt. Met behulp van zijn peuk staken we op. 
 8 
‘En wat stelt professor thans voor te doen?’ vroeg ik daarna opgewekt. 
 9 
‘Opstappen,’ verklaarde de geleerde op prettig besliste toon. ‘Zoeken of hier of verderop geen teken van leven te ontdekken valt. Intussen kunnen we ons geval eens van drie kanten uit bepraten.’ 
10 
‘Vooruit Val,’ gebood ik. ‘De pas erin! Zo iets ongewoons valt een mens niet elke dag te beurt, en aan sommige mensen zelfs niet één keer in hun hele leven. Zodra we een kantoor ontmoeten, kun je je ouders telegraferen; zo niet dan helpen we je morgen wel om hun alles uit te leggen.’ 
11 
‘Fijn,’ stemde hij in. ‘De trek is er bij mij al in, heus!’ 
12 
We bleven nog een eindje op de spoordijk lopen, in de richting die de trein uit was gereden. Maar ik zag dat Hernhutter telkens terzijde keek en met onderzoekende blik de duisternis aan die kant poogde te doordringen. Ten slotte hield hij stil. 
13 
‘Luister,’ zei hij, ‘ik geloof dat daar een weg loopt. We moesten liever niet hierboven op de spoorbaan blijven. Dat is altijd gevaarlijk. Bovendien bespeur ik voor of achter ons uit niet de geringste lichtstip, zover mijn blik reiken kan. Terwijl ginder op het land verre schijnseltjes wenken. Die weg moet zeker naar het een of ander ervan leiden. Me dunkt dat we zo gauwer terecht zullen komen.’ 
14 
We liepen de dijk af, Val en ik als in stille verstandhouding aan weerszijden van professor Hernhutter, ten einde de oude man bij te kunnen staan. Het bleek ook nodig want beneden was een sloot. Voor we iets overlegd hadden, stond Val al tot aan zijn knieën in het water. 
15 
‘Ziezo, professor,’ riep hij vrolijk, ‘mag ik u helpen?’ 
16 
En hij droeg de grijsaard letterlijk over. Daarna zou hij vast hetzelfde met mij hebben gedaan, indien ik intussen al niet op goed geluk een sprong over de beek had gewaagd. Ik kwam met mijn voeten in iets drassigs neer, maar bevond me aan de overkant. Toch moest ik heel even mijn arm om de schouder van de student slaan: fijne jongen! 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave