1 
‘Wel,’ begon de hoogleraar enigszins aarzelend, al meende ik toch in zijn stem een stille voldoening te horen, als had hij op deze voortzetting van het gesprek gewacht, ‘... ik zat zo maar wat in het algemeen te dromen, ik bedoel zonder welbepaald verband met enige aanleiding. Op de voorgrond van mijn gedachten stond misschien een zekere weemoed, de onbestemde, rustige melancholie van mijn leeftijd, terwijl ik mij op een verder plan nog zag construeren aan een koppig denkbeeld dat mij een leven lang dierbaar geweest is. Mijn gewriggel heeft nooit iets opgeleverd, dat wil zeggen het is nooit afgeraakt of datgene geworden, wat ik, zonder het te kennen, er nochtans van verwachtte. Ik heb in mijn bestaan veel denkbeelden geconstrueerd, mijn aanleg en mijn beroep wilden dat zo, maar daarbij ben ik mezelf altijd voorgekomen als een kind dat met een meccano speelt. U weet dat bij zo’n verfijnde bouwdoos een voorbeeldboekje hoort, en ik vond er dan ook steeds een kinderlijk genoegen in, de figuren, door dat boekje tegelijk opgegeven en opgelost, zo netjes mogelijk te verwezenlijken. Ik wil dat genoegen niet geringschatten, het zou het leven, ons leven, beledigen zijn, en daarvoor houd ik er te veel van. Maar uit dat leven, uit dat boekje, sprak me toch nog de mogelijkheid van iets anders toe, wat verder reikt. En daar heb ik, naast mijn dagelijkse werk, nooit naar opgehouden te zoeken, en later zelfs nog alleen daarnaar, toen ik oud genoeg was om de gewone constructies te laten rusten. In die had ik meer dan een halve eeuw proeftijd afgelegd, op een bevredigende wijze voor anderen, naar het heette, en ook voor mijzelf. Ik mocht dus, met al mijn andere boeken, ook ons aller meccano-leidraad ter zijde leggen. Wat ik zocht stond daar uiteraard niet in, het wil immers uit zichzelf verwezenlijkt worden. Helaas, een onoverkomelijke moeilijkheid is, dat men zich niet tevens van de meccano-stukken kan ontdoen, want die zijn nu eenmaal het enige waarover een mens, die iets bouwen wil, beschikt; maar die stukken blijken zo gemaakt, dat men er al niet veel anders mee bereiken kan dan wat in het boekje staat, ook al kijkt men daarin niet meer – het zit immers in de stukken zelf...’ 
 2 
Hernhutter had even stilgehouden. De oude geleerde bleek plotseling afgemat; wij gingen nu ook onze vermoeidheid en honger weer voelen. 
 3 
Zijn ontboezeming had de professor kennelijk een bijzondere krachtsinspanning gekost. Hij was ook een eenzaam man, die zich waarschijnlijk al minder en minder met zijn medemensen in gesprekken inliet, vooral over zulke onderwerpen. 
 4 
In de jeugd mag het zwijgen nog een soort van opeenhoping zijn, met het gevolg dat bij de eerste de beste gelegenheid tot uiting, deze des te gemakkelijker, bijna als een uitbarsting geschiedt. Maar op een bepaalde leeftijd is dat niet meer zo. Het verzwijgen gelijkt dan een verzinken in onszelf, zodat de ontsluiting mettertijd een al te zware ophaling wordt. 
 5 
Wat mij betreft, ik vormde ook hierin een middelterm tussen de oude geleerde en de jonge student. De woorden van de eerste bleken op de tweede een bijzondere indruk te hebben gemaakt. Moeilijk konden ze niet eigenlijk heten, doch ze plaatsen hem onverwachts op een denkhoogte, waarvan hij de lucht nog alleen maar tijdens college theoretisch had ingeademd. Ik voelde dat de onthulling hem verraste en benauwde tegelijkertijd. Vanzelf had hij ook de pas vertraagd. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave