1 
Wel verwonderde het mij enigermate, dat de schemering zo vroeg begonnen was. Een week geleden – want om de acht dagen placht ik die reis te doen – viel de avond pas toen we ter bestemming kwamen. En de trein was toch ook vandaag precies op zijn tijd vertrokken. 
 2 
Ik schrok even. Kon het zijn dat ik slapende mijn station was voorbijgereden? Ik keek haastig op mijn polshorloge. Het licht dat van buiten door het raampje viel, was nog net voldoende om me de stand der wijzers te laten lezen. Helemaal het gewone uur, iets over de helft van de tijd tussen vertrek en aankomst. Nu, de lente is een grillig seizoen, waarin de lengte van de dag wellicht meer dan anders wordt beïnvloed door allerlei omstandigheden, die een vrij dromerig natuurliefhebber ontgaan. 
 3 
Ik drukte mijn aangezicht tegen het raam, na er met mijn verstijfde arm een plekje van te hebben schoongewreven. Ik meende het landschap wel te herkennen; het kwam me in elk geval vertrouwd voor, met zijn prettig zindelijke velden, akkers en weiden, die mooi glooiden maar niet meer zo heuvelig schenen als tijdens het begin van de reis, in de omstreek van de stad waaruit de trein kwam. 
 4 
De berm van de spoordijk schoot nu en dan de hoogte in en stuitte het gezicht. Maar dat heeft steeds mijn oog op een avontuurlijke wijze gestreeld. Met een beetje verbeelding – door zichzelf namelijk in gedachte in te schrompelen – kan men in die aanaardingen van geschroeid groen makkelijk een steil bergdecor ontwaren, dat een camera uitstekend voor een western zou kunnen verwerken. Daarna verscheen weer het landschap, als een reusachtige, in tegenovergestelde richting wentelende draaischijf. Tegen de blauwdonkere einder tekenden zich halverwege de witte bloesems der bongerds om de hofsteden af. Soms vlogen een troep kleine-burgerhuisjes van de een of andere gemeente voorbij, met hun nog schaarse lichtramen. 
 5 
Van welke gemeente kon ik niet zeggen. Ze kwamen me alle bekend voor; ze gelijken immers ook allemaal vreselijk op elkaar of toch in elk geval op weer zoveel andere. Hun namen ken ik ook wel maar ik heb nooit naam en uitzicht vast aan elkaar kunnen verbinden, hoewel ik al sinds mijn kinderjaren door dit landschap trein. Dat moet ook een gevolg van vrij dromerige natuurliefhebberij zijn. Ik geloof niet dat het op onverschilligheid wijst, maar veeleer een vorm van liefde is, die de wijde omarming van het geheel, boven de aanbidding van een bijzonderheid verkiest. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave