1 
Opnieuw waren we blijven stilstaan. Dit keer niet door Hernhutter, maar vanwege Val. Hij was ons bijna voor de voeten gesprongen, met zijn gezicht naar ons toegekeerd en zijn rug naar de weg voor ons. Ik zag plotseling, over zijn schouder, dat een licht thans heel dichtbij was gekomen. Tijdens het laatste gedeelte van ons gesprek hadden we dat inderdaad al een poos niet meer in het oog gehouden. Het is wel vreemd dat een mens, wanneer hij gespannen denkt, de blik neerslaat. Zou dat uit gewoonte zijn, aangenomen onder het lezen of schrijven, ofwel een onbewust gebaar van nederigheid? 
 2 
‘Hee!’ riep Val, ‘... dàt zou een verklaring zijn! Dan zouden we nu in dat land lopen...?’ Doch, heftig eensklaps: 
 3 
‘... Maar dan zijn we thans DOOD, professor!’ schreeuwde de jongen terwijl hij zijn armen naar elk van ons uitsloeg. 
 4 
‘Zo iets zou ik niet durven beweren, Val,’ sprak Hernhutter vriendelijk bedarend. ‘De wetenschap werkt steeds volgens het schema “als... dan”. Je moet dat “als” altijd een beetje abstract, of tenminste enigszins laboratoriumachtig en dus kunstmatig opvatten. Het is een hypothese, een werkmiddel. Een stuk afgezonderde werkelijkheid, niet de volledige werkelijkheid. Wij kunnen alle drie heel best... bijvoorbeeld toch maar een verkeerde trein hebben genomen, en ons nu ergens doodgewoon op een half dozijn uur van huis bevinden, in die vertrouwde omgeving die heel Europa van west naar oost doorloopt. Kijk trouwens maar eens om. Al pratend zijn we aardig dicht bij een van de lichten gekomen, die ons zo lang onbereikbaar hebben toegeschenen. Ik meen ginder zelfs de silhouet van een huis te kunnen ontwaren, waarschijnlijk het eerste van het een of andere dorp.’ 
 5 
Val draaide zich schielijk om. In de nog zwakke schijn van het licht zag ik zijn trekken zich ontspannen en zijn ogen weer lachend schitteren. 
 6 
‘God,’ uitte hij verblijd, ‘wat een avontuur toch! In elk geval, dood of verdoold, ik heb een reuzehonger! Als ik ginds maar iets te verhapstukken krijg, is me alles best... Ofschoon,’ voegde hij er nog aan toe, ‘het zou toch minder boeiend zijn, indien we alleen maar verdwaald waren, vindt u ook niet?’ 
 7 
Het laatste klonk grappig overmoedig; toch verried de ondertoon van zijn stem een geestdriftige trilling van echtheid. 
 8 
‘Zou je niet bang zijn, Val?’ vroeg ik broederlijk. 
 9 
‘Nee,’ zei hij steeds beslister, ‘néé! Hoe zou ik dat ook, in gezelschap van u beiden en na de uitleg van professor Hernhutter? Als het ooit waar mocht zijn dat we ons op weg bevinden naar "elders", dan heeft hij mij met zijn beschouwingen een soort kompas meegegeven. Ik zou me niet meer hulpeloos aan mijn lot overgelaten kunnen voelen, zelfs al kwam ik weer eens alleen te staan. Dit land is me nu al niet volledig onbekend meer. Ik bezit een sleutel.’ 
10 
‘U bent ook een kompas voor ons, lieve jongen,’ zei Hernhutter blijkbaar aangedaan. ‘U hebt de sleutel voor de andere deur: uw jeugd...’ 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave