1 
Gespoord door het licht liepen we nu weer stevig door. Er werd niet veel meer gesproken; ieder van ons had wellicht genoeg aan zichzelf, om zich in stilte voor te bereiden op de mogelijke ongewone voortzetting, of de even mogelijke doodgewone ontknoping van ons avontuur, die we tegemoet schreden. Het licht naderde thans snel en smolt weldra uiteen tot dat van een lamp boven een deur en tot de lichtstrepen in het gordijn achter de ramen van die deur en van twee vensters aan weerszijden. In het schaduwbeeld dat professor Hernhutter op had menen te merken, herkenden we nu inderdaad en nogal duidelijk een tamelijk groot gebouw, dat met die lantaren en die ramen het kennelijke uitzicht vertoonde van een vrij keurige buitenherberg. Een uithangbord viel er echter niet aan te bespeuren, en op de ramen stond ook geen naam geschilderd. Gedempt rumoer van stemmen drong tot ons door, op een achtergrond van strijkjesmuziek. 
 2 
Het deed alles veeleer doodgewoon dan zonderling aan. We stonden in het schijnsel van de lamp, op enkele stappen van de deur, en keken elkaar zwijgend aan. Voor het eerst eigenlijk maakten we met elkaars gelaatstrekken kennis. Maar niemands uitdrukking verried enige verbazing, zo vertrouwd waren we al met elkaar geworden. Ieder bleek de anderen precies te vinden zoals hij zich hen had voorgesteld, uit hun woorden en met het vluchtige beeld, opgevangen bij het vlammetje waaraan we een paar keer een sigaar of sigaret hadden opgestoken. 
 3 
Val was een fijne blonde jongen, welvarend van kleur, met eenvoudige smaak gekleed; zoals alle moderne jeugd had hij een sportieve allure, maar zonder buitensporigheid. Zijn blik was donker – leiblauw, leek het wel – en schitterde prettig. 
 4 
Daarna keken we stil om ons heen. De herberg stond langs de weg, een beetje boven het straatniveau. Voor de gevel liep een klinkerpad, te smal om een trottoir te kunnen heten en dat weer op scheen te houden aan de hoek van het gebouw. Voor zover we overigens bij het licht van de lantaren vast konden stellen, bleef de weg waarlangs we gekomen waren, ook verderop nog ongeplaveid. 
 5 
De herberg stond alleen. Toch meenden we in de duisternis, op korte afstand, hier en daar nog meer donkere vlakken te onderscheiden, die wel van andere woningen konden zijn. Wellicht bevonden we ons dus inderdaad op de zoom van een buitengemeente. De kleine onbestemde lichtjes die we voorts nog links en rechts bespeurden, waren misschien van het meer bewoonde gedeelte. Ze leken ons in elk geval niet zo veraf als de herberg ons aanvankelijk toe had geschenen. 
 6 
Het pinkelen, waarschijnlijk slechts veroorzaakt door de inspanning van ons eigen oog, toen het er nog te zeer van verwijderd was, had thans inderdaad opgehouden. 
 7 
‘Wel,’ vroeg ik, ‘gaan we binnen of wenst u eerst het dorp te verkennen, om het station te vinden en misschien ook een telegraafkantoor?’ 
 8 
‘Ik heb een wolfshonger!’ verklaarde Val nogmaals grappig. 
 9 
‘Laten we dan maar binnengaan,’ zei Hernhutter zacht. 
10 
Ik heb toen die deur opengeduwd, maar de hoogleraar, die zijn hoed afnam, en Val, de hongerige jeugd, laten voorgaan. Daarna betrad ikzelf de... dood-gewone andere wereld. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave