1 
‘Doodgewoon!’ herhaalde ik nogmaals, terwijl ik mijn servet weer opvouwde en mijn blik om ons heen liet gaan. Ik had reeds afgegeten; de professor was nog bezig met zijn dessert, Val met de hoofdgang waarom hij voor een tweede maal had gevraagd. 
 2 
‘Ja, bijna,’ merkte Hernhutter glimlachend op en bracht met zorg een lepeltje vla naar zijn mond. 
 3 
De gelegenheid zag er uit, evenals het landschap uit de trein, gelijk de miljoenen dergelijke lokalen welke in dat onveranderde landschap moeten voorkomen, van hier tot voor de poorten van Azië. Ze bestond uit verscheidene grote kamers, die haaks op elkaar een suite vormden, om de centrale tapkast heen. 
 4 
De stijl – want het geheel had al met al stijl – was een niet onaangename dooreenmenging van ouderwets en modern, steeds en rustiek. Spiegels bekleedden de wanden, waartegen verder talloze lage, donkerhouten schermen waren aangebracht, die gezellige hoeken met kussenbanken vormden. Op manshoogte van het plafond liep een galerij van hetzelfde hout, waar het strijkje opgesteld zat. Overal stonden tafeltjes, de ene gedekt, de andere niet, en mooie stoelen met biezen zitting. De parketvloer was van licht hout; in een der kamers verdween hij onder een fraai vast vloerkleed. Groen fleurde aangenaam in bakken en vaasjes. 
 5 
Het strijkje, dat niet in uniform en veeleer eenvoudig gekleed was, speelde zoals overal. Ik had nog geen enkel deuntje herkend, maar ze geleken alle wonderwel op die ik wel kende. Het personeel, bestaande uit de man achter de tapkast, een kelner en een juffrouw, droeg eigenlijk ook niet wat je een dienstpak kunt noemen, al maakten ze met hun gewone kostuum lang geen minder keurige indruk. 
 6 
Wat de gasten betreft, waarmee de herberg vrij flink gevuld was, die zagen er deels uit als reizigers – ze hadden ook bagage bij zich, maar niemand grote koffers – deels als ingezetenen uit de omtrek, de enen van gewone stand, je zou wel hebben gezegd boeren of werklieden, de anderen betergestelden, die zich vooral in de kamer met het vloerkleed ophielden. 
 7 
Men had aan ons binnenkomen niet veel aandacht geschonken. We waren dadelijk gaan zitten om een gedekt tafeltje, in een hoek over de tapkast, en hadden de man die deze bediende een teken gegeven. Het duurde een tijdje voor de juffrouw naar ons toekwam. En toen bleek dat we elkaar niet konden verstaan. Zij sprak een andere taal, net zoals de kelner en de buffethouder, en gelijk trouwens – we hadden er ons spoedig van kunnen vergewissen – iedereen in de herberg. 
 8 
Niemand bleek onze taal machtig te zijn, noch een der andere die wij beheersten, en zelfs professor Hernhutter kon met geen mogelijkheid het idioom, dat hier gangbaar was, terechtbrengen. Hoe hij ook luisterde, naar wortels zocht en daartoe zelfs hele reeksen klankgrepen aantekende op de rand van zijn servet – het baatte niet. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave