1 
Inderdaad, bijna doodgewoon... 
 2 
Val was nu aan de kaas toe; hij had zijn wijn al uit en verlangde een nieuwe fles, maar in plaats van die ene bracht de kelner er weer drie, een voor elk. Toen hij had afgegeten, zei Hernhutter: 
 3 
‘Mag ik even doen opmerken dat, indien we ons – steeds volgens mijn hypothese – in een bijzonder gebied mochten bevinden, met name op de zoom naar elders – het alsdan luidens de wet der traagheid volkomen regelmatig is, wanneer de meeste zaken ons nog heel gewoon toeschijnen en dat wellicht ook zijn. Krachtens de andere wet, die van het psychische automatisme, moeten evenwel daartussenin ook al enige afwijkingen kunnen worden gevonden, en wel, als ik me niet vergis, precies op essentiële punten. Drie daarvan, welke niet van belang ontbloot kunnen heten, zijn ons al dadelijk opgevallen: de Babelse taal die hier gesproken wordt, de onwetendheid waarin deze mensen blijkbaar verkeren omtrent instellingen als telefoon en telegraaf, en de afwezigheid van elk instrument om de tijd te meten. Steeds hypothetisch, Val, en met een stoute extrapolatie, zouden we daaruit inderdaad een eigenaardige afzondering in de ruimte en een typische stilstand van de tijd kunnen afleiden. Het laatste – als we tenminste hier ter plaatse blijven, want zo niet zouden we in een andere afgezonderde zone met niet noodzakelijk gelijke eigenschappen kunnen komen – moet zich over enkele “tijd” makkelijk laten controleren: als mijn redenering juist is, zal het hier nacht blijven. Middelerwijl hebben we misschien de gelegenheid om nog andere merkwaardigheden te ontdekken. Uiteraard moeten in dezen, meen ik, de meest verborgene ook de wonderbaarlijkste en wichtigste wezen.’ 
 4 
‘Prachtig,’ jubelde Val terwijl hij op de vla aanviel. ‘Zodra ik klaar ben, ga ik op de uitvors, als een waardig leerling van Wolmes. Ik heb al een idee.’ 
 5 
Sinds hij niet meer door de honger werd gekweld en reeds zijn tweede fles wijn had aangebroken, was onze student zoetjes-aan de volmaakte belichaming van de zorgeloze avontuurlijkheid der jeugd aan het worden. Het bleek ook nodig dat een van ons iets deed, zo we enigszins dieper in de toestand wilden doordringen. Want het zag er niet naar uit, of er binnen afzienbare tijd iets anders in de herberg zou gebeuren dan het gewone schouwspel dat we nu al sinds de aanvang gadesloegen. 
 6 
Alles bleef er zijn zelfde gangetje lopen, met de regelmaat van een automatisch poppenspel, dat maar één bedrijf uitvoeren kan: zodra het uit is, begint het opnieuw. Alleen viel hier de hand niet te bemerken, die het gaande werk telkens weer opwond. Van tijd tot tijd vertrokken gasten en kwamen nieuwe bezoekers binnen, die in elk opzicht op alle andere geleken, op de reizigers en de volksen zowel als op de beteren 
 7 
Het strijkje speelde onveranderlijk zijn onbekende wijsjes, maar waarvan de onbepaaldheid precies des te vertrouwder aandeed: schlagers die modern of een halve eeuw oud hadden kunnen zijn, en zowel van Franse als Angelsaksische of Duitse oorsprong. De kelner en de man in de tapkast deden hun werk; alle gasten dronken koffie, wijn of water – het leek me steeds hetzelfde heerlijk frisse, zachtborrelende natuurlijke spuitwater te wezen – enkelen aten en als die klaar waren, begonnen weer anderen daarmee. Het scheen wel of, alvast wat het eten aanging, professor Hernhutter’s vermoeden bewaarheid werd en hier geen uur bestond. 
 8 
Vele gasten rookten. Ik had de kelner kunnen doen begrijpen dat ik sigaretten wenste. Hij bracht er mij, en voegde er ongevraagd sigaren voor de hoogleraar aan toe, die deze welwillend aanvaardde. De sigaretten waren verpakt in papier, waarop wonderlijke figuren in kleurendruk voorkwamen, dooreengestrengelde cirkels en sterren, waar slot noch zin aan te vinden was. Op de sigaretten zelf stonden twee driehoeken omgekeerd op elkaar gedrukt, evenals op het bandje om de sigaren: één driehoek zilver en de andere goud, met een rood puntje precies in het midden. Ook hier viel dus nergens een naam te bekennen. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave