1 
Niettemin, ook ik was Val dankbaar voor de afleiding welke hij had gebracht en die dadelijk het gehoopte gunstige gevolg bleek te hebben, met name een nauwer voeling met onze omgeving tot stand te brengen, als aanloopje voor wat daaruit mogelijk voortvloeien kon. 
 2 
De kelner liep inderdaad niet dadelijk weer weg, de juffrouw trad zelfs nog wat dichterbij – ze stond nu bijna naast Val – en ook uit de mooie kamer met het vloerkleed waren gasten gekomen om iets aan de tapkast staande te drinken, terwijl ze met glimlachende blik ons groepje bleven volgen. 
 3 
De kelner maakte opnieuw een kleine buiging en liet verstaan, of hij even het spel kaarten van de student mocht gebruiken. Val stopte het hem opgetogen in de hand. De man nam het pak, schudde het traag ofschoon niet minder bedreven dan onze jonge vriend door, nadrukkelijk lang. Ook voor ingewijden kon er zeker geen twijfel bestaan: het wassen geschiedde dit keer voorbeeldig. Daarna streek de kelner het spel waaiervormig open, de voorzijde der kaarten naar beneden gekeerd, zodat niemand, hij noch wij, in de plaatjes kon lezen. 
 4 
Toetredend op professor Hernhutter, nodigde hij deze met een beleefd gebaar uit, een kaart uit de hoop te trekken. De oude geleerde gaf met gulle ernst gevolg aan het verzoek, maar toen hij de kaart wilde omkeren, schudde de kelner heftig nee en wees met het hoofd naar ons tafeltje. De hoogleraar lei ze daarop neer, zonder dat dus iemand er een blik in had kunnen werpen. De man dankte hem met een hoofdknik. 
 5 
Vervolgens kwam ik aan de beurt. De kelner hield thans mij de waaier voor, ik nam een kaart en legde ze, eveneens met de bovenkant naar onder, op onze tafel neer. Ten slotte moest Val een kaart trekken, die hij van ’s gelijken voor zich lei. De kelner schoof de waaier weer tot een pak ineen en gaf dat aan Val terug. Blijkbaar waren die kaarten nu van geen belang meer; Val stak ze weer in de zak van zijn pantalon. 
 6 
Een ogenblik geduld! scheen de kelner met een vingergebaar te willen verzoeken, draaide zich inderhaast op zijn hakken om en liep naar de tapkast, waar hij van de buffethouder een ander spel kaarten leende. 
 7 
Terug aan ons tafeltje, liet hij ons die eerst zien: hij schoof het pak weer waaiervormig open, maar thans met de plaatjes naar boven. Het was een gewoon spel, precies als dat van Val. De man bracht de kaarten weer bij elkaar en zonder het pak om te keren, zodat we alles goed konden volgen, begon hij telkens de bovenste kaart, nu eens langzaam, dan weer versnellend, weg te nemen en onderaan te stoppen. 
 8 
Toen hij aan ruitenaas kwam, hield hij even op, keek wazig voor zich uit en dan de hoogleraar strak in het aangezicht. Daarop legde hij de kaart, met het plaatje steeds naar boven, indrukwekkend bij de onbekende kaart welke Hernhutter straks had getrokken. Op dezelfde wijze kreeg ik daarna klaverdrie en Val schoppenboer. De verdere stok van het spel liet ook de kelner nu in zijn zak glijden. 
 9 
Niet zonder plechtigheid ontving Hernhutter thans een teken, of hij zijn onbekende kaart wilde omkeren. En stel je voor: het was, eveneens, ruitenaas! Daarna keerde ik de mijne om: klaverdrie, inderdaad! Die kelner bleek warempel in ’s duivels prentenboek te kunnen lezen! Een gemompel van bewondering steeg alom op, en ik moet bekennen dat, van ons groepje, professor Hernhutter thans niet meer de enige was om hartelijk daaraan deel te nemen. 
10 
Dàt mocht nu wezenlijk een sterk stukje heten. En wel zozeer, dat ik verder haast zonder spanning naar Val keek terwijl die zijn kaart omkeerde, overtuigd als ik was van de uitslag. Maar iedereen – of beter: de helft van het gezelschap – begon schertsend te lachen. Het kwam namelijk dit keer niet uit: de kaart die Val had getrokken en waarmee hij thans triomfantelijk zwaaide, was niet schoppenboer, maar hartenvrouw. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave