1 
Ik had dus in elk geval mijn gemoedsgesteldheid hoog gehouden of omhooggewerkt, boven die verveelde doelloosheid uit. En ook na de middag had ik zo gedaan. De ramen van de klas stonden wijd open, de tuin ademde fris naar binnen, de leerlingen waren leuk geweest ofschoon niet slimmer dan anders. 
 2 
Dom zijn ze vast niet, maar zelfs voor letterkundige vakken is tegenwoordig niet meer dezelfde belangstelling, laat staan een gelijke geestdrift aanwezig als vroeger. Voor ons vormden ze uitlaten van romantiek; thans vindt de jeugd ze flauw en saai. Blijkbaar beschikken ze nu over andere luchtkleppen. Inderdaad is het moderne leven daarvan een misschien maar al te rijke leverancier. 
 3 
Bijster literair was ik overigens die middag niet geweest. Ik had responsieles gehouden met het oog op het naderende examen, over het een en ander uit de fonetiek, wat we in de aanvang van het jaar hadden gezien. Natuurlijk kon geen enkele van die jongeheren of –dames me vertellen wat men onder ‘assimilatie van plaats’ dient te verstaan. Een der voorbeelden hadden ze onthouden: dat men ‘ogenblik’ schrijft doch ‘ogemblik’ uitspreekt. Maar het doodeenvoudige regeltje: ‘een nasaal krijgt de articulatieplaats van de volgende consonant’, bleek weer in alle hoofden hopeloos te zijn ondergegaan. 
 4 
Ik spelde het hun nog eens voor, en met een ijver die het laatste kwartaal voor het examen kenmerkt, schreven ze het opnieuw op, of het niet veel minder dan een toverformule gold. Nogmaals probeerde ik hun de natuurlijkheid van het verschijnsel te laten inzien en herinnerde hen aan wat ik de ‘inchoatieve reflex’ genoemd had: het denkbeeld van een beweging verwekt werktuiglijk in de spieren een begin van uitvoering ervan, zodat, wanneer we ‘ogenblik’ willen zeggen, ons spraakwerktuig, nog voor we aan de n toe zijn, zich ook reeds op de b begint in te stellen, waardoor de n naar de articulatieplaats der m opschuift. De mededeling dat Pierre Marie Félix Janet – die daarna ook tot een van Frankrijk’s beroemdste doctoren in de medicijnen zou promoveren, op een proefschrift betreffende de hysterie – reeds in 1889, voor zijn doctoraat ès lettres, een dissertatie gewijd had aan die reflex, wat hij ‘L’Automatisme psychique’ had geheten, bleek bij mijn gehoor slechts een odium der geleerdheid te hebben achtergelaten. 
 5 
Om dat enigermate op te heffen, kwam ik dit keer op de inval, het begrip ‘inchoatief’ gewoon voor te stellen als het omgekeerde van een bekend verschijnsel uit de natuurkunde: de inertie. Gelijk, luidens de wet der traagheid, een beweging de neiging vertoont om nog heel even voort te duren, ook wanneer, laten we zeggen, de motor werd afgezet, aldus, volgens het psychische automatisme, vertoont een handeling de neiging om reeds te beginnen nog voordat we ze metterdaad uitvoeren. 
 6 
Welke voorstellingswijze eindelijk de eer had genoten, door mijn leerlingen begrijpend en goedkeurend te worden aanvaard. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave