1 
Zo had ik dan ’s avonds met een gemengd gemoed in de trein gezeten: vermoeid uit gewoonte, hoewel misschien toch wat uitgerust na de vrije ochtend; ontevreden over de werkloosheid ervan, maar in een ander opzicht weer getroost met zijn deugdzaamheid. En door mijn lichte ergernis om de stoffige broeierigheid van de coupé en van de mensen daarin, was toen die lofwaardige overpeinzing heengebroken. 
 2 
Een beschouwing, nog heel jong in mijn psychologie van man van welhaast middelbare leeftijd – indien ik het wel heb, is ze pas verleden jaar als een heerlijke najaarsbloem uit mijn ziel opgeschoten – en die, gelijk alle prille dingen, nog naief in zijn woorden klinkt: wat is het leven schoon, wat ben ik blij dat ik leef, laat ik ook dit alleronbelangrijkste ogenblik toch diep doorproeven, het kan alles zo gauw verkeren, en wat zou ik er dan naar snakken! Dat is voorzeker geen oorspronkelijke gedachte, al kan ik er het volgende aan toevoegen. Meestal leest men ze, of hoort men ze uiten, in een ‘afgesloten’ zin, als een soort wanhoopsfilosofie van mensen die zich ten slotte aan het ultra-kleine gaan hechten, doordien dàt tenminste toch heel even omvat blijkt te kunnen worden. Daarmee houdt het geluk dan voor hen op – erachter ligt niets meer. 
 3 
In mijn begrip gaat het echter anders toe: ik voel dat geluk onweerstaanbaar als een voorslag, waarop men zich slechts kan bezinnen door zich eraan te hechten, op straffe van anders, onvoorbereid, niet verder te kunnen schrijden op de weg van beproeving en zaligheid. Pas door het kleine op te gebruiken, meen ik te hebben begrepen, maakt men een uitgang vrij om eens bij machte te zijn in het grotere binnen te dringen. Indien ik het odium mijner leerlingen niet vreesde, dan zou ik ook en vooral hier willen gewagen van een ‘eschatologisch perspectief’, waarmee mijn min of meer essentiële gevoelens steeds gepaard gaan. 
 4 
Langs bloeiende boomgaarden reed de trein. De zon scheen nog, dwars door het rijtuig met zijn vele glas. Het groen der velden werd reeds donker, waardoor de hemel thans nog lichter ging schijnen. Het landschap was zo schoon als op een meesterlijk doek, en de kring van reizigers toch eigenlijk heel gezellig. Ik voelde in mij een vallei of een hoogtepad van blij geluk, ondanks de kleine bergen van verveling en tegenspoed die elk bestaan nu eenmaal te verzetten heeft. Ik beaamde het leven. En kan, van die heiligende innerlijke daad, de herboren ziel waarmee ik daarna weer wakker werd, niet de vrucht, dit is het gevolg en de beloning zijn geweest? 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave