1 
Het verlangen om een sigaret te roken – ik voelde me thans zo fris dat ik geen aanslag meer vreesde, net als in de jongelingsjaren, wanneer ons een beetje aanslag precies nodig is om tot het volle besef van onze frisheid te komen – dat verlangen was middelerwijl tot een razende behoefte uitgegroeid. Onze coupé bleef echter slapen, binnen de bewasemde ramen, waarachter het alsmaar duisterder werd. Schommelend reed de trein steeds zijn snelle, gedempt bruisende vaart. Bovendien kon ik het in mijn folterhoek niet langer uithouden: mijn hele lichaam voelde smartelijk doof. 
 2 
Ik begon me zogoed als het ging overeind te werken. De heer, niet meer door mij geschoord, vertoonde neiging om te zakken naar de kant van het raam toe. Ik probeerde hem met mijn ene hand tegen te houden, terwijl ik met de andere mezelf vastgreep aan het bagagenet boven het meisje en de jongen in het meipak. Door mijn duwen kwam het bovenlichaam van de heer weer min of meer vast rechtop te zitten. Ik kon echter onmogelijk, in de warwinkel der benen van mijn reisgenoten, een plaatsje vinden om zelf mijn voeten behoorlijk neer te zetten. Ten einde mijn evenwicht te bewaren, moest ik me er met ruw geweld een weg doorheen banen. Niemand werd echter wakker. Ik stond nu in het gangpad dat overlangs door het midden van het rijtuig loopt, tussen de zitplaatsen door. Zo overzag ik thans de gehele coupé. Hoewel hij erg duister was geworden, had ik me er in een oogopslag van vergewist, dat iedereen zonder uitzondering sliep. Ook uit de donkerste hoek hoorde ik niet het minste gerucht van stemmen het eentonige geruis van de rijdende trein verbreken. Ik begon dat eensklaps wel zonderling te vinden, en dit keer niet meer even vermakelijk als verbazend. 
 3 
Waren wij dan toch mijn station al voorbij of zat ik op een verkeerde route, in de een of andere nachttrein voor het buitenland? Ik had lucifers in de zak van mijn pantalon en ik beschikte nu over voldoende bewegingsvrijheid om er een af te strijken en tevens mijn sigaret aan te steken. Doch iets hield mij daarvan terug. Niet dat ik bang was om licht te maken. Maar er was plotseling iets huiverigs over mij gekomen: ik voelde me ineens zo neerslachtig, zo eenzaam te midden van al die slapenden, niettegenstaande de lijfelijke aanwezigheid van zoveel mensen. 
 4 
Een groter, dringender behoefte kwelde mij thans. Ik moest zo spoedig mogelijk iemand ontmoeten, die niet sliep; ik wilde weer in open ogen kunnen kijken, een levende mond horen spreken. Het vlammetje, waarom ik zou vragen, kon als voorwendsel dienen om mij tot hem te richten. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Exporteer

Inhoudsopgave