T48
P48
Pm50
D75

XXX 

 1 
Het strijkje pauseerde even tussen twee dansen in. Val, met een blakend gezicht, kwam weer naar ons toe. Hij had zijn zelfbinder uitgetrokken en stopte hem in de zak van zijn jas, welke aan het houten scherm hing. 
 2 
„Professor”, verklaarde hij grappig parmant, terwijl hij met zijn zakdoek onder de vaste boord van zijn hemd voer, waarvan hij het bovenste knoopje los had gemaakt, „ik wil niet meer terug, het bevalt me hier veel te geweldig !” 
 3 
Prosit !” blubberde de hoogleraar en probeerde zijn glas leeg te drinken. „Zulk een moederlijke hartendame, zwart als deze nacht...” 
 4 
„Zwart ?...” 
 5 
Ik zag de zweetpareltjes in het dons boven Val’s verraderlijk vochtige lippen schitteren. 
 6 
„Maar ze is zo blond als de ochtendzon, professor, en even jong !” kletste de student proestend door. „Wat zegt u ?” wendde hij zich tot mij. 
 7 
Ik knikte voorzichtig, maar het leek wel of het nog te hard was geweest. Opeens hoorden we in Hernhutter als iets doorbreken. Het kwam uit zijn keel, uit zijn borst, maar hij greep zichzelf bij het hoofd, met zijn ellebogen op het tafeltje steunend, terwijl zijn vingers als verloren door zijn weldra helemaal warrige haarbos woelden. 
 8 
„Professor, professor !” riepen we tegelijk, maar hij uitte slechts nog één woord (maar was het nog wel een woord ?) : 
 9 
„Ssuff, ssuff...” herhaalde hij alsmaar. 
10 
We waren op hem toegesprongen, hadden zijn arm vastgegrepen, wilden hem helpen, maar hoe ? Vruchteloos staarden we in zijn schone, jammerlijke ogen; hij moest ons toch ook zien, maar niets verstaanbaars kwam meer over zijn lippen, geen menselijke mededeling viel meer uit zijn trekken af te lezen. Hij bleef zitten, onbegrijpelijk, misschien ook nietszeggend knikkend. We waren hem kwijt ! Onherstelbaar afgesneden bleek elke weg tot omgang met de minzame grijsaard, de fijnzinnige geleerde, de goede, dierbare reisgenoot... 

XXX 

 1 
Het strijkje pauseerde even tussen twee dansen in. Val, met een blakend gezicht, kwam weer naar ons toe. Hij had zijn zelfbinder uitgetrokken en stopte hem in de zak van zijn jas, welke aan het houten scherm hing. 
 2 
„Professor”, verklaarde hij grappig parmant, terwijl hij met zijn zakdoek onder de vaste boord van zijn hemd voer, waarvan hij het bovenste knoopje los had gemaakt, „ik wil niet meer terug, het bevalt me hier veel te geweldig !” 
 3 
Prosit !” blubberde de hoogleraar en probeerde zijn glas leeg te drinken. „Zulk een moederlijke hartendame, zwart als deze nacht...” 
 4 
„Zwart ?...” 
 5 
Ik zag de zweetpareltjes in het dons boven Val’s verraderlijk vochtige lippen schitteren. 
 6 
„Maar ze is zo blond als de ochtendzon, professor, en even jong !” kletste de student proestend door. „Wat zegt u ?” wendde hij zich tot mij. 
 7 
Ik knikte voorzichtig, maar het leek wel of het nog te hard was geweest. Opeens hoorden we in Hernhutter als iets doorbreken. Het kwam uit zijn keel, uit zijn borst, maar hij greep zichzelf bij het hoofd, met zijn ellebogen op het tafeltje steunend, terwijl zijn vingers als verloren door zijn weldra helemaal warrige haarbos woelden. 
 8 
„Professor, professor !” riepen we tegelijk, maar hij uitte slechts nog één woord (maar was het nog wel een woord ?) : 
 9 
„Ssuff, ssuff...” herhaalde hij alsmaar. 
10 
We waren op hem toegesprongen, hadden zijn arm vastgegrepen, wilden hem helpen, maar hoe ? Vruchteloos staarden we in zijn schone, jammerlijke ogen; hij moest ons toch ook zien, maar niets verstaanbaars kwam meer over zijn lippen, geen menselijke mededeling viel meer uit zijn trekken af te lezen. Hij bleef zitten, onbegrijpelijk, misschien ook nietszeggend knikkend. We waren hem kwijt ! Onherstelbaar afgesneden bleek elke weg tot omgang met de minzame grijsaard, de fijnzinnge geleerde, de goede, dierbare reisgenoot... 

30 

 1 
Het strijkje pauseerde even tussen twee dansen in. Val, met een blakend gezicht, kwam weer naar ons toe. Hij had zijn zelfbinder uitgetrokken en stopte hem in de zak van zijn jas, welke aan het houten scherm hing. 
 2 
« Professor », verklaarde hij grappig parmant, terwijl hij met zijn zakdoek onder de vaste boord van zijn hemd voer, waarvan hij het bovenste knoopje los had gemaakt, « ik wil niet meer terug, het bevalt me hier veel te geweldig ! » 
 3 
« Prosit ! » blubberde de hoogleraar en probeerde zijn glas leeg te drinken. « Zulk een moederlijke hartendame, zwart als deze nacht... » 
 4 
« Zwart ?... » 
 5 
Ik zag de zweetpareltjes in het dons boven Val’s verraderlijk vochtige lippen schitteren. 
 6 
« Maar ze is zo blond als de ochtendzon, professor, en even jong ! » kletste de student proestend door. « Wat zegt u ? » wendde hij zich tot mij. 
 7 
Ik knikte voorzichtig, maar het leek wel of het nog te hard was geweest. Opeens hoorden we in Hernhutter als iets doorbreken. Het kwam uit zijn keel, uit zijn borst, maar hij greep zichzelf bij het hoofd, met zijn ellebogen op het tafeltje steunend, terwijl zijn vingers als verloren door zijn weldra helemaal warrige haarbos woelden. 
 8 
« Professor, professor ! » riepen we tegelijk, maar hij uitte slechts nog één woord (maar was het nog wel een woord ?) : 
 9 
« Ssuff, ssuff... » herhaalde hij alsmaar. 
10 
We waren op hem toegesprongen, hadden zijn arm vastgegrepen, wilden hem helpen, maar hoe ? Vruchteloos staarden we in zijn schone, jammerlijke ogen; hij moest ons toch ook zien, maar niets verstaanbaars kwam meer over zijn lippen, geen menselijke mededeling viel meer uit zijn trekken af te lezen. Hij bleef zitten, onbegrijpelijk, misschien ook nietszeggend knikkend. We waren hem kwijt ! Onherstelbaar afgesneden bleek elke weg tot omgang met de minzame grijsaard, de fijnzinnige geleerde, de goede, dierbare reisgenoot... 

30 

 1 
het strijkje pauzeerde even tussen twee dansen in. Val, met een blakend gezicht, kwam weer naar ons toe. Hij had zijn zelfbinder uitgetrokken en stopte hem in de zak van zijn jas, welke aan het houten scherm hing. 
 2 
‘Professor,’ verklaarde hij grappig parmant, terwijl hij met zijn zakdoek onder de vaste boord van zijn hemd voer, waarvan hij het bovenste knoopje had losgemaakt, ‘ik wil niet meer terug, het bevalt me hier veel te geweldig!’ 
 3 
Proost!’ blubberde de hoogleraar en probeerde zijn glas leeg te drinken. ‘Zulk een moederlijke hartenvrouw, zwart als deze nacht...’ 
 4 
‘Zwart...?’ 
 5 
Ik zag de zweetdruppeltjes in het dons boven Val’s verraderlijk vochtige lippen schitteren. 
 6 
‘Maar ze is zo blond als de ochtendzon, professor, en even jong!’ kletste de student proestend door. ‘Wat zegt u?’ wendde hij zich tot mij. Ik knikte voorzichtig, maar het leek wel of het nog te hard was geweest. 
 7 
Opeens hoorden we in Hernhutter als iets doorbreken. Het kwam uit zijn keel, uit zijn borst, maar hij greep zichzelf bij het hoofd, met zijn ellebogen op het tafeltje steunend, terwijl zijn vingers als verloren door zijn weldra helemaal warrige haarbos woelden. 
 8 
‘Professor, professor!’ riepen we tegelijk, maar hij uitte slechts nog één woord (maar was het nog wel een woord?): 
 9 
‘Ssuff, ssuff...’ herhaalde hij alsmaar. 
10 
We waren op hem toegesprongen, hadden zijn arm vastgegrepen, wilden hem helpen, maar hoe? Vruchteloos staarden we in zijn schone, jammerlijke ogen; hij moest ons toch ook zien, maar niets verstaanbaars kwam meer over zijn lippen, geen menselijke mededeling viel meer uit zijn trekken af te lezen. Hij bleef zitten, onbegrijpelijk, misschien ook nietszeggend knikkend. We waren hem kwijt! Onherstelbaar afgesneden bleek elke weg tot omgang met de minzame grijsaard, de fijnzinnige geleerde, de goede, dierbare reisgenoot... 

Zoek / Exporteer

Zoek


Inhoudsopgave

Vergelijkend apparaat

Toon alle
XXX,1
  • pauzeerde (D75)
XXX,2
  • had losgemaakt (D75)
XXX,3
XXX,3
  • hartenvrouw (D75)
XXX,4
XXX,5
  • zweetdruppeltjes (D75)
XXX,10
  • fijnzinnge (P48)